Log in

'Voor wat hoort wat. Naar een nieuw sociaal contract'

Uitgelezen

Samenleving & Politiek, Jaargang 18, 2011, nr. 8 (oktober), pagina 93 tot 96

Voor wat hoort wat. Naar een nieuw sociaal contract

Patrick Janssens
De Bezige Bij, Antwerpen, 2011

Het laatste boek van Patrick Janssens draagt een vlotbekkende titel, in fraaie letters gezet door typograafkunstenaar Dooreman: Voor wat hoort wat - en de ondertitel Naar een nieuw sociaal contract. Zou Janssens een shortlist met titels hebben gehad? Er zijn immers wel wat varianten op het thema te bedenken. Zoals: ‘Alleen de zon gaat voor niks op’, of ‘Je kunt niet leven van de hemelse dauw’, maar de eerste is allicht te veel Ecolo, de tweede te weinig scheiding van kerk en staat. Ook mogelijk, en vandaag bijzonder hip, was geweest om de titel in potjeslatijn te verpakken. En is ‘Voor wat hoort wat’ niet een volkse vertaling van het Latijnse ‘Do ut des’, van ‘Ik geef, opdat gij zult geven’?

In feite heeft Janssens niet alleen een boek geschreven. Het essay van Janssens wordt voorafgegaan door een referaat van Frank Vandenbroucke, tot voor kort nog politicus en academicus, en vanaf nu enkel dat laatste. En na Janssens essay volgt er nog een stevig envoi van Bea Cantillon. Kortom, Janssens heeft de twee wetenschappers die de voorbije jaren de meest zinvolle analyses hebben gemaakt van onze samenleving voor zijn boek weten te strikken.

Janssens essay is duidelijk van een heel andere orde dan de twee overige bijdragen. Janssens vertelt met schwung en zeer feitelijk over de wijze waarop hij, samen met zijn collegegenoten, en een administratie poogt om van Antwerpen een leefbare stad te maken. Om er voor te zorgen dat inderdaad het beste nog moet komen. Dat laatste is ook de titel van Janssens vorige boek, dat verscheen vlak voor de gemeenteraadsverkiezingen van 2006. Terwijl Het beste moet nog komen een totaalvisie inhoudt op Antwerpen, is dat met dit boek niet het geval. De focus ligt hier op de noodzakelijke integratie van een groep van mensen (die in Antwerpen iets ruimer is dan in vele andere gemeenten) die het om allerlei redenen moeilijk heeft om aan te knopen, om aan te willen knopen, om aan te kunnen knopen met onze veeleisende kenniseconomie. Kortom, Voor wat hoort wat reflecteert verder op een deelaspect van Janssens algemene stadsvisie uit 2006. De manier waarop Antwerpen tracht te vermijden dat het een verdeelde stad wordt, verdeeld tussen enerzijds een kleine groep van haves en anderzijds een elke dag groter wordende groep van have nots. Die evolutie blijft immers ook vandaag nog dezelfde. Antwerpen blijft immers een stadsvlucht kennen van middenklasse dertigers met kinderen naar de groene rand, en de stad blijft vooral in trek bij jonge twintigers die er nog wat plezier willen maken voor er zich echt te settelen, en voor een grote groep van nieuwkomers annex gelukszoekers van allerlei slag.

