Log in

Het communautaire overstijgen? De sp.a in/en Brussel

In de huidige onderhandelingen over een zesde staatshervorming zorgde het statuut van Brussel voor onenigheid tussen Franstalige en Vlaamse politici. In de discussies komen de tegengestelde visies over de inrichting van het land bloot te liggen: het Vlaamse model van een tweeledig federalisme van de gemeenschappen tegenover de Franstalige visie van een gewestopdeling met drie, met Brussel als région à part entière. Het huidige Brusselse model is het resultaat van eerdere Belgische compromissen waarbij werd getracht om deze twee visies te verzoenen, telkens in de context van de toenmalige machtsverhoudingen. Wordt geraakt aan een element van deze complexe evenwichtsconstructie dan wankelt het geheel.

Door haar dagdagelijkse samenwerking in de Brusselse multiculturele context en met de PS in concrete lokale dossiers is er bij de Brusselse sp.a een relativerende houding ten aanzien van taalkwesties, wat haar in een spanningsveld plaatst met de partijlijn. De Vlaamse sp.a stelde zich in het recente verleden immers loyaal op binnen de Vlaamse partijen. Zij keurde de Octopusnota mee goed en ook delen van de vijf resoluties van het Vlaams Parlement waarnaar wordt verwezen als zijnde de Vlaamse uitgangspunten voor deze nieuwe ronde in de staatshervorming. In de stemming van het splitsingsvoorstel voor BHV in de kamer, stemden de Vlaamse socialistische vertegenwoordigers eveneens mee met de Vlaamse meerderheid.

Wat is het gevolg van die positie tussen twee vuren voor de concrete standpunten over de herinrichting van Brussel? Met deze bijdrage wordt een aanzet te geven tot de analyse van de sp.a in en ten aanzien van Brussel.1

MEER GEWEST OF DE GEMEENSCHAPSLOGICA?

Hoewel de directe aanleiding voor deze politieke crisistoestand de splitsing van Brussel-Halle-Vilvoorde (BHV) was, gaat wat er op de onderhandelingstafel ligt in de richting van een meer ingrijpende hervorming dan voor de federale verkiezingen van 2010 mogelijk werd geacht. De duidelijke uitspraak van de kiezer voor een hardere Vlaamse en conservatieve opstelling in het noordelijke landsdeel en voor socialistische oplossingen aan Franstalige kant, zette de politieke elite een tijd lang (tot augustus 2011) voor een quasi onmogelijke opdracht: het verzoenen van twee politieke uitersten. Het falen van opeenvolgende pacificatiepogingen maakt dat scenario’s opduiken voor een definitieve opdeling van het land. Zo’n scheiding was mogelijk al vroeger doorgevoerd en in ieder geval eenvoudiger geweest, indien daar Brussel niet was. Het tweetalige Hoofdstedelijke Gewest is de plaats waar de taalgemeenschappen elkaar ontmoeten en tevens het terrein waarop beiden aanspraak maken. Terwijl daarbij aan Vlaamse zijde wordt verwezen naar de hoofdstedelijke functie, de geschiedenis, het tweetalig statuut en de taalwetgeving, vormt in het discours van Franstalige politici de (taal)sociologische realiteit en de proportionele vertegenwoordiging het uitgangspunt voor vragen naar wijzigingen aan de huidige situatie. Voor beide groepen is de ultieme inzet van deze politieke discussie de uitbreiding van hun grip op de hoofdstad.

Sinds 1989 beschikt het Brussels Hoofdstedelijk Gewest over een eigen parlement en een regering, die zich bezig houden met zaken die met het grondgebied te maken hebben, zoals economie, openbare werken, leefmilieu en ruimtelijke ordening. De persoonsgebonden materies (o.a. cultuur, welzijn en onderwijs) worden door Vlaamse Gemeenschapscommissie (VGC) en de Franse Gemeenschap (COCOF) waargenomen en voor gemengde materies is de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie (GGC) bevoegd. Het Brussels Hoofdstedelijk Gewest heeft volwaardige gewestbevoegdheden, instellingen en financiële middelen, net als het Vlaamse en Waalse Gewest. Voor haar opdracht als tweetalige hoofdstad van een gefederaliseerde staat, krijgt Brussel extra financiële middelen en is inspraak van beide taalgemeenschappen in een aantal materies gewaarborgd. Zo is een vast aantal vertegenwoordigers in het Brussels parlement voorbehouden voor de Nederlandstalige taalgroep (17 op 89 zetels) en in de gewestregering is er pariteit, op de minister-president na, net zoals dat op federaal niveau in het voordeel van de Franstaligen geldt. Anders dan het Vlaams en Waals parlement, worden in Brussel geen decreten, maar ordonnanties gestemd, die door de federale overheid kunnen worden tegengehouden indien ze indruisen tegen de internationale rol of hoofdstedelijke functie. In tegenstelling tot de andere parlementen, beschikt het Brusselse parlement ook niet over een constitutieve autonomie, waardoor het bepaalde verkiezingsaangelegenheden niet zelf kan regelen, zoals bijvoorbeeld de gewaarborgde vertegenwoordiging.

