Abonneer Log in

PS/sp.a: toch nog zusterpartijen

Samenleving & Politiek, Jaargang 18, 2011, nr. 8 (oktober), pagina 40 tot 47

In 1978 splitste de BSP zich als laatste van de zogenaamde traditionele partijen in twee afzonderlijke formaties. Hoewel de PS en sp.a, tot 2007, samen in de regering of op de oppositiebanken zaten, gingen beide partijen elk hun eigen weg. In dit artikel vergelijken en verklaren we de divergerende verkiezingsresultaten, en leggen we hun verkiezingscampagnes van juni 2010 naast elkaar. De oproep van Jean-Claude Marcourt en Frank Vandenbroucke in december 2008 voor het regionaliseren van het tewerkstellingsbeleid bewees dat de sp.a en PS nog gezamenlijk kunnen optreden, maar ruimer gesteld en los van het nakende communautaire akkoord: kunnen we de sp.a en PS nog als zusterpartijen beschouwen?

ELK HUN EIGEN WEG

Sinds 1978 gingen de PS en de SP hun eigen weg. In de toenmalige politieke context (de naweeën van het Egmontpact) was de scheiding weliswaar te voorspellen: voor sommige socialistische militanten kwam ze niettemin hard aan. Interne strubbelingen waren er altijd geweest, zo bijvoorbeeld over de samenstelling van de kandidatenlijsten voor de verkiezingen in Brussel die in 1968 aanleiding had gegeven tot het ontstaan van de Rode Leeuwen, een nieuwe Vlaamse federatie binnen de BSP. Maar eisten de belangen van het werkvolk niet dat de socialistische beweging niet verzwakt werd door tweedracht in haar rangen? Bovendien stond de partij federaal (‘nationaal’, zoals dat toen heette) sterk dankzij de kracht van haar Waalse vleugel, die ook de Vlaamse socialisten ten goede kwam. De scheiding van 1978 gebeurde dan ook vooral onder druk van de Franstaligen nadat, volgens hen, de toenmalige Vlaamse medevoorzitter van de BSP, wijlen Karel Van Miert, het kamp van de andere Vlaamse partijen had gekozen.1

Eerder waren de christendemocraten en de liberalen al gesplitst. Toch maakten en maken de twee telgen van deze twee politieke families verder nog samen deel uit van de nationale en vervolgens federale regeringen, of zaten ze samen op de oppositiebanken. Zulks was ook het geval tot 2007 bij de socialisten. In zekere zin kon op die manier ondanks de splitsing, wat hen betreft, gezamenlijke belangen samen worden behartigd.
Maar toen gebeurde het onvermijdelijke: in 2007 koos de PS voor de regeringsdeelname, de sp.a voor de oppositie. De partijen die als laatste uit de splitsing van een nationale partij waren ontstaan, werden dus als eerste met de neus gedrukt op één van de voorspelbare gevolgen van de steeds verder uitdijende Belgische staatshervorming: voortaan kon een federale regering asymmetrisch zijn, zodat politici die er in principe hetzelfde gedachtegoed op nahouden gescheiden moeten optreden en zelfs desgevallend elkaar bekampen.

DE VERKIEZINGSRESULTATEN

De resultaten van beide partijen voor de parlementaire verkiezingen zijn al lang asymmetrisch. In Wallonië behaalde de PS in de jaren 1980 tot meer dan 40% van de stemmen, terwijl de SP (later sp.a) er moeilijk in slaagde boven de 20% te geraken. Grafiek 1 maakt een en ander duidelijk voor de laatste vijf stembeurten op federaal vlak. De kloof tussen de zusterpartijen is vooral de laatste jaren groter geworden. Vandaag is de PS, procentueel althans, meer dan dubbel zo groot als haar Vlaamse evenknie. Wel heeft de sp.a zich in 2010 weer op de derde plaats kunnen hijsen (wegens vooral de verliezen van zowel Vlaams Belang als Open Vld); de PS van haar kant is opnieuw de grootste partij in de Waalse provincies geworden, en moet trouwens in Brussel nauwelijks onderdoen voor de liberalen van de MR.

