Log in

Egalitair sanitair

Toiletten zijn een dankbaar onderwerp in het discriminatierecht. Om te beginnen zijn ze op didactisch vlak erg handig. Weinig andere zaken laten toe om zo aanschouwelijk enkele basisconcepten uit te leggen, zoals de verschillen tussen formele en materiële gelijkheid of die tussen directe en indirecte discriminatie. Op theoretisch vlak bestaat er - vooral in de VS - dan weer een levendige literatuur over wat aangeduid wordt als ‘potty parity’.1 In die geschriften staat de vraag centraal naar een gelijkwaardig aanbod van (publieke) toiletvoorzieningen voor vrouwen en mannen en de manier waarop dat kan worden afgedwongen.

Sinds kort hebben we hierover in België onze eigen juridische discussie. Baharak Bashar, voorzitster van de ‘vzw Plasactie’, stapte naar aanleiding van de Gentse Feesten naar de rechter. De claim: het feit dat de stad Gent maar liefst 200 gratis urinoirs ter beschikking stelt, tegenover slechts 80 vrouwentoiletten die bovendien overwegend betalend waren, zou neerkomen op discriminatie. De rechter toonde echter begrip voor het beleid van de stad en verwierp de eisen. Bashar liet al weten dat ze zou doorzetten en nadenkt over een nieuwe procedure: ‘Vrouwen hebben evenveel recht om hun blaas te ledigen’.2 In afwachting van die volgende uitspraak gaan we hier alvast nader op de Gentse zaak in. Ook staan we stil bij de zin en onzin van het gebruiken van het discriminatierecht hiervoor. We beginnen echter met een korte uitleg van waar de vzw Plasactie eigenlijk voor staat.

VZW PLASACTIE

De vzw Plasactie wil, volgens haar eigen doelstellingen, een ‘aanzet geven tot een alternatieve kijk op toiletten’ en damestoiletten in het bijzonder.3 De vereniging komt onder meer op ‘voor een gelijkwaardige juridische behandeling van plassende vrouwen’. Dit, om te beginnen, in het aanbod van publieke toiletvoorzieningen. Op dat vlak ijvert de groep ervoor om gemeentebesturen, en via hen de wetgever, ertoe te brengen om ‘concrete maatregelen te nemen om (…) vrouwen en mannen gelijk te behandelen bij het uitbouwen van een sanitair beleid’.4
Verder klaagt de groep de dubbele maatstaf aan die momenteel gehanteerd wordt bij de behandeling van wildplassen. Waar de mannelijke wildplassers hooguit een boete krijgen voor overtreding van lokale reglementen, lopen vrouwen het risico om daarbovenop nog een boete voor openbare zedenschennis te krijgen.

GENTSE FEESTEN

De vordering van de verzoekster, een procedure zoals in kortgeding, was gebaseerd op het Vlaamse Gelijkekansendecreet van 10 juli 2008.5 Dat decreet verbiedt onder andere discriminatie op grond van geslacht in het goederen- en dienstenverkeer.
De verzoekster stelde dat zij als vrouw gediscrimineerd werd, door het ontbreken van voldoende én gratis toiletten voor vrouwen tijdens de Gentse Feesten, terwijl er voor mannen wel afdoende waren. Dit verschil in behandeling zou niet verantwoord zijn. Integendeel zelfs: ‘Vrouwen hebben een kleinere blaas, waardoor zij vaker naar toilet moeten. Zwangere vrouwen moeten vaker naar toilet omdat de foetus op de blaas duwt. Ten slotte hebben menstruerende vrouwen nood aan geregeld toiletbezoek’.6 Daar kan nog aan worden toegevoegd dat vrouwen in de regel ook meer tijd nodig hebben om naar het toilet te gaan.7 Kortom: terwijl de behoeften van vrouwen groter zijn, is het aanbod juist (veel) kleiner.
De vordering beoogde het vaststellen en doen staken van deze discriminatie. Meer bepaald eiste de verzoekster dat de stad Gent bevolen zou worden om, binnen de 24 uur na de betekenis van het vonnis, evenveel gratis toiletten aan te bieden aan vrouwen en mannen, en dit onder dreiging van een dwangsom van 500 euro per uur.