Het heersend discours over het al dat niet volwaardig zijn van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest voedt de toenemende polarisatie en het wij-zij-denken. Daarbij wordt Brussel voorgesteld als benadeeld tegenover de andere gewesten, wat een onrechtvaardigheidgevoel oproept, terwijl aan Vlaamse zijde de ontwikkeling in de richting van meer Brussels Gewest als een terugschroeven van de betrokkenheid van de Vlaamse gemeenschap bij ook haar hoofdstad wordt gezien.

In april 2011 escaleerde het conflict door een aantal symbolisch geladen initiatieven. Vlaams minister-president Kris Peeters verklaarde dat Brussel nooit een volwaardig gewest als de andere twee mag worden en er was ook de beslissing van Brussels minister-president Picqué en Waals minister-president Demotte tot een naamsverandering van de Franse gemeenschap in Fédération Wallonie-Bruxelles. De sp.a van haar kant diende vanuit de oppositie een resolutie in het Brussels Parlement in waarin werd gepleit voor Brussel als volwaardig gewest. Met deze onverwachte démarche sluit de partij zich duidelijk aan bij een regionale visie op Brussel, maar dat impliceert echter niet noodzakelijk de afbouw van de rol van de gemeenschappen. In de sp.a-voorstellen wordt onder meer als tussenoplossing voorgesteld dat de GGC wordt omgevormd tot een stedelijk platform voor gemeenschappelijke en meertalige culturele initiatieven. Het voorstel van Johan Vande Lanotte voor een Belgische Unie met 4 deelstaten gaat ook in de richting van meer autonomie voor het Brussels gewest, terwijl hij wel bijvoorbeeld het Nederlandstalig onderwijs in Brussel als een gemeenschapsbevoegdheid behouden wil zien, wegens de te kleine schaal van Brussel voor de organisatie van een degelijk onderwijsnetwerk.2

Voor een grote groep Brusselaars is taal, zowel het Frans als het Nederlands, vooral een functioneel gegeven dat slechts in zeer beperkte mate in een identificatie met de officiële taalgroepen resulteert. De meeste nieuwkomers leren Frans, omdat dat in het Brusselse de dominante taal is, maar net zozeer komen vele anderstalige kinderen er in de Nederlandstalige scholen terecht omwille van de goede reputatie en meer kans op werk. Deze sociale strategieën zijn vergelijkbaar met die van de Vlamingen enkele generaties terug, toen zij met het oog op sociale promotie massaal overschakelden op het Frans.Mede als gevolg van deze dynamiek heeft zich een Brusselse opinie gevormd, die vraagt om de Brusselse multiculturele realiteit als uitgangspunt voor een volgende institutionele reorganisatie te nemen. Nu wordt die immers niet weerspiegeld in de instellingen die van slechts twee taalgemeenschappen uitgaan. De Brusselse sp.a schrijft zich hierop in door een flexibele aanpassing van de taalwetgeving voor te stellen. Nederlandstaligen moeten overal in Brussel in hun taal terecht kunnen, maar daarbij is een tweetaligheid van de dienst bespreekbaar in plaats van de huidige tweetaligheidsvereiste voor ambtenaren in contact met het publiek, het traditionele Vlaamse standpunt. De sp.a staat bovendien voor een modernisering van de taalwetgeving waarbij ook het Engels als werktaal voor overheden kan worden geïntroduceerd.

