Abonneer Log in

De grote Hold-up: de rol van speculanten en kredietbeoordelaars

Samenleving & Politiek, Jaargang 18, 2011, nr. 9 (november), pagina 15 tot 23

Who to blame? Wie staat met een ‘smoking gun’ neer te kijken op de spartelende wereldeconomie? Naargelang de politieke strekking durft het daderprofiel te verschillen, maar er zijn ten minste twee partijen die onbetrouwbare alibi’s voorleggen: de speculanten uit de financiële wereld en de kredietbeoordelaars. Hun rol verdient een brede maatschappelijke discussie en duidelijke analyses. Dit artikel geeft duiding bij twee centrale elementen in het verhaal: financiële speculatie en de dubieuze rol van de kredietbeoordelaars. Vanuit sociaaldemocratisch oogpunt worden deze begrippen - in de context van de financiële crisis - toegelicht. Hierbij worden zowel de risico’s als mogelijke oplossingen bekeken.

GEBREKKIGE REGULERING EN DE FINANCIËLE CRISIS

Het zou te ver leiden om de financiële crisis volledig te bespreken, maar de rol die de financiële wereld - en het ontstellend gebrek aan regulering - speelde en nog steeds speelt, wordt enkel nog in ultraliberale kringen ontkend. Centraal in het verhaal staat goedkoop geld. Lage rentevoeten zorgden vanaf de jaren 1980 voor een boom in vastgoedprijzen en voor goedkoop kapitaal om te speculeren. Bovendien ontstond zo de wil bij investeerders om grote risico’s te nemen voor een hogere opbrengst. Banken ontwikkelden exotische financiële producten om de honger naar hoge rendementen van investeerders te stillen. Deze financiële toren werd gebouwd op los zand: de kapitaalsvereisten bij de banken lagen te laag en de financiële instellingen werden beheerd door CEO’s en CFO’s die niet werden afgeremd door enige morele en/of intellectuele bezwaren. Waarom zouden ze ook? Bij een falen konden ze zacht landen met een gouden parachute.

Om de financiële wereld te reguleren - met hierbij een centrale plaats voor de aanpak van speculatie - moeten we ons enkele principes vooropstellen. Waarvoor moet de financiële wereld dienen en wat is de rol van banken hierin? Volgende, niet-exhaustieve, lijst van belangrijke principes kan een leidraad vormen. Financiële instellingen hebben een maatschappelijke rol in onze samenleving, namelijk het toewijzen van kapitaal daar waar het het effectiefst wordt gebruikt. In een ideale wereld leiden financiële markten het kapitaal naar de reële economie (voor de ondersteuning van groei en werkgelegenheid) en niet naar schimmige hedge funds of speculatieve beleggingen die enkel een irreëel hoge opbrengst nastreven. Financiële regulering moet de liquiditeit en solvabiliteit van de actoren op de financiële markten garanderen en belastingbetalers beschermen tegen faillissementen en fraude.

Vanuit deze principes kunnen specifieke beleidsacties gedestilleerd worden. De financiële sector moet worden gedemocratiseerd en gediversifieerd: een uitgebreider pallet van leveranciers van financiële diensten, zoals bijvoorbeeld coöperatieve initiatieven, is noodzakelijk. De gaten in de regelgeving moeten worden gedicht (markten van afgeleide producten, hedge funds, enz.) zodat speculatie wordt bemoeilijkt. Een faire taxatie (door onder meer een financiële transactietaks) moet ervoor zorgen dat de financiële wereld een representatieve bijdrage levert aan de samenleving (op financiële transacties wordt immers geen BTW betaald) en kan speculatie worden afgeremd. De supervisie op nationaal niveau mag niet enkel passief zijn, maar ook actief/interveniërend: overheden moeten kunnen tussenkomen wanneer onverantwoord grote risico’s worden genomen door bijvoorbeeld bestuurders te vervangen of een herstructurering door te voeren. Door de implementatie van procedures die het ordelijk ‘opdelen’ van falende banken toelaat, moeten belastingbetalers beschermd worden tegen het risico van waarborgstelling, zoals in het geval van Fortis en Dexia. Tot slot moet op het internationale niveau de regulering en supervisie worden versterkt en de rol van kredietbeoordelaars herbekeken.