VONNIS

Over de feiten in de zaak bestond geen discussie: de ongelijke behandeling - zowel qua aantal toiletten, als qua kosten ervan - stond buiten kijf en werd door de Stad ook niet betwist. De relevante vraag was dus of er voor die ongelijke behandeling(en) een rechtvaardiging voorhanden was: ‘de vraag die dient beantwoord, is of er een ongelijke behandeling is die discriminerend is’.8

De rechtbank overweegt daarbij dat het de wettelijke taak is van gemeenten om openbare overlast tegen te gaan: ‘Artikel 135 van de Nieuwe Gemeentewet bepaalt dat de gemeenten tot taak hebben (…) te voorzien in een goede politie, met name over de zindelijkheid, de gezondheid, de veiligheid en de rust op de openbare wegen en plaatsen (…)’. Daartegenover staat dat ‘geen enkele bepaling (…) de overheid echter [verplicht] om toiletten ter beschikking te stellen’.9
De rechter stelt dat het plaatsen van de urinoirs gezien moet worden in het kader van die opdracht ‘om openbare overlast van het wildplassen te voorkomen’.10 Dat dit leidt tot een groter ‘aanbod’ voor mannen, zou een logisch gevolg zijn van objectieve geslachtsverschillen: ‘Het is nu eenmaal een gegeven dat wildplassen een probleem is hoofdzakelijk veroorzaakt door mannen wiens anatomie het wildplassen makkelijker maakt dan voor vrouwen’.11
In het licht daarvan acht de rechtbank het feit dat er meer faciliteiten zijn voor mannen dan voor vrouwen objectief verantwoord. Dat er voor de weinige vrouwentoiletten bovendien een vergoeding gevraagd wordt, beschouwt de rechtbank als verantwoord vanuit hogere kosten voor die toiletten, qua infrastructuur en onderhoud. ‘Ook in deze kan het principe gelden: de vervuiler betaalt’, zo luidt het.12
De rechtbank voegt nog wel toe dat het de Stad wellicht zou ‘sieren indien zij een nog grotere inspanning zou leveren om (…) nog meer publieke toiletten voor alle geslachten ter beschikking te stellen’.13 Er zou echter geen wettelijke plicht zijn om dat te doen.

RECHTVAARDIGING ONGERECHTVAARDIGD

De redenering van de rechtbank is betwistbaar vanuit discriminatierechtelijke oogpunt. Het mag zo zijn dat de wetgeving niet verplicht tot het plaatsen van toiletten, maar als men beslist om dit niettemin te doen - in het kader van overlastbestrijding of om welke andere reden dan ook - dan mag het aanbod geen afbreuk doen aan het gelijkheidsbeginsel.
Nu lijkt dat laatste het geval, gezien vrouwen paradoxaal genoeg benadeeld worden, wegens het feit dat zij zich niet (of minder) overgeven aan onfatsoenlijk en onwettelijk gedrag. Dat terwijl het onwettige gedrag van mannen juist ‘beloond’ wordt.

Een dergelijke ongelijkheid mag alleen maar als er een legitiem doel mee gediend wordt en als tegelijk de middelen om dat doel te bereiken proportioneel zijn, dat wil zeggen: passend en noodzakelijk. Nu is het voorkomen van wildplassen uiteraard een legitiem doel. Het onderscheid in aanbod tussen mannen en vrouwentoiletten is echter niet noodzakelijk en bijgevolg disproportioneel. Het is immers perfect mogelijk om het vooropgestelde doel te bereiken zonder vrouwen te discrimineren. De stad kon het aantal vrouwentoiletten gewoon optrekken zonder aan het aantal mannentoiletten te raken: 200 urinoirs én 200 vrouwentoiletten. Het enige wat men hier tegen kan inbrengen, is de hogere kostprijs. Dit is echter een zwak argument. Geslacht wordt samen met ras tot de meest ‘verdachte’ criteria gerekend, zoals dat heet, waardoor de rechter zich bijzonder streng moet opstellen. Uit de Europese rechtspraak blijkt dat louter budgettaire overwegingen onvoldoende zijn om direct onderscheid op grond van geslacht (zoals hier) te verantwoorden.14