Grafiek 1

Hier moet een kanttekening worden geplaatst, die mede verklaart waarom deze resultaten zo veel van elkaar afwijken. Terwijl de PS enkel en alleen met drie andere partijen moet concurreren (MR, cdH en Ecolo - Franstalig extreemrechts heeft geen enkele verkozene meer in de verschillende parlementen), staat de sp.a tegenover niet minder dan zes middelgrote tot grote concurrenten waarvan er drie bovendien geen Franstalige tegenhanger hebben (Vlaams Belang, N-VA en Lijst Dedecker). Bovendien stemt Vlaanderen al decennia rechts of centrumrechts (en de trend is stijgend), terwijl de Walen hun stem eerder links of centrumlinks uitbrengen (de evolutie is hier niet eenduidig, maar met Ecolo erbij geraakt de linkerzijde zelfs in magere jaren tot boven de 40%).

De socialistische partij is nooit de eerste partij geweest in Vlaanderen. Omdat de industrialisering er zich later voltrok kon de kerk haar greep op de arbeidersbeweging behouden en de CVP decennialang arbeidersstemmen naar zich toetrekken.2 De opkomst van het Vlaams Blok heeft later, zoals trouwens in Frankrijk, een verontrustend verschijnsel blootgelegd: in arbeiderswijken wordt in toenemende mate op uiterst rechts gestemd. Dit is allemaal bevestigd in de postelectorale verkiezingsonderzoeken die onder meer de sterke beweeglijkheid van de sp.a-kiezer in de verf hebben gezet, alsook het feit dat leden van de vakbond en van de mutualiteit steeds meer op uiterst rechts en steeds minder op sp.a stemmen.3

De sp.a is dan ook altijd een middelgrote partij geweest. Zelfs onmiddellijk na de Tweede Wereldoorlog geraakte zij nooit boven de 30%.4 Hoewel ze tot 1991 feitelijk meer stemmen vergaarde dan haar Franstalige tegenhanger (Vlaanderen telt nu eenmaal meer kiezers) vertonen haar resultaten, met ups en downs, de laatste jaren een duidelijke neerwaartse trend: de grootste klap kwam in 1991, het jaar waarin het Vlaams Blok aan zijn (wel stuitbare, zo blijkt nu) opgang begon, toen zij tot onder de 20%-grens daalde. Bij de federale stembeurten heeft de sp.a sinds 1981 veel kiezers verloren in de kantons die ooit electorale wingewesten waren. Het kanton Antwerpen bijvoorbeeld, waar het resultaat van 27,81% in 1981 daalde naar 19,7% in 2010. De afkalving van het ledenbestand in de jongste dertig jaar (een inhaalbeweging is blijkbaar intussen ingezet) liet zich ook vooral voelen in de oudste arbeidersbolwerken.5

Bij de federale verkiezingen haalde de PS daarentegen heel lang meer dan 40% van de stemmen in de Waalse provincies, met uitschieters boven de 50% in bepaalde jaren of in bepaalde Henegouwse of Luikse kantons. Sedert 1919 is zij de eerste partij in Wallonië (slechts in 2007 moest ze heel even deze plaats afstaan aan de MR). Hiervoor zijn twee elementen van verklaring te geven. Ten eerste heeft de PS, al jaren aan de macht in de grote Waalse steden, deze lokale verankering gebruikt om een uitgebreid dienstenapparaat uit te bouwen waarop de partij blijft steunen. Het tweede element is de, zeer atypische, afwezigheid van uiterst rechts in het Waalse landsgedeelte. Niet omdat de Walen een aangeboren afkeer van radicaal rechts zouden hebben: eerder omdat de congruentie tussen nationalistische verzuchtingen en het extreemrechtse gedachtegoed er niet heeft plaatsgehad. Wel integendeel: het ontstaan van een Waals streven naar meer economische autonomie had alles te maken met de teloorgang van de Waalse industrie en werd om die reden ook een strijdpunt voor de toen machtige socialistische vakbond. De deelname van de PS aan de eerste Waalse gewestregeringen in de vroege jaren 1980, terwijl op federaal niveau centrumrechtse coalities aan de macht waren, versterkte later de perceptie dat Wallonië en de PS een haard van weerstand waren tegen de economische liberalisering.