WAT IS FINANCIËLE SPECULATIE?

Het onderscheid tussen beleggen en speculatie is volgens sommigen niet altijd duidelijk. Je kan immers stellen dat iedere vorm van beleggen speculatie is. Koop je een huis, hoop/speculeer je dat de waarde van het huis stijgt. Koop je een aandeel van een bedrijf, hoop/speculeer je dat het bedrijf goede zaken doet zodat de waarde van het aandeel stijgt. Dit klopt, maar toch kunnen enkele principes gehanteerd worden om te bepalen of een dergelijke transactie onder speculatie of beleggen valt.

Algemeen wordt gesteld dat een belegger handelt op langere termijn en dat hij het risico dat hij neemt, zo goed mogelijk incalculeert en indekt. Bovendien houdt hij rekening met de achterliggende economische analyses, de zogenaamde ‘fundamentals’. Bij speculeren ligt dit anders. Een speculant handelt altijd op zeer korte termijn en gebruikt vaak hefbomen om met kleine sommen, grote winsten te genereren. Hij baseert zijn transacties eerder op marktgeruchten, verwachtingen en ‘gokken’ van andere marktspelers dan op een fundamentele economische analyse. De initiële investering die de speculant doet, bestaat meestal niet uit eigen middelen, zoals bij een belegger, maar uit geleend geld. Het risico dat hierbij wordt genomen, staat niet in verhouding tot de mogelijke winst. Speculeren kan in principe met ieder financieel product of activa (aandelen, obligaties, afgeleide producten, grondstoffen, deviezen of vastgoed).

Speculatie beperkt zich niet tot bovenstaande definitie. Speculatie kan tevens omschreven worden als iedere financiële activiteit waarbij het sociaaleconomisch nut zo goed als nul is. Zo zijn er de CDO’s (Collateral Debt Obligations) waarbij leningen die zijn uitgeschreven door banken worden ‘herverpakt’ en doorverkocht voor een kleine premie aan andere financiële instellingen. Hierdoor krijgt de aankopende financiële instelling het recht deze leningen te innen. Het sociaaleconomisch nut is nul én het wordt negatief als deze activiteit naar een prijzenbubbel leidt in de vastgoedsector (zie onder).

Maar waarom speculatie tegengaan? Financiële speculatie houdt heel wat negatieve effecten en gevaren in voor onze economie. Zo veroorzaakt speculatie een volledig verkeerde inschatting (=prijszetting) van risico’s. Bij speculatieve bewegingen stort iedereen zich op een bepaald product waardoor dit op korte termijn zeer volatiel wordt in prijs (bijvoorbeeld de huizenmarkt in Ierland) en de prijs absoluut geen weerspiegeling meer vormt van de economische realiteit. Daarnaast worden belangrijke middelen (zowel financiële, politieke als menselijke) van de reële economie weggezogen en ingezet voor snel geldgewin. Financiële speculatie kan destructief zijn voor een economie wanneer de verschillende financiële instituten (banken, verzekeringsmaatschappijen, vastgoedsector) op speculatief vlak met elkaar verbonden zijn en wanneer een slecht afgelopen gok bij één speler, een kettingreactie op gang brengt bij andere instituten. Denk hierbij opnieuw aan de bovenvermelde CDO’s. De leningen die de Amerikaanse banken op de markt aanboden aan onder meer Europese banken bestonden uit subprime leningen (leningen met een hoog risico op niet-terugbetaling). Zulke leningen werden massaal uitgeschreven omdat kapitaal nu eenmaal goedkoop was. Geld moest rollen, waardoor de huizenprijzen stegen en de bubbel langzaam groeide. De banken die de CDO’s op de markt brachten, hielden geen rekening met de achterliggende economische situatie. Voor hen was snel geldgewin (de stijgende premies op de CDO’s) het belangrijkst. Toen in 2007 de huizenbubbel barstte (door renteverhogingen bij de FED en het bereiken van het plafond van de huizenprijzen), konden vele Amerikaanse gezinnen de betaling van hun lening(en) niet meer aan. Dit zorgde dit voor een domino-effect van Amerika naar Europa. Plots waren de CDO’s niets meer waard en kwamen Amerikaanse en Europese systeembanken in problemen.