Daarbij komt dat de stad Gent niet zelf dient op te draaien voor de (hele) kostprijs. Het kan de meerkost van een uitgebreider, niet discriminatoir, toiletaanbod doorrekenen aan de gebruikers. De minst discriminatoire aanpak zou er in bestaan de totale kostprijs van de publieke toiletten gelijk te verdelen over alle gebruikers, de vrouwelijke en de mannelijke. Dit is overigens volledig in overeenstemming met het door de rechtbank aangehangen principe van ‘de vervuiler betaalt’. Was het immers niet juist het wangedrag van de mannen dat de Stad er toe noopte toiletten te plaatsen? In de huidige oplossing is het echter zo dat vrouwen met hun betaalde toiletbeurten financieel opdraaien voor de gratis voorzieningen voor mannen. De wagens met tijdelijke toiletten zijn van dezelfde firma die ook de urinoirs levert: de firma biedt de beide gratis aan de stad aan in concessie, maar mag (enkel) voor de toiletten geld vragen.15

Voor zover de stad vreest dat het betalend karakter van de urinoirs het wildplassen weer in de hand zou werken, is het antwoord dat de stad daar dan strenger tegen moet optreden. Gezien het belang dat het Europees recht en de Belgische Grondwet toekennen aan het principe van de gelijkheid van man en vrouw, mag een publieke overheid niet zomaar kiezen voor de eenvoudigste weg. Het moet steeds de minst discriminatoire oplossing zoeken.

DISCRIMINATIE-INFLATIE?

Bij de totstandkoming van de discriminatiewetgeving maakten sommigen zich zorgen over het feit dat het gelijkheidsbeginsel aan een oeverloze inflatie onderhevig zou zijn. Elke futiele vorm van ongelijkheid zou kunnen worden aangevochten als discriminatie.16 Illustreert deze zaak niet het gelijk van deze kritiek? Als het (niet) plaatsen van toiletten nu al discriminatie oplevert, is het hek dan niet van de dam? Moet het (ge)recht zich echt met zulke zaken bezighouden?

De kwestie is echter fundamenteler dan zij wellicht voor sommigen op het eerste gezicht lijkt. Zoals (wijlen) Koen Raes het treffend verwoordde, schrijvend over deze thematiek: ‘Het gaat hier wel degelijk om een zeer primaire behoefte, ja, een nood, die niet minder belangrijk is dan het recht op voedsel en drank’.17 Raes gaf aan dat men mensen dan ook ‘heel erg diep [kan] kwetsen en vernederen door met die behoefte geen rekening te houden’. Het zou dus ‘allerminst om een frivoliteit’ gaan, integendeel zelfs: het is een kwestie die ‘zelfs onze gezondheid raakt’.18 Voor dergelijke zaken moet het gelijkheidsbeginsel onverkort gelden.

Daar komt nog bij dat de dames van de vzw Plasactie zeker niet direct naar het gerecht gerend zijn. Die stap kwam er pas na jarenlange pogingen om de stad Gent via dialoog en talloze acties te bewegen tot een gelijkwaardiger toiletaanbod. Brieven, gesprekken, demonstraties: alles bleek (grotendeels)19 tevergeefs. De vzw werkte zelfs het ludieke voorstel uit om het discriminerende aanbod in toiletvoorzieningen te ‘compenseren’ door het wildplassen van mannen en vrouwen dan ook anders te behandelen. Namelijk door vrouwen niet of minder te beboeten.20 Voor een overheid die ondanks dat alles niet wil horen, is het recht het geëigende middel om haar te doen voelen.