Op gemeentelijk vlak zijn de electorale posities van beide partijen dan weer minder uiteenlopend dan soms wordt voorgesteld. De sp.a bleef in 2006 behoorlijke resultaten boeken in de meeste Vlaamse middelgrote steden en grootsteden (met enkele notoire uitzonderingen zoals Kortrijk of Roeselare, waar CD&V al lang de plak zwaait). In bepaalde gemeenten, zoals in Oostende, beschikt zij over een absolute meerderheid in zetels, al klimt ze nergens, in de grootsteden alleszins, boven de 50% van de stemmen. In Antwerpen werd de dalende trend (20,46% in 1994, 19,49% in 2000) door Patrick Janssens in oktober 2006 omgebogen (35,28%), waarbij het Vlaams Belang zijn eerste plaats in de gemeenteraad moest prijsgeven.

De PS kan op dat niveau een nog beter palmares voorleggen. Onder de 262 Waalse gemeenten zijn er in 2006 niet minder dan 79 waar de Waalse socialisten over een betrekkelijke of absolute meerderheid beschikken, veel meer dan de MR (19) of de cdH (13). Langs de vroegere industriële as in de provincies Henegouwen en Luik is de socialistische overmacht nog indrukwekkender: in meer dan de helft van de gemeenteraden is zij er de eerste partij, met uitschieters waar de sp.a alleen maar van kan dromen (70% van de stemmen in Engis, bijvoorbeeld). In alle Waalse grootsteden is zij aan de macht, behalve in Namen. Haar resultaten zijn wel wat minder geweest bij de jongste twee gemeentelijke stembeurten, wat onder meer in de hand werd gewerkt door de betrokkenheid van sommige socialistische politici in allerlei schandalen vanaf 2005. Hierdoor verloor de PS in 2000 bijvoorbeeld de absolute meerderheid in Charleroi.

Al staat dus de macht van de PS een trapje hoger, beide partijen zijn vrij tot heel sterk in de grootsteden. Wat de PS betreft hangt dit - zoals gezegd - samen met een diep gewortelde lokale verankering. In Seraing, waar de PS in 2006 nog altijd 59,6% van de stemmen haalde, steunt de PS al sinds 1970 ononderbroken op een absolute meerderheid in de gemeenteraad. In de jongste decennia speelt daarbij het gewicht van invloedrijke persoonlijkheden ook een rol: in Bergen kon Elio di Rupo in 2000 een dalende trend keren (van 37,38% in 1994 naar 61,35%). De - quasi - rechtstreekse verkiezing van de burgemeester die de Waalse wetgeving in december 2005 invoerde, heeft dit verschijnsel nog versterkt. Vlaanderen kent deze evolutie ook. Sp.a heeft daar, met figuren zoals Patrick Janssens, Steve Stevaert, Frank Beke, Daniël Termont of Johan Vande Lanotte, eveneens de vruchten van geplukt.

Wat de electorale machtsverhoudingen betreft, onthoudt men zich best van elke zwart-wit redenering. De PS-aanhang is relatief groter, zoveel is zeker; maar de sp.a houdt stand, vooral in de grootsteden en bij lokale verkiezingen. Beide partijen zijn hoe dan ook minder sterk dan pakweg dertig jaar geleden, en de successen die zij recent nog wisten te boeken zijn broos. Enkel in Brussel zou het best kunnen dat er voor de (vooral Franstalige) socialisten nog verkiezingswinst in het vooruitzicht ligt, vooral wegens de sociologisch gewijzigde samenstelling van het Brusselse kiezerskorps en de stijgende verarming van het hoofdstedelijk gewest.