Speculatie staat niet op zichzelf. Het is gekoppeld aan verschillende fenomenen in de financiële wereld. Speculatie werd de afgelopen jaren fors in de hand gewerkt door de groei van de financiële instellingen. De afbouw aan regulering in de banksector vanaf de jaren 1980 zorgde voor een enorme groei van de banksector: grote conglomeraten slorpten zowel kleine spaarbanken als risicovolle investeringsactiviteiten op. Plots was niet meer de rente van de spaarders het belangrijkste, maar de opbrengsten voor de aandeelhouders. Om de winstmarges te vergroten werd een wildgroei aan financiële producten in gang gezet (ook wel financiële innovatie genoemd) en er ontstond een schaduwzone, een marktplaats buiten de reguliere - en gesuperviseerde - marktplaatsen, in het jargon Over The Counter (OTC).

HOE SPECULATIE INDAMMEN?

Hoe kunnen dergelijke systemen gereguleerd worden om de negatieve economische impact te vermijden? Speculeren volledig uitbannen is moeilijk, maar je kan wel de instrumenten die speculatie mogelijk maken, beperken en de speculatieve bewegingen afremmen door ze te belasten (door middel van een Financial Transaction Tax). Bovendien gebeuren vele speculatieve transacties buiten de beursvloeren, OTC-transacties. Het verbieden van transacties buiten de reguliere markten geeft de overheid de mogelijkheid om speculatieve bewegingen beter in te schatten en sneller in te grijpen wanneer deze voor systeemrisico’s zorgen.

Het aantal instrumenten is in tijden van ‘financiële innovatie’ in dergelijke mate geëxplodeerd dat de mogelijkheden tot risicovolle speculatie bijna ongelimiteerd zijn. Er bestaat geen ‘zwarte lijst’ van markten, instrumenten of procedures die gezamenlijk onder de noemer ‘speculatie’ vallen. En zoals iedereen weet, is een vijand die moeilijk te identificeren is, moeilijk te verslaan. Speculatie past zich onmiddellijk aan, aan het heersende regime van regulering en/of taxatie. Fenomenen die duidelijk hun negatieve impact hebben bewezen zijn de CDO’s, maar ook praktijken zoals naked short selling (het ongedekt verkopen van financiële producten die men niet in het bezit heeft, om zo te profiteren van een mogelijke koersdaling), high frequency trading (methode om via een geautomatiseerd handelsplatform, op basis van algoritmen in plaats van menselijk handelen, massaal transacties door te voeren aan extreem hoge snelheid) en credit default swaps (overeenkomst tussen twee partijen waarbij het kredietrisico van een derde partij wordt overgedragen). Het beperken of verbieden van dergelijke instrumenten is een belangrijke stap in het gevecht tegen speculatie. De EU heeft hierin wetgevende initiatieven genomen, maar het is af te wachten of deze de financiële lobbystorm doorstaan.

Naast deze instrumenten zijn er twee institutionele problemen: het huidige bankenlandschap en de rol van de kredietbeoordelaars. De huidige reglementering beperkt geenszins de risico’s die banken nog dagelijks nemen. Het is uiterst belangrijk dat er een opsplitsing komt tussen de activiteiten van zakenbanken en spaarbanken. In ieder geval moet de wetgeving een bankentestament verplicht maken zodat ingeval van nood het onderscheid tussen risicovolle bankactiviteiten en de spaaractiviteiten duidelijk gemaakt kan worden. De rol van de kredietbeoordelaars is complex en verdient verdere uitdieping. Volgende hoofdstukken gaan in op de werking van deze agentschappen, hun invloed en de rol die zij speelden (en nog spelen) in de huidige economische malaise.