Vermoedelijk is de SamPol-lezer, waarvan ik vermoed dat die ook nog wel eens andere media bezigt, al voldoende op de hoogte van de inhoud van het boek van Janssens. Allicht volstaat het om als synopsis te vermelden dat Janssens met alle mogelijke middelen die hij heeft (of zich toemeet), tracht om mensen te responsabiliseren. Om kinderen zo gauw als mogelijk naar de kleuterschool te helpen/laten gaan, om tieners niet te doen/laten spijbelen, om nieuwkomers te helpen/laten integreren, om mensen met een leefloon te activeren, om mensen in sociale huisvesting te leren zich niet als hufters te gedragen and so on. Mij allemaal prima, en ik vermoed, ook de meesten onder u. Intussen is - maar misschien vergis ik mij want ik kom ook uit Antwerpen, en kijk dus allicht niet verder dan de eigen navel - er allicht niemand meer te vinden die meent dat kleuters beter niet naar school gaan, dat spijbelen toppie is, dat nieuwkomers echt wel geen Nederlands moeten leren, enzovoort. Akkoord, er zal links of rechts nog wel wat discussie zijn, en dan vermoedelijk iets meer links dan rechts als het gaat om het verplichtend karakter ervan. Maar toch, in feite is het gehele verhaal van ‘responsabilisering’, in elk geval in Vlaanderen, common sense geworden. In die zin is de Antwerpse politiek een synthese van x-jaar aan actieve welvaartsstaat-ideaal. Het slimme is dat Janssens die synthese te boek heeft gesteld en zo dus al enkele punten voor heeft op zijn grote opponent in 2012, de u allicht niet onbekende Bart De Wever. Janssens kan immers een aantal pluimen op zijn hoed zetten. Niet alleen heeft hij een totaalvisie op de stad geschreven, hij is er ook in geslaagd om van die stad een geolied apparaat te maken, waarbij zelden iets aan het toeval wordt overgelaten (hoewel fietspaden soms nog wel eens abrupt eindigen, en mensen met een handicap niet tot de top van het Mas geraken, maar soit), en hij heeft de voorbije jaren op lokaal vlak een activeringsbeleid uitgewerkt dat mooie resultaten kan voorleggen.

En toch, en toch, en toch. Het heeft geen zin om een laudatio te houden, dat is al te makkelijk. En een laudatio zou u doen vermoeden dat wij bij Samenleving en politiek niet meer kritisch zouden zijn, quod non. Neen, het boek heeft ook enkele weerhaakjes achtergelaten. Vooral dan om twee zaken die er niet in te lezen staan.
Janssens noemt zijn boek een nieuw sociaal contract - daarmee allicht verwijzend naar het contract van Jean-Jacques Rousseau, hoewel ik daar niet meteen een verwijzing in het boek naar heb teruggevonden, naar dat eerste sociaal contract. Een contract gaat evenwel uit van twee partijen die met vrije wil tot iets besluiten, om iets te doen, of om iets niet te doen. Terwijl hier in vele gevallen de vrije wil wel eens kan worden betwijfeld, maar ik vermoed dat, behoudens in klein-linkse (zijn er nog andere?) middens en bij specialisten grond- en mensenrechten (en neen, die twee groepen zijn niet dezelfde) daar weinig bezwaar tegen zal worden geuit. Vraag het vandaag aan de gemiddelde Vlaming en haast iedereen zal zeggen dat niemand zomaar iets kan krijgen, en dat er door iedereen verdomme-nog-aan-toe de handen uit de mouwen moet worden gestoken. Want leven op de kosten, op de kap van ‘d’anderen’, dat is ontoelaatbaar.
Behalve dan in geval van zwartwerk, van het zwart tewerkstellen van personeel, van het te weinig wit factureren, enzovoort. Maar dat is uiteraard iets ‘helegans’ anders.
En zo kom ik aan m’n punt van kritiek op het boek. Janssens heeft overschot van gelijk dat hij mensen responsabiliseert, dat hij - indien nodig - hen een spreekwoordelijke schop onder de kont laat geven, om hen richting kleuterschool, inburgering, extreme make over (want ook dat doet men in Antwerpen, mensen leren om weer van zichzelf te houden) te sturen. Maar ik blijf daarbij ook wel wat op mijn honger. Ik lees immers in heel het essay van Janssens nergens een gedachte die niet uitgaat naar wie onderaan de sociale ladder staat. Het had me gecharmeerd als dit beleid ook was gesteund door een appel aan andere mensen, aan andere groepen. Want het baat nogal weinig om mensen naar de cursus Nederlands te sturen, wetende dat ze in geen lichtjaren zo schoon Vlaams gaan praten dat ze kunnen doen alsof ze hier al generaties wonen. En dat zou geen probleem zijn als er niet zoveel bedrijven zouden zijn die voor de meest onzinnige functies de zeer discriminatoire eis van ‘Nederlands als moedertaal’ zouden stellen. Worden die bedrijven, die bedrijfsleiders ook geresponsabiliseerd? Worden zij al eens op de vingers getikt als blijkt dat hun personeelskorps nog minder divers is als dat van de stad en zijn dochters zelve (en ja, er is daar verbetering zichtbaar, maar nog steeds te vaak op lagere niveaus)? Als ik iets mis in het essay van Janssens dan is het wel dat het evenwicht zoek is. Ja, ik ben het eens met de hele catechismus van responsabilisering, maar iedereen gelijk dan. Of in de termen van contractsdenken: een samenlevingscontract sluit je niet alleen af met wie onderaan de ladder staat, maar met de gehele samenleving.