DE PROGRAMMA’S VAN JUNI 2010

De federale kiesprogramma’s van juni 2010 van beide socialistische partijen vertonen - op het zogenaamde ‘communautaire’ na - geen noemenswaardige verschillen. Wel worden andere accenten gelegd. De PS, bijvoorbeeld, maakt zich meteen sterk dat zij de sociale zekerheid zal in stand houden, ook al omdat dit volgens haar de tewerkstelling ten goede komt. In het programma voor de verkiezingen van juni 2010 komen vervolgens nagenoeg alle aspecten van het maatschappelijk leven aan bod, ook enkele die eigenlijk tot de bevoegdheid van de gemeenschappen of gewesten behoren. In een hoofdstuk getiteld ‘mieux gouverner notre pays’ pleit de PS onomwonden voor de stabiliteit van het land en legt zij uit dat samen met de Vlaamse partijen over een nieuwe staatshervorming moet worden onderhandeld (want ‘l’enlisement’, het wegzakken in het moeras, is uit den boze).

De eerste twee hoofdstukken van het sp.a-programma voor de verkiezingen van 2010 zijn gewijd aan de pensioenen en aan de bijdragen voor hospitalisatieverzekeringen. In het hoofdstuk ‘sociale staatshervorming’ wordt gesteld dat de ‘grote staatshervorming’ waarvoor de sp.a gaat ‘alle overheden’ moet versterken. Prioriteit is daarbij het versterken van het ‘regionale arbeidsmarktbeleid’ - hier kom ik later op terug. Uiteraard wordt voor de splitsing van BHV gepleit (‘op een onderhandelde manier’). Inzake Brussel wordt gesteld dat Brussel extra geld nodig heeft en mag krijgen, ‘op voorwaarde dat Brussel (…) de interne bestuurlijke organisatie vereenvoudigt’.

Sterk regionalistisch getint waren geen van beide verkiezingsprogramma’s van juni 2010. Het programma van de Vlaamse socialisten spitste zich vooral toe op één punt: de regionalisering van het tewerkstellingsbeleid. De PS blijft eigenlijk vrij vaag over de inhoud van de ‘nieuwe staatshervorming’ die zij zegt te willen nastreven en somt braafjes de ‘rechten van de Franstaligen in de rand’ op. In deze blijft de PS trouw, of bewijst zij op zijn minst lippendienst, aan de gezamenlijke standpunten van de Franstalige partijen. De sp.a van haar kant hamert op de noodzaak van een ‘onderhandelde’ oplossing voor BHV en op de garantie voor een degelijke sociale bescherming op federaal vlak. In 1999 had de toenmalige SP zich om die reden onthouden bij de stemming van een aantal van de beruchte ‘vijf resoluties’ die het Vlaams Parlement toen, als een soort blauwdruk voor een komende staatshervorming, goedkeurde. Namelijk deze die betrekking hadden op de sociale zekerheid.

Ook al lijkt de PS op het eerste gezicht, inzake staatshervorming, de Franstalige mainstream te volgen, toch is het water tussen beide partijen wellicht niet zo diep. Inzake Brussel pleitte de PS in haar verkiezingsprogramma van 2010 bijvoorbeeld voor een extra financiering, maar tevens voor ‘la simplification des institutions bruxelloises, dans l’intérêt de ses propres habitants d’abord’. En de uitbreiding van Brussel wordt in het PS-programma slechts vermeld als ‘une façon de rencontrer l’exigence d’un renforcement des droits des francophones de la périphérie bruxelloise’ die als zodanig door ‘les présidents des partis démocratiques francophones’ naar voren is geschoven. De PS is waarschijnlijk echt bekommerd om de rechten van de Franstaligen in de rand, maar in de Brusselse rand haalt de PS niet eens de helft van de stemmen van de MR, en dan nog vooral dankzij haar goede resultaten in het kanton Vilvoorde. In de andere, welgestelde gemeenten van de rand doet zij het minder goed, in het bijzonder in het kanton Zaventem. Dat zij in 2010 in de niet-gesplitste kieskring Brussel-Halle-Vilvoorde slechts één zetel minder behaalde dan de Franstalige liberalen is eigenlijk het gevolg van haar uitstekende score in de zuiver Brusselse kantons, waar zij in 2010 bijna gelijke tred hield met de MR.

