Abonneer Log in

De sensitieve stad: nieuwe noden vragen meer solidariteit

Samenleving & Politiek, Jaargang 18, 2011, nr. 8 (oktober), pagina 86 tot 92

Met de publicatie van het boek Voor wat hoort wat (Janssens, 2011) bevestigt de burgemeester van Antwerpen een trend die al een tijdje bezig is. Onder druk van oude en nieuwe sociale risico’s zetten de meeste Vlaamse steden, in verschillende mate, sterker in op ‘wederkerigheid’ in hun sociaal beleid. Vanuit de vrees dat we het plafond van ons sociaal zekerheidssysteem bereiken en dat we het draagvlak voor ons sociaal beleid verliezen, maar ook onder druk van een samenleving die meer en meer verrechtst, wil men benadrukken dat in onze samenleving niets voor niets is. Wil men genieten van het sociale systeem, dan moet men er ook iets voor terug doen. In deze bijdrage gaan we na of het antwoord van Patrick Janssens op de stad onder druk wel de enige optie is en toetsen we, met voorbeelden uit Antwerpen en Gent, de piste van ‘een nieuw sociaal contract’ op mogelijk ongewenste effecten. Ten slotte proberen we, vanuit de kracht van de stad en vanuit een progressief perspectief, nieuwe wegen voor een stedelijk sociaal beleid naar voor te brengen.

DE STAD IN VERANDERING

De afgelopen jaren zijn de krantenkoppen over een stad onder druk niet meer weg te denken uit het dagelijkse nieuws: ‘Stad Antwerpen vreest voor groot tekort aan scholen’ (Gazet van Antwerpen [GVA], 21 mei 2009), ‘Tekort van 4000 plaatsen in de Antwerpse kinderopvang’ (GVA, 21 januari 2010), ‘Antwerps protest tegen extra asielzoekers’ (GVA, 11 december 2009)‘. ’Toestroom moet stoppen’ (in Gent) (De Standaard [DS], 16 juni 2011).
Elke stad in Vlaanderen lijkt onderhevig aan een transitie die ‘nieuw’ is. Waar in de jaren 1980 en 1990 Antwerpen en Gent leegliepen omdat de gegoede middenklasse massaal in de nieuw ontsloten stadsrand ging wonen, wat tot gevolg had dat de stad steeds meer aan economische slagkracht verloor, groeien beide steden vandaag met rasse schreden aan. Vandaag telt Antwerpen net geen half miljoen inwoners en voorspellingen wijzen uit dat dit er in 2025 wel eens 600.000 kunnen zijn, en ook in Gent groeit de bevolking, na decennia van afname, terug fors aan.
Deze groei van de steden gaat echter ook gepaard met een stijgende inkomensongelijkheid. De bevolkingsgroei is in beide steden namelijk hoofdzakelijk toe te schrijven aan de instroom van nieuwkomers. Ook al gaat de stad er economisch op vooruit, haar inwoners zijn wel meer divers, groter in aantal en een groter aantal is aangewezen op overheidssteun. Zo wordt in Antwerpen vandaag 1 op 5 kinderen in een kansarm gezin geboren, wat een verdubbeling betekent over de afgelopen 10 jaar. In Gent is dat 1 kind op 7, waar dit in 2004 nog 1 op 10 was.

De gevolgen van deze stedelijke veranderingen zijn niet los te zien van een welvaartsstaat in crisis. Antwoorden op de nieuwe sociale risico’s en de sterke migratiedruk blijven uit. Al jaren kampt de federale overheid met een financieringstekort van haar sociaal zekerheidssysteem. De druk op het stelsel wordt alsmaar groter en de roep om herziening klinkt steeds luider. Ook op Europees niveau heeft men, door zich uitsluitend toe te leggen op een economische samenwerking, tot op vandaag een kans gemist om een sterk sociaal Europa uit te bouwen.

DE STAD ALS POORTWACHTER

Vanuit de verschillende steden in Vlaanderen wordt op twee manieren op deze nieuwe situatie - een welvaartsstaat in crisis en een stad in verandering - gereageerd.