WAT DOET EEN KREDIETBEOORDELAAR EN WIE ZIJN ZE?

De rating van een kredietbeoordelaar aan een land of bedrijf geldt als kwaliteitslabel voor beleggers. Vergelijk ze met Michelinsterren. Wie geld uitleent, loopt altijd het risico dat hij het geld niet terugkrijgt doordat de ontlener failliet is gegaan. Geld uitlenen aan een economisch welvarend land als Noorwegen (door het kopen van staatsobligaties) is weinig risicovol, waardoor de belegger bij aankoop van dergelijke staatobligaties een beperkte rente ontvangt. Het kredietrisico ligt een pak hoger bij een lening uitgeschreven door een land als Colombia. Een hoger risico vertaalt zich in hogere rentes voor de belegger.

Maar hoe weet de belegger wat een veilige bestemming is voor zijn geld? Hoe kan hij het kredietrisico inschatten? Hier komen de kredietbeoordelaars in het spel. Zij verlenen kredietscores, ratings. Ze analyseren de lening (of de beleggingsvariant) die een bedrijf, instelling of bank op de markt wil brengen en beoordelen de kans dat de hoofdsom wordt terugbetaald. De uitkomst van die analyse bepaalt welke kredietstatus een land of bedrijf krijgt, aangeduid met een lettercombinatie variërend van AAA (zeer positief) tot D (uiterst negatief). Hoe positiever de beoordeling, hoe gezonder een land of bedrijf financieel en economisch voorkomt en hoe groter de kans dat het de gemaakte schuld kan aflossen. Daardoor kunnen landen en bedrijven met een goede rating op de internationale markt goedkoper, aan een lage rentevoet, geld lenen. Doorgaans volgen een à twee analisten bij een kredietbeoordelaar op dagelijkse basis de ontwikkelingen in een land of bedrijf. Ze doen dat op basis van de economische cijfers, maar leggen hun oor ook te luisteren bij beleids- en opiniemakers.

De bekendste kredietbeoordelaars zijn Amerikaans:Fitch Ratings,Moody’s enStandard & Poor’s. Zij zijn eind 19de eeuw ontstaan om grote beleggers meer duidelijkheid te geven over investeringen in de spoorwegen. Tegenwoordig hebben zij ongeveer 90 procent van de westerse markt in handen. De kredietbeoordelaars zijn winstgevende privébedrijven. Standard & Poor’s en Fitch zijn in handen van beursgenoteerde ondernemingen. Moody’s is rechtstreeks beursgenoteerd en heeft onder andere Warren Buffett als grote aandeelhouder. De aandeelhouderstructuur van de Amerikaanse kredietbeoordelaars overlapt elkaar. En een deel van die aandeelhouders zijn … grote financiële instellingen.

In het verleden werden de kredietbeoordelaars door de investeerders (!) betaald, sinds de Tweede Wereldoorlog worden zij gefinancierd door de overheden en bedrijven die investeerders willen aantrekken. Het is doorgaans de uitgever van de obligatie, zoals een staat, overheidsinstelling of bedrijf, die de kredietbeoordelaar betaalt. Niet alleen voor de eenmalige rating bij de lancering van de obligatie, maar voor de verdere opvolging in de jaren daarop.

WAAROM HEBBEN KREDIETBEOORDELAARS ZO VEEL INVLOED?

Grote beleggers, banken en overheidsinstellingen beschouwen de drie grote kredietbeoordelaars als de standaardreferentie. Beleids-makers stemmen hun politiek de laatste jaren steeds meer af op mogelijke beslissingen van de kredietbeoordelaars. Yves Leterme was in de zomer van 2011 trots op zijn ‘tournee’ bij de grote ratingagentschappen om hen te overtuigen van de kredietwaardigheid van België. Hoe is het zover kunnen komen dat een eerste minister zijn land voor een financieel vuurpeloton moet verdedigen?