Tussen Brusselaars en Walen gaapte bovendien in de PS vroeger een kloof die nu voor het grootste deel gedicht is - ook omdat de verkiezingsresultaten in de Brusselse en Waalse kantons niet meer zo ver van elkaar liggen als in de jaren 19807 - maar die nog altijd bestaat, zij het sluimerend. De verdediging van zuiver Franstalige (taalverwante) belangen belet niet dat Waalse en Brusselse socialisten er zeker niet altijd dezelfde mening op nahouden en dat in de PS een nu verzwakte, maar nog steeds actieve, regionalistische stroming aanwezig is. Of die van de rechten van de Franstaligen in de rand wakker ligt, is de vraag. Recent hebben trouwens de PS-mandatarissen in de rand geweigerd een petitie te ondertekenen waarin voor de uitbreiding van Brussel en voor compensaties voor de splitsing van Brussel-Halle-Vilvoorde werd gepleit, tot grote woede van onder meer de Franstalige burgemeester van Linkebeek Damien Thiéry (MR).8 De houding van de PS in dit dossier mag in tijden van crisis stug en weinig inschikkelijk lijken, de partij kan wanneer nodig toch nog de pragmatische toer opgaan. Vraag is trouwens of de stugheid er hier niet in bestaat bepaalde voorstellen of zelfs agendapunten als ‘onbespreekbaar’ te bestempelen.

In de Franstalige pers wordt wel eens over het hoofd gezien dat de sp.a er inzake bepaalde Vlaamse eisen een afwijkende mening op nahoudt; in de Vlaamse pers wordt het verschil tussen Brusselaars en Walen, in het bijzonder in de PS, wel eens geminimaliseerd. En zo worden clichés in stand gehouden.

DE REGIONALISERING VAN HET TEWERKSTELLINGSBELEID

Op 8 december 2008 maakten de Waalse en de Vlaamse ministers van tewerkstelling, Jean-Claude Marcourt (PS) en Frank Vandenbroucke (sp.a), bekend dat zij een gezamenlijke oproep hadden ondertekend om onder andere een aantal aspecten van het tewerkstellingsbeleid aan de gewesten toe te vertrouwen. Hierin werd ook gesteld dat de sociale zekerheid verder in de bevoegdheidssfeer van de federale overheid moet blijven, alsook het loonbeleid en alles wat te maken heeft met het recht op arbeid. Deze oproep, die de twee excellenties niet in hun hoedanigheid van ministers maar wel van socialistische politici hadden gelanceerd, zorgde voor beroering op een moment dat de institutionele gesprekken, na de verkiezingen van juni 2007, op een dood spoor waren beland. Vooral Frank Vandenbroucke kon met deze oproep scoren: hij had zich al lang, samen trouwens met Johan Vande Lanotte, ontpopt als een vurig verdediger van een verdere regionalisering van het arbeidsmarktbeleid, vooral omdat in zijn ogen de kenmerken van de arbeidsmarkt aanzienlijk verschillen naargelang de regio. Dat Jean-Claude Marcourt hem hierin voor een groot stuk volgde, hoeft niet te verwonderen: de man, die jarenlang kabinetschef was van de socialistische minister-presidenten van het Waalse gewest, is binnen de PS één van de voortrekkers van de Waalse regionalistische vleugel van de partij.