Een tweede bijgedachte is dat ik in de inhoudelijke opbouw van het activerings- en responsabiliseringsverhaal een accent mis. Nu wordt het hele verhaal opgehangen aan de idee dat onze sociale voordelen te evident zijn geworden, dat niemand nog goed beseft dat zij eigenlijk afkomstig zijn uit een soort van onderlinge verzekering, en dat, met andere woorden, diegene die er de boordjes aflopen, dat in feite doen met het werk en de inzet van anderen. Wat ik evenwel niet lees is een verhaal van emancipatie, van jongeren voorhouden dat ze hun best moeten doen, want dat enkel door hun best te doen, ze het later ook ergens zullen brengen. Wat ik mis, is de retoriek die Barack Obama zo mooi verwoordde toen hij een tweetal jaar geleden de Amerikaanse jongeren aansprak vlak voor de eerste schooldag. En ik citeer hem graag, want ook al heeft hij intussen wat van zijn pluimen verloren, hij blijft een meester van het woord: ‘Now I’ve given a lot of speeches about education. And I’ve talked a lot about responsibility. I’ve talked about your teachers’ responsibility for inspiring you, and pushing you to learn. I’ve talked about your parents’ responsibility for making sure you stay on track, and get your homework done, and don’t spend every waking hour in front of the TV or with that Xbox. I’ve talked a lot about your government’s responsibility for setting high standards, supporting teachers and principals, and turning around schools that aren’t working where students aren’t getting the opportunities they deserve. But at the end of the day, we can have the most dedicated teachers, the most supportive parents, and the best schools in the world - and none of it will matter unless all of you fulfill your responsibilities. Unless you show up to those schools; pay attention to those teachers; listen to your parents, grandparents and other adults; and put in the hard work it takes to succeed.’ (speech Barack Obama, Arlington Virginia, 8 september 2009) Maar retoriek en mooie woorden zijn uiteraard niet voldoende, zo’n verhaal kan alleen werken als ook uit de feiten blijkt dat wie hard werkt, ook de kansen krijgt die men verdient. En het glazen, het roze, het gekleurde … plafond bewijst dat er ook daar nog bijzonder veel werk aan de winkel is. Ik weet dat heel wat van die mechanismen het lokale niveau overstijgen, maar al puur voor de geste zou het mooi zijn als ook deze zijde van de medaille werd belicht.

Een laatste bijgedachte wordt aangeraakt in het envoi van Bea Cantillon. ‘Voor Vlaanderen en niet alleen daar lijken de cijfers er echter op te wijzen dat er sinds de jaren 1970 nauwelijks vooruitgang is geboekt op het vlak van de relatieve onderwijskansen van lagere sociale groepen, ondanks belangrijke maar niet altijd succesvolle onderwijshervormingen.’ En Cantillon gaat verder op het elan van haar oude leermeester Herman Deleeck en duwt de lezer nog eens met de neus op de harde feiten, op het Mattheuseffect dat tot vandaag blijft spelen. Ons algemeen beleid komt vooral de midden en hogere klasse ten goede, en minder de lagere klasse. Die responsabiliseren we later wel. Want voor wat hoort wat.

Samenleving & Politiek, Jaargang 18, 2011, nr. 8 (oktober), pagina 93 tot 96