Een eerste reactie is de schreeuw naar responsabilisering van de hogere overheden. Een recent voorbeeld hiervan is de oproep naar een gesloten opvangcentrum voor drugsdealende illegalen. Deze oproep van de Antwerpse burgemeester kwam er in reactie op rellen tussen winkeleigenaars en drugsdealers in de Handelsstraat en werd onmiddellijk ondersteund door collega-burgemeesters uit Gent, Oostende, Mechelen en Sint-Niklaas. Zo deed ook de Gentse burgemeester Daniël Termont afgelopen zomer nog een oproep in De Morgen: ‘Wij hebben een lange lijst van initiatieven voorgesteld. Zowel aan Europa, aan de federale regering, als aan Vlaanderen. We stellen nu al een aantal jaar vast dat er massaal veel mensen naar hier komen, en dat zijn niet de meest bemiddelden. We willen alles doen wat we kunnen om die mensen te helpen, wij zijn een warme, open, sociale stad. Maar er zijn grenzen. Ze zijn met te veel ineens gekomen en ze blijven met te veel komen.’ (De Morgen, 27/7/11).
De steden willen met de Vlaamse en de federale overheid tot een gedeeld regelgevend kader komen zodat bijkomende druk wordt vermeden. Wat illegalen betreft, heeft het stedelijk beleid immers weinig tot geen instrumenten om in te grijpen.

Een tweede soort reactie op de veranderde stedelijke realiteit is gericht op de inwoners van de stad. Onze dure vorm van solidariteit zou volgens velen te genereus zijn en te weinig ‘gebruikers’ aanspreken op hun individuele verantwoordelijkheden. Heel wat diensten waarin de welvaartstaat burgers voorziet, zoals gratis onderwijs, betaalbare gezondheidszorg en (aanvullende) pensioenen, zijn systemen waarbij de relatie tussen de geleverde bijdrage en het bekomen van een voordeel minder direct waarneembaar zijn dan bij iemand die een werkloosheidsuitkering of een leefloon ontvangt. Om deze individuele verantwoordelijkheid te onderstrepen pleit onder meer Patrick Janssens vanuit het stedelijke beleid voor een nieuw sociaal contract. Tegenover een uitkering moet zo de plicht staan op werk, tegenover gratis onderwijs staat (nu al) de leerplicht, tegenover een leefloon moet een vergelijkbare werkbereidheid staan of een bereidheid om lessen Nederlands te volgen en een begeleidingstraject, tegenover sociale huisvesting staat in de toekomst het liefst ook de plicht op een activeringstraject en tot slot wordt ook de vrijblijvendheid van de hulpverlening in vraag gesteld. Een gelijkaardig geluid horen we bij Geert Versnick, voorzitter van het OCMW in Gent.

In beide reacties kiest de stad duidelijk voor een defensieve aanpak. Het politieke beleid vernauwt zich tot het versterken van de controle op haar samenleving en het beheersen van de effecten van een welvaartsstaat in crisis en een stad in verandering. De oproep voor een nieuw sociaal contract toont helder aan dat de stad als poortwachter optreedt en tracht af te bakenen met wie ze solidair wil zijn en kan blijven.

In wat volgt willen we nader ingaan op de vraag of de stedelijke politiek wel de juiste strategie hanteert. Dient zij op te treden als bewaker en verdediger van ons federaal sociaal model? Of klopt de huidige draaglast niet en moet de stad in haar beleid andere klemtonen kunnen leggen en haar politiek gewicht inzetten om hogere overheden op hun verantwoordelijkheden te wijzen? We plaatsen eerst vanuit de stadspraktijk het ‘voor wat hoort wat’-principe in een breder kader. Vervolgens vragen we ons af of het verplaatsen van de solidariteitsbasis naar de stedelijke schaal niet contraproductief werkt, om dan af te sluiten bij de zoektocht van het stedelijk beleid naar nieuwe vormen van solidariteit en naar manieren om het aanwezige sociaal kapitaal in steden als Antwerpen en Gent te mobiliseren.