De oproep viel echter niet in goede aarde bij de andere Franstalige partijen, in het bijzonder bij de cdH van Joëlle Milquet. Ook Ecolo en de MR hadden bezwaren, vooral van tactische aard (onaangepast moment, onevenwichtige deal met de Vlamingen).9
Frank Vandenbroucke, intussen uit de politiek gestapt, was zeker geen zacht eitje als het erop aankwam om Vlaamse belangen te verdedigen. Dat bewees hij bij de uitoefening van zijn bevoegdheid voor de ‘Vlaamse Rand’ in de Vlaamse regering van 2004 tot 2009. Omdat hij vooral begaan was met de vraag hoe mensen aan een job te helpen vond hij dat bepaalde delen van het tewerkstellingsbeleid wél, maar de sociale zekerheid en het loonbeleid niét, aan de regio’s moest toekomen. Deze houding was best te verzoenen met de principiële standpunten van Marcourt, maar ook met die van de PS. Zij steekt daarentegen af tegen de verzuchtingen van de Vlaamse rechterzijde, die voorstander is van aparte cao’s en van een splitsing van de sociale zekerheid - wat per slot van rekening in de kaart speelt van de (Vlaamse) bedrijfswereld.

De oproep van Vandenbroucke en Marcourt mag dan ook een eendagsvlieg zijn geweest, het bewees dat socialisten nog met elkaar praten en dat ze inzake werkgelegenheid, toch voor een groot deel hun core business, nog gezamenlijk kunnen optreden.

LEVEN MET EEN SPREIDSTAND

De PS en de sp.a zijn allebei lid van dezelfde fractie in het Europees Parlement en van dezelfde Internationale. Zoals hierboven aangekaart, delen ze meer dan soms wordt gedacht. In de huidige Belgische politieke context zijn de zaken echter niet eenvoudig. Er moet rekening worden gehouden met zuiver taalgebonden conflicten waarbij ideologische belangen geen, of een ondergeschikte, rol spelen. In dergelijke politieke dossiers (BHV) staan PS en sp.a mijlenver van elkaar, maar eigenlijk niet verder dan gebruikelijk in de andere grote politieke families. Ecolo heeft zeker niet dezelfde visie op de splitsing van BHV als Groen!, de onthouding van Tine Vanderstraeten in de Kamercommissie op 7 november 2007 ten spijt. De Franstaligen zijn ook niet vergeten dat de omzendbrief waardoor in 1997 het gebruik van de taalfaciliteiten in de Brusselse rand werd bemoeilijkt van de hand kwam van een socialistisch Vlaams minister van Binnenlandse Zaken, te weten Leo Peeters.

Ook in andere gevoelige dossiers stemmen de parlementsleden van beide partijen soms uiteenlopend. Dit gebeurde bijvoorbeeld naar aanleiding van de wet die de gezinshereniging verstrengt. In de Kamer werd die goedgekeurd met de stemmen van de sp.a (en N-VA, CD&V, MR, Open Vld en LDD) terwijl de PS (en de cdH) zich onthielden (Groen!, Ecolo en Vlaams Belang stemden tegen). Tenzij zich hier een totaal nieuwe trend in het politieke beslissingsproces aan het uittekenen is, moet echter worden onderstreept dat zo’n stemming voor een groot deel te maken heeft met de bredere manoeuvreerruimte die het parlement krijgt toebedeeld onder de regering in lopende zaken sinds de verkiezingen van juni 2010. Enkel een fijnere en volledigere analyse van het respectieve stemgedrag van PS- en sp.a-volksvertegenwoordigers sinds 2007 - voer voor een academische studie? - zou uitsluitsel kunnen geven over een mogelijke afwijkende positionering van de één of de andere socialistische partij.

