Log in

Jacques Généreux

Figuur in de kijker

Eind april 2012 is de eerste ronde van de presidentsverkiezingen in Frankrijk, die voor het eerst sinds 1988 een linkse kandidaat in het Élysée zouden kunnen brengen. In aanloop naar de democratische hoogmis worden ter linkerzijde constant ideeën geproduceerd, zowel in de politieke als de academische wereld. Ook Jacques Généreux, docent politieke economie aan het Institut d’Études Politiques de Paris1, heeft een nieuw boek uit, L’autre société (Paris: Seuil, 2011², Points: Essais). Généreux is in de debatten een prominent publieksintellectueel2, wiens bijdragen in België - ten onrechte - vrijwel onbekend zijn. Hij staat apart in het veld, omdat hij pleit om afstand te nemen van redeneerfouten in de traditionele ideologieën.

Jacques Généreux wil het socialisme methodologisch overhoop gooien. In de ogen van de auteur herleidt beleidslinks de samenleving, net als het liberalisme dat doet, tot het kernindividu. Dit staat nochtans haaks op acquis uit de gedragswetenschappen: de mens is een sociaal wezen en heeft om gelukkig te zijn ook banden nodig met de anderen. Waar we zouden verwachten dat een dergelijke vaststelling leidt tot een neocorporatistisch discours, duwt Généreux de kar echter resoluut de andere richting uit: ‘Il s’agit, pour les socialistes, de construire la liberté par la bonne société’.3

‘LES LIENS VALENT MIEUX QUE LES BIENS’

De eerste pijler van zijn project was La dissociété (2006).4 Généreux analyseerde hoe de fantasmen van de bovennatuurlijke mens en het autonome individu tot impasses leiden, net zoals in de economie de homo economicus- en invisible hand-hypotheses wetenschappelijk achterhaald zijn. Het is voor Généreux een mythe dat de mens zich kan ontdoen van zijn meest wezenlijke kenmerk: het mét anderen zijn. Essentiële menselijke gedragingen liggen vast sinds het paleolithicum. In essentie kan de menselijke persoonlijkheid zich niet vormen zonder voortdurende afhankelijkheid (Jean Piaget). De accumulatie van goederen en materiële welstand kan enkel vanuit dit oogpunt echte waarde hebben: ‘Pour l’être humain, être social par nature, les liens valent mieux que les biens.’5 Bijgevolg kan je ook nooit vrij zijn op een louter negatieve manier: in het absolute genomen zal een geïsoleerd individu zich verdrinken in zijn vrijheid. Je bent niet vrij in een lege ruimte, omdat je geen keuzes meer hebt.6 De menselijke persoonlijkheid bestaat uit twee ontogenetische aspiraties: ‘être soi, par et pour soi’ en ‘être avec, par et pour autrui’.7

Socialisme en liberalisme staan voor deze twee polen, tussen de excessen van de totale fusie in een versmachtende hypersociété, en de hedendaagse utopie van een dissociété van naast elkaar geplaatste autonome en ongebonden individuen.8 Het liberale systeem zorgt voor een gewelddadige en instabiele maatschappij, waar enkel het kapitaal en de concurrentie vrij zijn.9 Het individu komt onder extreme prestatiedruk en staat bloot aan de schommelingen van de conjunctuur en een striemende competitiviteitseisen. Er is helemaal geen sprake van een terugtreden van de staat: de macht is er geprivatiseerd. Wie de baas is, beperkt de rechten en vrijheden van de overgrote meerderheid, om haar te onderwerpen aan zijn eisen. Autoregulatie door zogenaamd vrije concurrentie leidt tot geïnstitutionaliseerde ‘criminalisatie’ van de economie en herhaalde financiële en productiecrisissen. In die agressieve omgeving voert de vrije meningsuiting naar meningsinconsistentie: iedereen kan eender wat vertellen, zonder (academische) referentienorm of autoriteit.10 De cultuur van het triomferende individu breekt zo de sociale banden tussen mensen, maar laat in de belevingswereld van de burgers een leegte achter, die te pover is om echt individueel vrij te kunnen zijn.

HET NIEUWE LEVEN VAN HET UTOPISCH SOCIALISME

Zo is het hyperliberalisme eigenlijk antiliberaal en leidt de ‘moderniteit’ tot een ‘antimoderne’ reactie in sociaal conservatisme. Généreux ziet een totale nederlaag van de drie alternatieve modellen van de voorgaande eeuw: de fusie van alle individuen in een ‘hypersociété’, de scheiding van de individuen in een ‘dissociété’ en het totalitarisme. Het hedendaagse politieke discours loopt dertig jaar achter op dat van de filosofie, waar de ‘moderne’ referentiekaders irrelevant zijn.11Le grand défi politique du XXIe siècle est de redécouvrir les principes d’ordre et d’autorité qui tiendraient à nouveau les gens ensemble, sans détruire la liberté’.12