De afhankelijkheid van kredietbeoordelaars (een ratingverlaging verhoogt onmiddellijk de kostprijs van een lening) hebben overheden gedeeltelijk aan zichzelf te danken. Europese overheden maken systematisch gebruik van de ratings die deze instellingen rondstrooien. De ECB maakte recent haar liquiditeitspolitiek afhankelijk van de waardering van de kredietbeoordelaars: ze kondigde aan dat ze in het kader van haar liquiditeitsbeleid niet meer bereid zou zijn Griekse staatsobligaties in onderpand op te nemen als de kredietbeoordelaars hun beoordeling zouden verlagen tot DDD. Een ongelofelijke situatie: een centrale bank die in feite een essentieel deel van haar geldbeleid uitbesteedt aan (Amerikaanse) kredietbeoordelaars.

De toezichthouders maken dezelfde fout. De risico’s die banken nemen (het type investeringen), worden door de toezichthouders ingeschat op basis van het oordeel van de kredietbeoordelaars. Met de invoering van de nieuwe kapitaalregels voor banken (Basel III) zal hun macht nog toenemen doordat in deze officiële reglementering verwijzingen zijn opgenomen naar de ratings van deze private agentschappen. De Bazelreglementering legt banken de verplichting op om de risico’s die zij lopen, af te dekken met voldoende kapitaal. Sommige types van kredietverlening zijn risicovoller dan andere waardoor meer kapitaal moet worden aanhouden.

De Europese Commissie hielp de kredietbeoordelaars verder in het zadel met het afkondigen van de Europese richtlijn ‘inzake de kapitaaltoereikendheid van beleggingsondernemingen en kredietinstellingen’ uit 1993. De richtlijn stelt dat meer kapitaal moet worden aanhouden voor investeringen die een ‘speculatieve rating’ krijgen van kredietbeoordelaars. Dit voorschrift leidde tot een toenemend gebruik van kredietbeoordelingen in Europa. Sindsdien is het gebruik van ten minste één rating bij de uitgifte van een financieel instrument de norm geworden.

WAT IS DE IMPACT VAN EEN RATINGVERANDERING?

Opeenvolgende ratingverhogingen zijn goed nieuws voor een land of bedrijf, ratingverlagingen voorspellen daarentegen weinig goeds. Positieve ratings kunnen echter financiële en economische‘zeepbellen’ creëren, alles ziet er rooskleuriger uit dan het in feite is. Wanneer blijkt dat de realiteit anders is, veroorzaakt dat een paniekreactie, waardoor de zeepbel barst. Er ontstaat wantrouwen en een ratingverlaging blijft zelden uit, waardoor de koersen verder dalen en zelfs een crash kan volgen. Op die manier kunnen landen en bedrijven in zware financiële problemenkomen. Ze worden immers minder ‘waard’ en kunnen moeilijker aan extra kredieten geraken. Zo zag Griekenland na herhaalde ratingverlagingen haar intrestvoet voor leningen op 10 jaar stijgen van 5,5 naar 24%. Op deze manier zorgen de kredietbeoordelaars voor een self fulfilling prophecy: door een aankondiging dat een land in de toekomst zijn schulden moeilijk zal kunnen terugbetalen, stijgt rente op nieuwe schulden en wordt de aankondiging werkelijkheid.

ICT-systemen van grote beleggingshuizen vergroten bovendien de impact van de rating. Veel conservatieve beleggingsfondsen linken automatisch de rating aan een bepaalde obligatie: als de rating van een obligatie onder een bepaald ratingniveau daalt, wordt de obligatie automatisch verkocht, waardoor een massale verkoopgolf kan ontstaan.

KREDIETBEOORDELAARS EN HUN ROL IN DE FINANCIËLE CRISIS

Dat de kredietbeoordelaars een onmiskenbare rol hebben gespeeld tijdens de kredietcrisis staat buiten kijf, maar hoe komt dat?