In deze omstandigheden is voor beide partijen wellicht toch voor bepaalde tijd een parallelle toekomst weggelegd. In een recente studie10 stelden Patrick Vander Weyden en Koen Abts dat binnen de sp.a een ‘dubbele kloof’ gaapt: tussen de oudere en niet of weinig geschoolde leden en de jongere, hooggeschoolde partijleden enerzijds en tussen een wat oudere basis en een jongere leiding (en jongere mandatarissen) anderzijds.
Voor de PS geldt vermoedelijk dezelfde vaststelling. Haar kiezerskorps is blijkbaar vooral samengesteld uit niet-geschoolde arbeiders, haar verkozenen (en zelfs kandidaten) zijn meestal, zo niet uitsluitend, hoogopgeleide mensen.11 Dit heeft met een ander, even verontrustend, verschijnsel te maken: de professionalisering van de politiek. Dat de partijen steeds vaker een beroep moeten doen op deskundigen om in een steeds ingewikkelder wereld beleidsvoorbereidend werk te leveren is ergens begrijpelijk, maar komt het contact met de kiezers (vooral de ongeschoolden) niet ten goede. Dat de verkozenen meestal als beroep ‘politicus’ aangeven evenmin: de socialistische partijen lopen in dit opzicht groot gevaar, moesten de belangen van de top en van de basis niet samenvallen. Beide socialistische partijen zijn aan dit risico blootgesteld. Tot nu toe hebben ze met de spreidstand kunnen leven - vooral dan de PS, die al meer dan dertig jaar aan de macht is op vrijwel alle niveaus. Zoals Olivier Bailly het in een reeds geciteerd artikel van Le Monde diplomatique treffend verwoordt, slaagt de PS erin tezelfdertijd jong en oud te zijn, contesterend en aan de macht, met een links discours die haar niet belet in de feiten steun te verlenen aan een aantal rechtse beslissingen. Maar is dit op middellange termijn wel houdbaar?

Serge Govaert
Lid van de raad van bestuur van het CRISP (Centre de recherche et d’information socio-politiques)

Noten
1/ Zie o.m. in dat verband Jean-Louis Furnémont, Guy Spitaels, au-delà du pouvoir, Bruxelles, Luc Pire 2006, pp. 39-43 alsook de internetsite van de sp.a (http://www.s-p-a.be), gedeelte ‘Geschiedenis’.
2/ Zie o.m. in dit verband Dirk Luyten, L’économie et le mouvement flamand, Brussel, CRISP Courrier hebdomadaire 2076 (2010), pp. 18-19.
3/ De betrokken studies slaan op de verkiezingen van 2007. Zie Marc Swyngedouw, Het stemmenaandeel van de Vlaamse politieke partijen, Leuven, ISPO, 2008 en Marc Swyngedouw & Dirk Heerwegh, Wie stemt op welke partij ? De structurele en culturele kenmerken van het stemgedrag in Vlaanderen, Leuven, ISPO, 2009.
4/ Het dichtst daarbij kwam zij in 1961, na de staking tegen de eenheidswet, met 29,79%.
5/ Cf. Serge Govaert, Le socialistische partij, in Les partis politiques en Belgique, 2e édition revue et complétée, Brussel, Edtions de l’ULB, 1997, p. 51.
6/ Zie in dat verband Philippe Destatte in L’encyclopédie du mouvement wallon, aangehaald door Olivier Bailly, Une terre éternellement socialiste?, in Le Monde diplomatique, december 2010.
7/ In 1987 behaalde de PS 43,9% van de stemmen in Wallonië en slechts 15,48% in het kiesarrondissement Brussel-Halle-Vilvoorde.
8/ De Standaard, 24 augustus 2011.
9/ Zie o.m. hierover La Libre Belgique, 9 december 2008.
10/ Patrick Vander Weyden en Koen Abts, De basis spreekt. Onderzoek naar de leden, mandatarissen en kiezers van de sp.a, Leuven, Acco, 2010.
11/ Jean Faniel, Le parti socialiste est-il populaire?, in Politique, Revue de débats, december 2009.

sp.a - PS - politiek - verkiezingen

Samenleving & Politiek, Jaargang 18, 2011, nr. 8 (oktober), pagina 40 tot 47