NAAR EEN NIEUW SOCIAAL CONTRACT

De administratieve logica en de werkingsprincipes van hulpverleningsorganisaties en stedelijke diensten staan vandaag vaak in zeer schril contrast met de kortetermijnlogica en de overlevingsdrang van mensen die in armoede leven. Ingewikkelde administratieve procedures, wachttijden en hoge drempels werken eerder de afhankelijkheid van kansarme cliënten in de hand dan dat ze hen versterken of zelfstandiger maken (Van Robaeys en Driessen, 2011).
Zo verloopt de hulpverlening aan personen met een andere herkomst moeilijk omwille van de uitsluitingsmechanismen die onze samenleving nog steeds structureel heeft ten aanzien van deze groepen. Sociaal werkers ervaren heel veel moeilijkheden om hun cliënten goed te huisvesten of om ze naar werk te leiden. (Van Robaeys en Driessen, 2011) Of wanneer een huurder wordt geweigerd omwille van zijn niet Vlaamse achternaam. Deze fenomenen bestaan vandaag nog op grote schaal en maken het verbeteren van de leefsituatie van sociaal kwetsbare mensen zeer complex.
Maar ook de specifiek op deze groepen gerichte dienstverlening werkt niet altijd afdoende. Een voorbeeld zijn de verplichte cursussen Nederlands voor nieuwkomers. Ondertussen bestaat er een brede consensus dat de verplichte basiscursus Nederlands ontoereikend is om zich zelfstandig in de nieuwe taal te kunnen uitdrukken. Hulpverleners van eerstelijnsdiensten, zoals het OCMW en het welzijnswerk, situeren taalproblemen met stip op nummer één bij hun werk met anderstalige cliënten (Van Robaeys, Driessen, 2011). Bovendien zijn er nog steeds heel wat hulpverleningsinstanties waar men anderstalige cliënten weigert omdat men er niet op voorzien is. Personeel opleiden en ondersteunen in het werken met klanten uit andere talen en culturen, vraagt inderdaad extra inzet van tijd en middelen. Maar in steden als Antwerpen, waar 4 op 10 mensen andere roots heeft, of Gent waar 1 op 5 allochtoon is, is dit onvermijdelijk. Ook de taalwetgeving is wat dat betreft totaal onaangepast en laat overheidsinstanties niet toe om mensen in andere talen te bereiken.
De vraag die zich opdringt is: zullen stedelijke diensten en hulpverleningsinstellingen zich vooral richten op een aanpassingsparadigma of op een veranderingslogica? Stellen ze zich tot doel de ‘onaangepasten’ te normaliseren of zullen ze de structurele bepalingen aanklagen die sociale ongelijkheid en uitsluiting in de hand werken? (Van der Lans, 2010; Van Robaeys en Driessen, 2011) We moeten omgaan met dit spanningsveld en op beide polen inzetten. Niet enkel op het ter verantwoording roepen van de zwaksten. Dan kijken we al te gemakkelijk naar de individuele ander en stellen we gegroeide systemen en structuren niet meer in vraag. Hoe moet iemand een sociaal contract afsluiten als de toegangspoort tot onze sociale organisatie nog steeds door zeer veel obstakels is versperd?

Een tweede bedenking bij het opmaken van een nieuw sociaal contract is dat we moeten opletten dat we ons niet uitermate gaan fixeren op leefloners en werklozen en het maatschappelijk debat daartoe vernauwen, als zijn ze ‘de profiteurs’ en dus het failliet van onze welvaartsstaat. In Antwerpen leven vandaag ongeveer 7000 mensen van een leefloon of een equivalent leefloon. Dit is een sterke stijging ten opzichte van 2009 (Kerncijfers stad Antwerpen, 2011). Maar er wordt hard aan de weg getimmerd. Zeker het Antwerpse OCMW kan de afgelopen jaren onder het beleid van voorzitter Monica De Coninck gewag maken van mooie resultaten op vlak van activering. Momenteel zijn ongeveer drie op vier Antwerpse OCMW-klanten aan het werk of in opleiding. Dit betreft niet alleen de leefloners, maar ook mensen die op een andere manier cliënt zijn bij het OCMW. In Gent werken gemiddeld elke maand 350 mensen in het Artikel 60-statuut, waar dit er in Antwerpen 1373 zijn (bron:http://www.mi-is.be/be-nl).

Bea Cantillon wijst er in Voor wat hoort wat (Janssens, 2011) verder terecht op dat, wat betreft de nieuwe sociale risico’s, het juist mensen zijn met hogere inkomens die intensief gebruikmaken van de diensten en voorzieningen die de welvaartstaat hen biedt, denk maar aan het vroeger en ook meestal langer gebruikmaken van ons uitermate betaalbaar onderwijssysteem, in vergelijking met mensen uit een lagere sociaaleconomische klasse. De langere levensduur van mensen met een hoger inkomen, maakt dat zij langer genieten van een pensioen en onze sterk uitgebouwde gezondheidszorg. Of het systeem van de dienstencheques, dat voornamelijk door tweeverdieners gebruikt wordt. Of wat met de subsidie die we geven aan mensen die tijdskrediet nemen of loopbaanonderbreking? Het verhaal is dus een stuk complexer dan het debat vernauwen tot uitkeringsgerechtigden en het ‘voor wat hoort wat’-principe.