Hier komen de pre-Marxistische ‘utopische socialisten’ (Fourier, Blanc) op het voorplan. Echte emancipatie was voor hen pas mogelijk door onderdrukkende banden tussen burgers te vervangen door bevrijdende: sociale rechten, broederlijkheid, solidariteit en vrijheid van vereniging. Meer dan 180 jaar later, aldus Généreux, is het wetenschappelijke arsenaal voorhanden om de hypotheses van toen te gronden op nieuwe kennis. Er hoeft helemaal geen afrekening te worden gemaakt met het ‘oude’ socialisme: ‘Ignares, arrogants et paresseux! Ils n’ont jamais su qui était cet ancêtre, et qui ceux qui savent encore lire et penser reconnaîtront bientôt une pensée du XXIe siècle !’13 Volgens Généreux heeft het Franse socialisme vanaf de officiële omslag naar het ‘vulgaire marxisme’ van Guesde (1905) de kans gemist om profijt te halen uit de intellectuelen van het Interbellum. Norbert Elias, Marcel Mauss, George Herbert Mead, Karl Polanyi of George Orwell zijn blinde vlekken gebleven.14 Terwijl de partijdoctrine sliep, is de samenleving veranderd.15

De remedie hiervoor bestaat uit twee luiken. In de eerste plaats het herdefiniëren van het mensbeeld en de drie schragende republikeinse principes (liberté, égalité, responsabilité). Vanuit deze hervestiging volgen dan nieuwe maatschappelijke actievormen16, die uiteindelijk leiden naar een sociale en etnisch gemengde lekenrepubliek.17 Een nieuwe participatieve indicateur du progrès humain moet de kwaliteit van de relaties binnen de samenleving jaarlijks in kaart brengen, opnieuw vanuit het idee les liens valent mieux que les biens.18

WORK IN PROGRESS

Zoals de opbouw van dit stuk laat vermoeden, presenteren Généreux’ boeken19 zich als een work in progress. De auteur heeft de ambitie om de axiomata van het socialisme te herschrijven en een nieuwe politieke theologie op te bouwen, in een tussenpositie tussen de PS en extreemlinks, die hij beiden achterhaald vindt. Het gaat in essentie om één werk dat incrementeel wordt bijgesteld. De basispostulaten zijn bijzonder aantrekkelijk, maar in zijn zeer barokke conclusies stokt de auteur in ideeën over een société du progrès humain die niet veel afwijken van wat nu reeds politiek gangbaar is.20 Op meerdere plaatsen geeft hij een briljante intellectuele demonstratie.21 De vertaaloefening van theoretisch perfecte uitgangspunten naar hobbelige praxeologie is echter bijzonder moeilijk. Dat neemt niet weg dat Généreux’ originele basisverhaal over het belang van samenwerkings- en afhankelijkheidsstructuren ook buiten Frankrijk kan aanslaan.

Frederik Dhondt
Aspirant van het FWO-Vlaanderen - Instituut voor Rechtsgeschiedenis (UGent)

Noten
1/ Jacques Généreux, Economie politique (Paris: Hachette, 2008), 3 v.
2/ Jacques Généreux, Manuel critique du parfait Européen: les bonnes raisons de dire ‘Non’ à la Constitution (Paris: Seuil, 2005), 165 p (H.C. Essais).
3/ L’autre société, p. 41.
4/ La dissociété, (Paris: Seuil, 2006), 477 p. (Points - Essais).
5/ L’autre société, p. 33.
6/ Ibid, p. 288.
7/ Ibid, p. 34.
8/ Ibid, p. 282. Verderop in het boek verbreedt Généreux het spectrum door samenlevingen te onderscheiden naargelang hun integratievormen (communautaristisch dan wel associatief).
9/ ‘L’économie de marché pure n’a jamais existé et ce qui lui ressemble ne se développe que depuis le XIXe siècle’ (Ibid, p. 339).
10/ Met als voorbeeld de idées reçues die in de publieke opinie circuleren over hoe een economie behoort te draaien, maar in de wetenschap al lang niet meer verdedigd worden. Jacques Généreux, Les vraies lois de l’économie, (Paris: Seul, 20083), bekroond met de ‘Prix Lycéen’ en de ‘Prix du meilleur livre de l’Association des professeurs de Sciences-Po’ in 2002).
11/ Ibid, p. 38.
12/ Ibid, p. 39.
13/ Ibid, p. 42. Een door Géréneux gemaakte uitzondering in deze tirade vormt het werk van PS-kopstuk Vincent Peillon, Pierre Leroux et le socialisme républicain (Paris: Le bord de l’eau, 2003), ibid, p. 42.
14/ Ibid, p. 44.
15/ Ook tijdens de ‘Trente Glorieuses’ (1945-1975) wordt, aldus Généreux, de boot gemist. Een welstellende arbeider wordt een consument, heeft minder interesse voor de collectieve verdediging van zijn belangen en wordt uiteindelijk een ongebonden individu.
16/ Ibid, pp. 185-231.
17/ Ibid., pp. 289-382.
18/ Ibid., pp. 302-305. ‘C’est au peuple souverain d’expliquer au statisticien de quels indicateurs il a besoin pour contrôler les progrès ou les régressions de la société’.
19/ Jacques Généreux, La Grande Régression. A la recherche du progrès humain - 3 (Points - Essais).
20/ Het PS-programma van 2012 maakt bijvoorbeeld al gewag van Europees protectionisme door middel van sociale en ecologische importheffingen, onder druk van de interne stroming ‘Un monde d’avance/La gauche décomplexée’. (Zie www.unmondedavance.eu).
21/ Zie L’autre société, pp. 263-282 over de verschillende types gemeenschap en de gelaagde politieke opbouw van de société de progrès humain (Tönnies/Durkheim); pp. 308-319, waar de rechtvaardigheidstheorieën van Amartya Sen (‘une fable farfelue’) en John Rawls (‘ignorant tout de l’économie’) worden terzijde geschoven.

Samenleving & Politiek, Jaargang 18, 2011, nr. 8 (oktober), pagina 65 tot 67