BRUSSEL CENTRAAL

Brussel heeft bij deze ronde in de staatshervorming weerom de rol van twistappel, maar het is tegelijk de reden waarom de gemeenschappen gedoemd zijn om met elkaar samen te werken en een oplossing te zoeken. Voor beide landsdelen zijn de belangen immers groot. Brussel is een meervoudige hoofdstad (België, Vlaanderen en Europa), goed voor 20% van het bbp en daardoor een belangrijke economische motor en bron van werkgelegenheid en welvaart voor heel het land, maar in mindere mate voor zijn eigen inwoners. Het gewest kampt met een hoge werkloosheidsgraad (20%) en een dramatische jongerenwerkloosheid van vooral laaggeschoolde migranten die in de diensteneconomie niet terecht kunnen. Die structurele werkloosheid maakt dat bijna 28% van de kinderen, geboren in het Brusselse Gewest, in een huishouden terechtkomt waar de ouders niet over een inkomen uit arbeid beschikken. Binnen het Brussels Hoofdstedelijke Gewest zijn er daarbij grote onderlinge contrasten tussen rijke en armere gemeenten en ook nergens is de inkomensongelijkheid zo groot als in de Brusselse gemeenten.3

Brussel is een wereldstad, met meer dan 1 miljoen inwoners, waarvan de helft van buitenlandse origine, samen goed voor meer dan 150 verschillende nationaliteiten, maar waar vooral Frans wordt gesproken en hoe langer hoe minder eentalige Frans- en Nederlandssprekenden zijn - terwijl de 19 gemeenten samen tot aan de helft van de 20ste eeuw nog een Nederlandstalige meerderheid kenden.4 Brussel is vandaag nog wel de grootste stad waar Nederlands gesproken wordt.5

Volgens het Planbureau stijgt de Brusselse bevolking de volgende 5 jaar met zo’n 100.000 mensen, in de eerste plaats door een instroom van nieuwkomers en door het hoge geboortecijfer, eigen aan de jonge Brusselse bevolking. De nieuwkomers komen vooral terecht in de nu al overbevolkte armere centrumgemeenten. Deze demografische druk zorgt de volgende jaren voor grote uitdagingen op het vlak van onderwijs, welzijn, huisvesting en de arbeidsmarkt en komt bovenop de aanhoudende stadsvlucht van de middenklasse, met alle gevolgen van dien voor de lokale fiscale capaciteit. De stad zorgt ook voor jobs voor meer dan 370.000 pendelaars uit Vlaanderen en Wallonië, wat evenzeer een indicator is voor de grote belangen van beide taalgemeenschappen in de hoofdstad.

PRAGMATISCHE HOUDING INZAKE COMMUNAUTAIRE THEMA’S

In het Brussels Hoofdstedelijk Gewest zijn voldoende dringende sociaaleconomische en grootstedelijke problemen voorhanden om het politieke debat te stofferen, maar toch slagen de socialistische partijen er niet in om deze thema’s bovenaan op de politieke agenda te plaatsen. Het zijn immers niet deze bekommernissen die als dusdanig centraal staan in de huidige onderhandelingen over Brussel. Een veelgehoorde kritiek is dat de inrichting van Brussel niet vertrekt vanuit de werkelijke behoeften van de stad6, maar telkens de uitkomst is van een groter compromis met het oog op communautaire vrede. Deze redenering sluit aan bij de algemene opstelling van de socialisten ten aanzien van de communautaire kwestie als een vals probleem.

Net als in het verleden tonen de Vlaamse socialisten zich in de huidige onderhandelingen als een constructieve en pragmatische gesprekspartner, omdat ze snel de communautaire onenigheden uit de weg willen, om dan de echte problemen te kunnen aanpakken. De Belgischesocialisten waren overigens bij alle voorgaande staatshervormingen betrokken, hoewel deze thema’s vaak niet aanwezig waren in hun verkiezingscampagnes. Verklaringen daarvoor kunnen worden gezocht in meerdere richtingen. Natuurlijk is het een feit dat voor het doorvoeren van een staatshervorming een bepaald aantal partijen noodzakelijk zijn en de socialisten in Wallonië vaak incontournable zijn. De PS neemt dan graag de Vlaamse ideologische partner mee aan boord, zoals dat ook in de huidige onderhandelingsfase het geval is. De socialistische partijen aan beide zijden van de taalgrens profileren zich bovendien als beleidspartij, die haar verantwoordelijkheid opneemt en ook dat verklaart haar aanwezigheid aan de communautaire onderhandelingstafel.