Het spreekt voor zich dat mensen met hogere inkomens via belastingen bijdragen aan ons sociale zekerheidssysteem en dat uitkeringsgerechtigden dat minder of niet doen. De sociale zekerheid is dan ook nooit louter opgebouwd op basis van het principe van wederkerigheid, het is steeds verweven met het principe van solidariteit. Anderzijds zijn het bijna gratis naar school gaan en het vlot gebruik kunnen maken van de diensten van artsen en specialisten, voor velen vanzelfsprekendheden geworden, die dat in vergelijking met heel wat bestaande sociale systemen in andere Europese en niet-Europese landen niet zijn. De wereldwijde financiële en economische crisissen en de verhoogde druk op publieke uitgaven maken dit alsmaar duidelijker. Uitsluitend werklozen en leefloners op het matje roepen is dus te eng. Onze responsabiliseringsopdracht is veel breder dan dat.

DE STAD IS GEEN STAAT

Wanneer een sociaal contract als basis voor een stedelijk sociaal beleid dient, volgt de neiging om ook verschillende herverdelingsprincipes van de sociale zekerheid op lokaal niveau te gaan organiseren. De stad bakent af met wie en voor wat ze solidair wil zijn en kan blijven. De vraag is echter waartoe dit kan leiden. Terwijl het vrij verkeer van personen vandaag meer en meer transnationaal wordt, is het een contradictie om (grensoverschrijdende) solidariteit op een kleinere schaal te organiseren. In plaats van de rol van de stad hier te overschatten, wordt beter het debat gestart over de rol van Europa en de nood aan een Europees sociaal beleid. Als Europa het een belangrijke doelstelling acht om het vrij verkeer van personen te realiseren en te garanderen, dan zou het logisch zijn dat Europa ook een sociale dimensie ontwikkelt. Hoewel dat op dit ogenblik onmogelijk is binnen de huidige Europese verdragen, levert deze weg op termijn meer op dan de bijkomende solidariteitseisen, die ontstaan door migratie, louter op de schouders van individuele steden te leggen. Het zou voor de Europese Commissie ook een project kunnen inhouden dat Europa terug dichter bij de burgers brengt, dan het huidig Europa dat vooral de klemtoon legt op de afbouw van de publieke sector in tal van landen.

DE SENSITIEVE STAD

Het is duidelijk dat, in het politieke beleid van de steden, een defensieve houding als poortwachter niet het uitgangspunt mag zijn. De toegang tot de dienstverlening is vandaag nog te beperkt, het risico op een te enge responsabiliseringvan de allerzwaksten is te groot en de organisatie van solidariteit op stedelijk niveau is contradictorisch aan het principe van een zo hoog mogelijke organisatie van een sociaal zekerheidsmodel.

We willen hier tegenover plaatsen dat de stad de mogelijkheid heeft om met deze druk en transitie anders om te gaan. De steden moeten vertrekken vanuit hun eigen unieke positie, en de hoge graad van interactie die een stedelijk niveau met zich meebrengt. Het stedelijk beleid staat dichter bij haar inwoners en organisaties. Het kan mensen en verenigingen verbinden en talenten en mogelijkheden van nabij opmerken en benutten. Kortom we moeten voluit de kaart trekken van de sensitieve stad.

In Voor wat hoort wat (Janssens, 2011) komen Frank Vandenbroucke en Kim Lieven (2011) met hun oproep naar een nieuwe vorm van sociaal investeringsbeleid dichtbij wat we beogen. ‘Het sociaal beleid van de toekomst zou meer dan vroeger doelbewust moeten investeren in sociale samenhang, in sociaal kapitaal. Daarin hebben de steden een bijzondere verantwoordelijkheid’. Steden als Antwerpen en Gent moeten niet enkel netwerken creëren, maar ook actief sociaal kapitaal opsporen en er gebruik van maken. De kracht van de stad kan hierdoor volop worden benut om de weerbaarheid van een stedelijke samenleving te vergroten en zo ook de sociale zekerheid te baten. Steden kunnen deze rol veel verdienstelijker opnemen dan de Vlaamse of de federale overheid.

De keuze voor een sensitieve stad is niet onoverkomelijk. Het doorbreken van de administratieve logica, door bestaande drempels te verlagen, en door te kiezen voor niet voor de hand liggende samenwerkingsverbanden gebeurt vandaag al. Het KAAP-project is daar een voorbeeld van, waarbij ouders Nederlandse taallessen krijgen op de schoolbanken van hun kinderen. Gelijkaardig zorgt het project De Katrol in Gent voor een unieke samenwerking met studenten uit het hoger onderwijs. Kinderen uit kwetsbare gezinnen krijgen daarbij huiswerkbegeleiding van studenten, die op hun beurt handige praktijkervaring opdoen voor een latere job in het onderwijs. Verspreid over de twee schooljaren heeft het project 200 vrijwilligersstudenten ingeschakeld voor de begeleiding van 120 kansarme autochtone en allochtone gezinnen.