De kredietbeoordelaars hebben een doorslaggevende rol gespeeld in de opkomst van gestructureerde beleggingsproducten (fondsen, trackers, enz.). Het uitdelen van flatterende ratings in een periode van economisch optimisme wakkerde de koopwoede verder aan. De euforie en de systematische onderschatting van de genomen risico’s leidden echter tot financiële zeepbellen en uiteindelijk tot een crash. Na de crash, toen pessimisme de ondertoon werd in de financiële markten, zorgden de systematische afwaarderingen door de kredietbeoordelaars voor een uitdieping van het pessimisme, en zo ook de financiële crisis. De kredietbeoordelaars versterkten aldus de excessen in de financiële markten, zowel de excessen naar boven als naar beneden.

De grote kredietbeoordelaars waren in de jaren voor de crisis al volop met elkaar in concurrentie. Enkel het omzetcijfer en het marktaandeel stonden voorop, wat perfect paste in de visie van commerciële bedrijven die op korte termijn winst willen maken om zo de aandeelhouderswaarde te verhogen. Zij deelden aan bijna iedere emissie (uitgeven van een aandeel of obligatie) een AAA-rating uit. Het was aanlokkelijk voor kredietbeoordelaars om rooskleurige kredietbeoordelingen te verstrekken door de enorme winsten die de grote banken voor kredietbeoordelaars vertegenwoordigden. De winsten van de kredietbeoordelaars verdubbelden in de periode 2002-2007 tot ruim 6.000 miljard dollar. William J. Harrington (tot vorig jaar topmanager bij Moody’s) bevestigde dit: in aanloop naar de kredietcrisis in 2008 werd Moody’s enkel gedreven door winstbejag en plakte het moedwillig te hoge ratings op financiële producten, en keek tegen beter weten in de andere kant op toen de Amerikaanse huizenmarkt aan het wankelen ging.

Het tegenstrijdig belang wordt versterkt doordat grote kredietbeoordelaars worden betaald door de aanbieders van financiële producten (voornamelijk banken). De aanbieders hebben belang bij een zo hoog mogelijke rating en oefenen druk uit op de kredietbeoordelaars om de gewenste rating te ontvangen, terwijl kredietbeoordelaars een bedrijfsbelang hebben bij deze en eventuele toekomstige opdrachten. Zo gaan investeringsbanken bij de verschillende kredietbeoordelaars langs om een preliminaire kredietbeoordeling te vragen teneinde de beste kredietbeoordeling te verkrijgen voor hun gestructureerde financieringsproducten (‘ratingshopping’), waarna ze natuurlijk in zee gaan met de kredietbeoordelaar die hun de beste rating voorhoudt.

Kredietbeoordelaars spelen bovendien een dubbele rol: ze beoordelen (zogenaamd onafhankelijk) beleggingsproducten waarover ze zelf hebben geadviseerd. Bij het fabriceren en verkopen van allerlei nieuwe gestructureerde beleggingsproducten achten de banken een goede kredietrisicoscore van het grootste belang. De kredietbeoordelaars werden (in aanloop naar de crisis) steeds vaker ingehuurd om, voorafgaand aan de kredietbeoordeling, te adviseren over de eisen waaraan het product zou moeten voldoen om een goede score te krijgen.

ZELFREGULERING, FETISJ VAN HET LIBERAAL DENKEN

De Europese Commissie is steeds van mening geweest dat zelfregulering op basis van de door de Internationale Organisatie van Effectenregelgevers (verder: IOSCO) opgestelde gedragscode afdoende was.1 De IOSCO gedragscode bevat voorschriften ter vermijding van belangenconflicten en bevordering van de transparantie van het ratingproces. Kredietbeoordelaars mogen hier op vrijwillige basis aan voldoen op basis van het principe ‘pas toe of leg uit’. De kredietcrisis heeft echter pijnlijk duidelijk gemaakt dat zelfregulering door kredietbeoordelaars op basis van de IOSCO-code onvoldoende waarborgen biedt. Illustratief is dat Moody’s aan het begin van het millennium het uitgangspunt hanteerde dat een CDO niet de hoogste rating kon ontvangen als het onderpand uitsluitend uit hypotheken bestond. Moody’s verloor marktaandeel, omdat S&P en Fitch Ratings niet zo’n voorzichtige regel toepasten. Nadat Moody’s deze regel in 2004 introk, nam haar marktaandeel exponentieel toe.2