Vermits het socialistische electoraat het minst wakker licht van communautair gebakkelei, kan de partij zich flexibel opstellen, wat door de initiatiefnemende partners aan de onderhandelingstafel wordt gewaardeerd. Dit pragmatisme heeft ook een keerzijde. Vermits het taalconflict nu al een tijd op het politieke voorplan staat, wordt een gematigde en weinig uitgesproken visie op deze problematiek tegelijk ook als een zwakte beschouwd. Overigens gaan alle sociaaldemocratische partijen in de ons omliggende landen door een moeilijke periode, mede door het uitblijven van duidelijk geformuleerde alternatieven voor de hedendaagse sociaaleconomische uitdagingen en tegen het heersende neoliberale discours. Het onderscheid tussen de socialistische en andere progressieve of centrumlinkse partijen is voor vele kiezers niet altijd duidelijk.

In het zoeken naar een eigen profiel als progressieve stadspartij zijn de politiek-strategische keuzemogelijkheden van de Brusselse sp.a, omwille van het kleine electorale potentieel van de Vlaamse partijen in Brussel, beperkt en ook dat verklaart een bescheiden opstelling in communautaire aangelegenheden. In de Brusselse politiek ondervindt de sp.a concurrentie van andere Vlaamse progressieve partijen, maar ook van de Franstalige PS, die tegelijk haar kartelpartner is in de meeste gemeenten en tegenstander in de onderhandelingen over de netelige taalkwesties. Een sterkere communautaire profilering zou mogelijk de goede relatie met de Brusselse PS in de weg staan, terwijl beide partijen in de gemeentepolitiek net naar elkaar toegroeiden. In de gemeenteraadsverkiezingen van 2006 kwam de sp.a in 13 van de 19 Brusselse gemeenten samen met de PS op, in 2 gevallen op een gezamenlijke burgemeesterslijst met de MR en in Brussel-Stad en Jette in een progressief kartel met andere Vlaamse partijen. De keuze voor een gezamenlijk optreden met de PS resulteerde in een versterking van de sp.a-betrokkenheid bij de lokale politiek, met meer gemeentelijke mandatarissen (17 gemeenteraadsleden na 2006, tegen 14 in 2000) en de partij is met 8 schepenen ook in meer colleges aanwezig (tegen 6 in 2000). Op het gewestelijke niveau is de situatie anders. Sinds de regionale verkiezingen in 2009, maakt de sp.a geen deel meer uit van de gewestregering van PS, Ecolo, cdH, Open Vld, CD&V en Groen!. Ze werd toen de tweede grootste Vlaamse partij, net na de Open Vld en met evenveel zetels (4/17).

Met Brusselaar Pascal Smet heeft de sp.a echter wel een beslissende impact op het beleid in Brussel. Als minister in de Vlaamse regering combineert hij de bevoegdheden van Onderwijs, Jeugd, Gelijke Kansen en Brussel. Onder meer een aantal van de sp.a-voorstellen voor onderwijs kreeg daardoor concreet vorm. Volgens de sp.a moet onderwijs een gemeenschapsbevoegdheid blijven, maar uitwisselingsprojecten tussen leerkrachten van Vlaamse en Franstalige onderwijsinstellingen worden gestimuleerd, pilootprojecten inzake tweetalig onderwijs worden ook in de Vlaamse gemeenschap in Brussel opgezet en voor extra taalonderwijs en het onthaal van anderstaligen worden stimuli voorzien. Na noodkreten over de capaciteitsproblemen in het onderwijs naar aanleiding van de bevolkingsgroei en de verhoogde vraag, maakte Smet ook 18 miljoen extra vrij voor de Nederlandstalige scholen in Brussel. Fel bekritiseerd werd de voorrangsregel voor Nederlandstaligen. Het grote succes van het Nederlandstalig onderwijs bij anderstaligen en de hetze over de inschrijvingsproblematiek waren ook aanleiding voor de verhoging van het quotum kinderen met een Nederlandstalige ouder voor Nederlandstalige scholen in Brussel naar 55%. Het betrokken onderwijsdecreet leidde tot een klacht van de Franse gemeenschap bij het Grondwettelijk Hof, maar volgens de onderwijsminister vangt het Nederlandstalig onderwijs verhoudingsgewijs twee keer zoveel anderstaligen op dan het Franstalige.