Daarnaast moeten we voluit de kaart trekken van wat Jos Van der Lans (2011) ‘burgerkracht’ noemt. Het beleid mag zich niet uitsluitend toespitsen op leefloners en werklozen, maar moet veel breder responsabiliseren. We moeten het passief consumentengedrag ten aanzien van de diensten van onze welvaartsstaat inruilen voor actief aandeelhouderschap. We kunnen ons hier onder andere laten inspireren door de coöperatieve modellen als de ‘Samenaankoop Energie’ die de provincie Antwerpen nu al een aantal jaren op rij succesvol organiseert of het wijkgerichte alternatieve muntsysteem ‘de torekes’ in de Gentse wijk ‘Rabot-Blaisantvest’. Dit systeem zorgt ervoor dat bescheiden diensten als burenhulp toegankelijk worden voor iedereen en laat elke bewoner zien welke manieren van samenwerken er allemaal mogelijk zijn. Beide initiatieven zijn voorbeelden van slimme ondersteuning door een overheid die inzet op de verankering van het sociaal beleid zonder daarbij de kracht en flexibiliteit van lokale samenwerkingsverbanden uit het oog te verliezen.
Laten we ook op dit terrein ruimte geven aan de creativiteit en het initiatief van de inwoners van onze steden die het zelf wat beter treffen. Wanneer we bijvoorbeeld naar de op ons af snellende vergrijzing kijken, is het een illusie om te denken dat we alle nodige zorg zullen kunnen professionaliseren. Dat kent een onhaalbaar financieel plaatje. We zullen dus op zoek moeten naar nieuwe vormen van solidariteit. Zo moeten we meer stedelingen aanspreken die kennis hebben van hun buurt, die met mensen kunnen werken en die netwerken kunnen mobiliseren. Het opmaken van een sociaal contract past bovendien niet in dit kader. De kracht van niet-klassieke samenwerkingsverbanden en van burgerinitiatief zit erin dat zij zichzelf permanent kunnen uitbreiden en heruitvinden.

BESLUIT

In deze bijdrage hebben we aangegeven dat het benaderen van het stedelijk sociaal beleid vanuit de zoektocht naar een nieuw sociaal contract een te beperkte reactie is op een stad onder druk. Om zowel een rol te spelen in het versterken van de sociale zekerheid als op stedelijk niveau een sterk verhaal neer te zetten moeten steden als Antwerpen en Gent volop de kaart trekken van nieuwe vormen van solidariteit. Dit betekent onder geen beding dat we pleiten voor de afbouw van ons huidig sociaal zekerheidssysteem, maar we moeten complementair nieuwe initiatieven ontwikkelen.
Politiek betekent dit dat de stad het recht moet opeisen om nieuwe noden te signaleren, in een context van economische globalisering en toenemende migratie, in plaats van zich in de rol van grensbewaker te laten duwen. En dit vergt in plaats van een beheerslogica de logica van het vertrouwen.

Eva Mangelschots - Gemeenteraadslid sp.a (Antwerpen)
Seppe De Blust - Gemeenteraadslid sp.a (Antwerpen)
Dirk Holemans - Ocmw-raadslid Groen! (Gent)

Referenties
- Janssens Patrick (2011), Voor wat hoort wat, naar een nieuw sociaal contract. Antwerpen, De Bezige Bij, 175p.
- Van der Lans Jos (2010), Erop-af! De nieuwe start van het sociaal werk. Amsterdam, uitgeverij Augustus, 187p.
- De Boer Nico & Van der Lans Jos (2011), Burgerkracht, de toekomst van het sociaal werk in Nederland. Raad voor maatschappelijke ontwikkeling. Zie http://www.adviesorgaan-rmo.nl/dsresource?type=pdf&objectid=default:30843&versionid=&subobjectname=.
- Van Robaeys Bea & Driessens Kristel (2011), Gekleurde armoede en hulpverlening, sociaal werkers en cliënten aan het woord. Leuven, Lannoo Campus, 144p.
- http://aps.vlaanderen.be/lokaal/lokale\_statistieken.htm.
- Stad Antwerpen (2011). Kerncijfers stad Antwerpen 2011.

stedelijk beleid - links - sensitieve stad

Samenleving & Politiek, Jaargang 18, 2011, nr. 8 (oktober), pagina 86 tot 92