De Commissie veranderde eind 2008 van koers, omdat zij besefte dat de kredietbeoordelaars door onderschatting van de kredietrisico’s hadden bijgedragen tot het ontstaan van de financiële crisis. In december 2009 ging een Europese richtlijn van kracht die belangenconflicten moet vermijden en transparantie- en informatieverplichting voor de kredietbeoordelaars oplegt. De verordening is echter een slag in het water, op het terrein verandert in principe niets. Een drastische hervorming is nodig.

OVERHEIDSINTERVENTIE, GEEN LELIJK WOORD MEER?

Zowel financiële speculatie als de groeiende invloed van de kredietbeoordelaars zijn fenomenen die opduiken wanneer de overheid zich terugtrekt uit een cruciaal onderdeel van onze economie: de financiële sector. Financiële speculatie is mede verantwoordelijk voor een totale vervreemding van de financiële wereld van de reële, productieve economie. Speculatieve zeepbellen sleurden niet enkel gezinsbudgetten, maar ook de overheidsfinanciën naar ongekende diepten. Kredietbeoordelaars moesten instaan voor onafhankelijke risicoanalyses, maar faalden door belangenvermenging en een ontstellend gebrek aan transparantie. De zelfcorrigerende, onzichtbare hand van Smith bleef andermaal op stal.

Een sterke regulerende hand is daarom broodnodig. Zoals in eerdere hoofdstukken is aangegeven, moeten sommige speculatieve instrumenten botweg verboden worden, anderen moeten worden onderworpen aan een streng onafhankelijk toezicht. De kredietbeoordelaars moeten worden gereguleerd: strenge vereisten inzake transparantie en voorkoming van belangenconflicten zijn noodzakelijk. Kredietbeoordelaars mogen niet langer zowel rechter als partij zijn in eenzelfde proces. Een alternatief en transparant beoordelingssysteem moet worden ontwikkeld door een einde te maken aan de oligopolie van de bureaus en het instellen van een beoordelingssysteem voor de kredietbeoordelaars zelf. Door middel van een publiek toegankelijk register, waarin de prestaties van de agentschappen vergeleken worden, is het mogelijk om bureaus te beoordelen op hun nauwkeurigheid. Het is ook van uiterst belang dat overheden zich in hun beleid niet langer laten leiden door de kredietbeoordelaars.

Maar daarnaast is er behoefte aan een autonoom Europees ratingagentschap dat niet wordt gestuurd door commerciële belangen, dat volledig transparant is en wordt gecontroleerd door het Europees Parlement. Het Europees ratingagentschap zou zowel producten van private als publieke partijen kunnen beoordelen. De beoordeling moet ook economische groei, jobcreatie en solvabiliteit op de langere termijn - onafhankelijk van economische cycli - in rekening brengen.

Deze regulering maakt slecht onderdeel uit van een globaal plan voor de regulering van de financiële sector. Zonder een einde te stellen aan belastingparadijzen, belastingsfraude en de ontspoorde bonuscultuur, zullen de excessen en speculatieve hold-ups van het afgelopen decennium ons niet bespaard blijven.

Kristel Debacker en Lars Vande Keybus
Economisch Adviseurs Federaal ABVV

Noten
1/ Europese Commissie, Communication from the Commission on Credit Rating Agencies, OJ 2006, 59/2, p. 5.
2/ Economisch en Sociaal Comité, Advies over Kredietbeoordelaars, 13 mei 2009, par. 2.13.[4] Verordening (EG) nr. 1060/2009 van het Europees Parlement en de Raad inzake kredietbeoordelaars,Brussel, 16 september 2009.

financiële crisis - speculatiefondsen - kredietbeoordelaars

Samenleving & Politiek, Jaargang 18, 2011, nr. 9 (november), pagina 15 tot 23