EEN PROJECT VOOR DE STAD

Het verhaal van de sp.a is er een van de stad, die er voor iedereen moet zijn. Voor de grote groep inwijkelingen in Brussel is taal niet steeds determinerend in hun stemkeuze en ook het groeiend aantal meertalige Brusselaars laat zich niet zomaar bij de ene of andere taalgemeenschap onderbrengen. De sp.a zorgde voor twee primeurs tijdens de regionale verkiezingen van 2009. Voor de sp.a trok Yamila Idrissi de lijst in BHV en zij was er meteen de eerste lijsttrekker van Marokkaanse origine. En op de sp.a-lijst voor het Brussels parlement werd een Franstalige kandidate verkozen. Sophie Brouhon legde de eed af in het Nederlands, zoals dat verplicht is, maar ook in het Frans. De Brusselse sp.a pleit dan ook voor de mogelijkheid om tweetalige lijsten of meertalige lijsten voor de gewestverkiezingen in te dienen, zonder de gewaarborgde vertegenwoordiging op te geven. Volgens de partij bevorderen taaloverschrijdende allianties, zoals die ook op gemeentelijk vlak bestaan, het samenleven en stemmen ze meer overeen met de Brusselse sociologische realiteit. Het huidige systeem met een vast aantal parlementszetels voor Nederlandstaligen en taalgesplitste lijsten, kwam er om mistoestanden zoals tijdens de agglomeratieraadsverkiezingen van 1971 te vermijden. Toen werden op francofone Rassemblement Bruxellois-lijsten zogenaamde valse Vlamingen verkozen, met als gevolg dat de toen uitgewerkte beschermingsmechanismen werden uitgehold. Het huidige systeem wordt bekritiseerd, omdat de Nederlandstalige kandidaten relatief minder stemmen nodig hebben om verkozen te worden - Brouhon had voor een zetel in de Franstalige taalgroep 6 keer meer stemmen nodig -, volgens het heersende Franstalige discours een onverdedigbaar want ondemocratisch systeem. Overigens kampt Brussel nog met andere problemen op het vlak van vertegenwoordiging: bij de regionale verkiezingen van 2009 bedroeg het aantal Brusselse kiesgerechtigden dat niet opdaagde of blanco of ongeldig stemde 20%. Om ook de ongeveer 30% van de bevolking met een vreemde nationaliteit te betrekken bij het beleid, bepleit de sp.a de uitbreiding van het gewestelijk stemrecht.

De sp.a heeft een grote en sociale staatshervorming voor ogen, een new deal tussen gemeenschappen, gewesten en de federale overheid, waarbij iedereen er op vooruitgaat. Solidariteit blijft een belangrijke pijler, maar in het discours gaat het ook over kostenbesparing door beter beheer en responsabilisering. In Brussel wil de sp.a de versnippering van het bestuur over Brussel tegengaan door een eenvoudigere en meer doeltreffende organisatie. De Brusselse regering (een minister-president, 4 ministers, 3 staatssecretarissen), het Brussels parlement (89 vertegenwoordigers), de Franse Gemeenschapscommissie (COCOF), de Vlaamse Gemeenschapscommissie (VGC) en de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie (GGC) aan de ene kant, en de 19 gemeenten (met evenveel burgemeesters, 142 schepenen en 482 raadsleden) aan de andere kant, worden vervangen door 2 bestuurslagen, een lokaal en een stedelijk met 1 minister-president-burgemeester aan het hoofd. De 19 OCMW’s en de 6 politiezones versmelten elk tot 1 en ook het aantal huisvestingsmaatschappijen (33) wordt drastisch gereduceerd. Daarenboven dient een betere bevoegdheidsverdeling tussen het gewest en de gemeenten te worden uitgewerkt. Aan Franstalige zijde stoten dergelijke voorstellen op tegenkanting, omdat dit wordt gezien als een inperking van de gemeentelijke autonomie en macht. Daar pleiten radicalere stemmen eerder voor de uitbreiding van de grenzen van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, wat door de Vlaamse partijen, de sp.a incluis, als onbespreekbaar wordt beschouwd.7 In de sp.a-voorstellen vinden we wel andere voorstellen terug om meer solidariteit en herverdeling te organiseren en zo Brussel meer financiële armslag te geven. Door de pendelaars die in Brussel komen werken, alsook de Europese ambtenaren mee te laten bijdragen aan de gewestelijke geldkas, wordt een rechtvaardigere verdeling van de lasten en rijkdom van de stad beoogt. Een ander sp.a-voorstel is de fictieve verhoging van het aandeel van de Brusselse bevolking in de financiering van de gewesten met 0,4 miljoen inwoners om alzo de lage fiscale draagkracht te compenseren. Hoewel deze laatste voorstellen over meer sociale rechtvaardigheid en herverdeling gaan, krijgen ze in het huidige debat vooral een communautaire dimensie.