Jogchum Vrielink
Redactielid Samenleving en politiek en postdoctoraal onderzoeker aan de KULeuven
Stefan Sottiaux
Docent Staatsrecht aan de KULeuven

Noten
1/ Zie bijv. K.H. Anthony en M. Dufresne, ‘Potty parity in perspective: gender and family issues in planning and designing public restrooms’, Journal of Planning Literature 2007, nr. 3, 267-294; M.A Case, ‘Why not abolish the laws of urinary segregation?’, in H. Molotoch en L. Noren (eds.), Toilet: public restrooms and the politics of sharing, New York, New York University Press, 2010, 211-225; J. Plaskow, ‘Embodiment, elimination, and the role of toilets in struggles for social justice’, Cross Currents 2008, nr. 1, 51-64; T.L. Banks, ‘Toilets as a feminist issue: a true story’, Berkeley Women’s Law Journal 1990, nr 2, 263-289.
2/ Asd, ‘Plasoorlog nog niet afgelopen’, De Standaard, 16 juli 2011. In tegenstelling tot wat het artikel suggereert, ging Bashar evenwel niet in beroep tegen het gewezen vonnis, omdat de procedure (enkel) de staking betrof van discriminatie op de Gentse Feesten van 2011.
3/ Zie: www.plasactie.be (doelstellingen).
4/ Ibid.
5/ BS 23 september 2008. Zie ook GwH 16 juli 2009, nr. 123/2009.
6/ Verzoekschrift B. Bashar.
7/ Zie bijv.: P. van Oort en M. van der Vlerk, ‘Altijd in de rij staan. Over het tekort aan damestoiletten in cultuurgebouwen’, Zichtlijnen 2004, nr. 94, 45.
8/ Voorz. Rb. Gent, 14 juli 2011, www.legalworld.be (rechtspraak).
9/ Ibid.
10/ Ibid.
11/ Ibid.
12/ Ibid.
13/ Ibid.
14/ Zie bijv.: HvJ 24 februari 1994, Roks, C-343/92, Jur. 1994, I-571. Zie hierover: D. De Prins, S. Sottiaux en J. Vrielink, Handboek discriminatierecht, Mechelen, Kluwer, 2005, nr. 1258. C. Bayart, ‘Discriminatie in de arbeidsverhoudingen, in D. Cuypers (ed.), Gelijkheid in het arbeidsrecht, Antwerpen, Intersentia, 2003, 16-18.
15/ Gemeenteraad Gent, besluitnr. 2011 GR 00593.
16/ Zie bijv. M.E. Storme, ‘Algemene discriminatiewet leidt onvermijdelijk naar politiestaat’, De Juristenkrant 2002, nr. 57, 4; L. Waelkens, ‘Antidiscriminatie’, De Juristenkrant 2003, nr. 61, 2.
17/ K. Raes, ‘Wateren zonder grenzen. Over de discriminatie van de vrouwelijke plas’, De Morgen, 12 augustus 2002.
18/ Ibid. Bashar zelf gaf, in reactie op de vraag of er niets relevanters te doen valt, het volgende aan: ‘Ja, er zijn vrouwen in Afghanistan die worden gestenigd, die niet naar school mogen... Dat is veel erger dan onze plasproblemen, maar dat is geen reden om niets te doen. Dit is geen banaal probleem. Het gaat hier om mensenrechten. Het is een democratie onwaardig dat we voor zo’n primaire behoefte in de 21ste eeuw nog naar de rechtbank moeten stappen’ (Asd, ‘Plasoorlog nog niet afgelopen’, De Standaard, 16 juli 2011).
19/ De stad stelde vanaf 2007 een beperkt aantal toiletten gratis beschikbaar in reactie op de eisen van de vzw Plasactie. In 2011 ging het om 16 toiletten, op 4 locaties.
20/ Vzw Plasactie, ‘Geen toiletten? Geen boete!’, Persbericht 10 juni 2011, 3 (‘U behandelt op dit moment mensen in gelijke situaties, zijnde in plasnood, op een ongelijke wijze. Het is daarom onverantwoord ze gelijk te behandelen voor wildplassen aangezien ze zich in een ongelijke situatie bevinden’).

rechtspraak - gelijkheid - discriminatie

Samenleving & Politiek, Jaargang 18, 2011, nr. 9 (november), pagina 36 tot 40