CONCLUSIE

In 1968 scheurden de Rode Leeuwen zich af van de Brusselse BSP-federatie uit onvrede met de francofone dominantie binnen de partij. Op de lijsten van de socialistische eenheidspartij was er toen geen plaats voor Vlaamsgezinde socialisten. In Brussel was de socialistische familie de eerste waar de unitaire partijstructuren het onder druk van de communautarisering lieten afweten en uitgerekend tussen sp.a en PS is er de laatste jaren een toenadering waar te nemen in de gemeentepolitiek. Onder druk van het autonomiestreven aan Vlaamse kant, lijkt een evolutie naar meer gewestvorming onafwendbaar en dat heeft ook mogelijke gevolgen voor de partijafdelingen in Brussel. Partijen zijn het resultaat van de context waarbinnen ze ontstaan en om te overleven dienen zij zich zowel inhoudelijk als vormelijk aan maatschappelijke ontwikkelingen aan te passen. Door de sterk veranderde demografische situatie blijken althans in de Brusselse gemeenten de taaltegenstellingen vaker ondergeschikt geworden aan ideologische loyauteiten.
Uit het overzicht blijkt dat de Brusselse sp.a, op zoek naar een eigen verhaal als open progressieve stadspartij, standpunten inneemt over de toekomst van Brussel die vooral geïnspireerd zijn door de specifieke Brusselse context. Algemeen profileert de sp.a zich weinig in het communautaire debat en wordt een eerder pragmatische houding aangenomen.

‘In Brussel zijn er 2 gemeenschappen: een rijke en een arme ...’8 Met deze verklaring legde Pascal Smet bij zijn herverkiezing als voorzitter van de Brusselse sp.a-afdeling de klemtoon duidelijk op de nijpende sociale situatie binnen het gewest. De politieke agenda blijft echter geheel in het teken staan van de communautaire breuklijnen en dat terwijl de economische en financiële crisis het land noopt tot een grondige sanering van de staatskas en de cruciale vraag wordt op wiens schouders deze lasten zullen terechtkomen.

Ann Mares
Wetenschappelijk medewerker Brussels Informatie-, Documentatie- en Onderzoekscentrum (BRIO)

Noten
1/ Daarbij baseren we ons voornamelijk op de Brussel-voorstellen van de sp.a n.a.v. recente verkiezingen: Visie, ambitie en toekomst. Sp.a-Programma voor de Brusselse verkiezingen, 14 maart 2009; Een eerlijke toekomst voor Vlaanderen, Vlaams kiesprogramma, 7 juni 2009; We moeten weer vooruit. Sp.a verkiezingsprogramma 13 juni 2010 en Pascal Smet, Een stad, een Visie, februari 2009.
2/ Johan Vande Lanotte, Brussel: Motor van het nieuwe België of 5de wiel aan de wagen, Brussels Conservatorium, 6 juli 2011.
3/ De grootste interne contrasten zijn er in Sint-Pieters-Woluwe en Ukkel, waar de inkomenskloof meer dan 30% boven het nationaal gemiddelde zit. Informatie over de Gini-coëfficiënt: http://statbel.fgov.be/nl/modules/publications/statistiques/arbeidsmarkt\_levensomstandigheden/inkomensongelijkheid.jsp
4/ Volgens de talentelling van 1947 waren er in de 19 gemeenten samen 25% Nederlandseentaligen, 29% Franseentaligen en bijna 40% tweetaligen, waarvan de grote meerderheid van Nederlandstalige oorsprong. Voor recentere gegevens over het taalgebruik in Brussel verwijzen we naar het onderzoek van Rudi Janssens (BRIO-VUB, via www.briobrussel.be).
5/ Geert Van Istendael, Bruxelles, Brussel, Brussels, in nrc.nl, 27/10/2007.
6/ Cfr. Yamila Idrissi in Brussel, Strijdperk van alle staatshervormingen, De Morgen, 11/2/2011.
7/ Pascal Smet verklaarde eerder dat wat hem betreft de grenzen van het tweetalig Brussels gewest niet heilig zijn en dat kon worden nagegaan of bijvoorbeeld de rijke Waals-Brabantse gemeenten Waterloo en Lasnes bij het gewest konden aansluiten. Dat is evenwel niet het partijstandpunt.
8/ Brussel, TVbrussel, 1 maart 2011.

sp.a - Brussel - staatshervorming

Samenleving & Politiek, Jaargang 18, 2011, nr. 8 (oktober), pagina 24 tot 31