Log in

Luc Ferry, voor een godloze spiritualiteit

Figuur in de kijker

Samenleving & Politiek, Jaargang 18, 2011, nr. 9 (november), pagina 49 tot 56

RADICAAL FILOSOFISCH DENKER

Ik probeer hierna een zicht te geven op het denken van Luc Ferry. Over hem is begin 2011 een biografie verschenen, Luc Ferry, l’anticonformiste, gebaseerd op gesprekken met de filosofe Alexandra Leignel-Lavastine. Ik wil echter niet louter een recensie van dat boek afleveren, maar zal ook verwijzen naar zijn werk zelf, vooral naar wat ik beschouw als zijn magnum opus.1 Het interviewboek kan een mooie aanleiding zijn om een aantal van zijn boeken te leren kennen. Zijn recentere werk, waarvan een deel in het Nederlands vertaald is, is zeer toegankelijk. Ik weet niet of dit komt omdat redacteuren het onder handen namen of hij zelf zijn stijl heeft aangepast, maar het leest veel beter dan zijn eerder werk. Dat is typisch Franse kost, lekker maar zwaar op de maag. Er zit wel een lijn in. Zelfs schrijft hij dat hij op een bepaald moment gestopt is met polemiek en zorg ging dragen voor de leesbaarheid. Belangrijke filosofen hebben eigenlijk maar één groot idee. En men ziet Ferry in de loop van de tijd ook telkens weer pogingen doen om zijn idee te formuleren en verder te ontwikkelen. In het vorig jaar verschenen La révolution de l’amour is dat tot een voorlopig hoogtepunt uitgewerkt. De ondertitel zegt al heel veel: ‘Voor een profane spiritualiteit’. Wie geen God heeft hoeft zich niet te bevrijden van spiritualiteit, misschien integendeel zelfs.

Luc Ferry is in elk geval een van de belangrijkste Franse filosofen van dit ogenblik. Hij was op een bepaald moment Minister van onderwijs, maar dat duurde maar twee jaar. Er werd hem opgelegd om te besparen en hij heeft daar zijn tanden op gebroken. Het bracht trouwens niets op, vond hij. Hij heeft vooral ondervonden dat politiek een moeilijke stiel is, onder meer omdat de media politici opjagen als los wild, maar ook omdat hun bewegingsmarge verschrikkelijk klein is. Hij probeerde voor de rest vooral strijd te voeren tegen analfabetisme, dat hij de matrijs voor alle latere mislukkingen noemt.

Als men hem vraagt naar zijn politieke voorkeur antwoordt hij dat hij overal elders dan in Frankrijk sociaaldemocraat zou zijn. Maar hij noemt zich vooral gaullist, iets wat tussen liberalisme en socialisme lijkt te liggen. Alleen hoef je Ferry niet te lezen voor zijn concrete politieke opvattingen, want hij komt niet altijd boven de toogpraat uit. Soms scheldt hij zelfs. Je moet hem echt wel lezen voor zijn filosofische opvattingen. Zijn pleidooi voor een nieuw humanisme is minstens heel aantrekkelijk. Dat hij daarbij van de liefde vertrekt en uiteindelijk heel positief staat tegenover wat vandaag gebeurt met de menselijke verhoudingen is minstens aanstekelijk. Dat hij zonder complexen pleit voor een spiritualiteit zonder God, een godloos spiritualisme, is inspirerend. Hij is inderdaad een anticonformist, maar stel u daarbij geen radicaal politiek denker voor. Hij is een radicaal filosofisch denker, maar dat lijkt me al een goed begin.

FILOSOOF VAN THUIS UIT

Hij verloor dus op een bepaald moment zijn job en kon niet zomaar terug naar de universiteit. Toch wijdde hij zich weer volledig aan de filosofie en werd ongeveer voltijds schrijver. Hij komt overigens uit een gezin met een zeer vruchtbare bodem voor filosofen. Drie van de vier broers Ferry zijn professionele filosofen. Zijn broer Jean-Marc geeft les aan de ULB. Luc Ferry komt zeer zeker uit een bijzonder gezin. Zijn ouders konden niet studeren, maar waren beide met cultuur bezig. Zijn moeder las enorm veel, zijn vader was musicus. Hij was echter vooral autobouwer en autopiloot. Ze leefden op de buiten en hadden het niet breed, maar hun jongens konden gelukkig opgroeien. De school was iets anders, ze werd voor een stuk schriftelijk afgehandeld. Ook in Frankrijk heeft iemand die niet het gewone parcours volgt het moeilijk om de drempel naar de universiteit te nemen. Maar het lukte toch. Interessant is dat vader Ferry in contact kwam met André Malraux en de internationale brigaden. Het heeft Luc Ferry ver gehouden van alle totalitarisme. Via zijn moeder kende hij priester-arbeiders. Hoewel hij vrij vroeg atheïst werd, heeft hun praktijk van naastenliefde een diepe indruk nagelaten. Maar misschien had zij vooral invloed door de dagelijkse spelletjes aan de eettafel, waarmee ze haar kinderen uitdaagde om na te denken over de betekenis van woorden. Eigenlijk is dat de essentie van filosofie.

Vanaf zijn vijftiende geraakte hij in de ban van de echte filosofie. Via zijn broer begon hij aan Kant en andere groten. Hij heeft er jaren over gedaan om ze uiteindelijk te begrijpen, maar dat is nu eenmaal de enige weg. Vertaalwerk was daarbij een uitstekende hulp. Zo heeft hij Kant vertaald in de bekende Pleiade-reeks. En hij schreef in 2006 ook een zeer goed boek over de drie kritieken van Kant. Maar hij heeft vooral ervaren dat filosofie iets tussen wetenschap en literatuur is. Er zit een rationele dimensie achter, maar het is toch iets anders dan experimenteren en deduceren. In tegenstelling met de literatuur heb je ook geen intriges of personages, maar je blijft wel bezig met zingeving en waarden. Finaal is filosofie een zoektocht naar het goede leven, zonder beroep te doen op God of geloof. Het is een lekenalternatief voor de godsdienst. Deze benadering vind je in de zoektocht, die hij zijn ganse latere filosofische leven zal ondernemen. Hij heeft dat onder meer in Vaincre les peurs uit 2006 uitvoerig geargumenteerd.

In 1968 gaat Ferry naar de universiteit, maar het studentenleven valt tegen. Het is helemaal geen feest. Dat heeft men er maar achteraf van gemaakt. De studenten zijn integendeel bloedserieus en dogmatisch. Gebrek aan humor is voor hem de belangrijkste karakteristiek van mei ‘68. Hij bestudeerde gretig het Duitse romantisme en de Griekse presocratici. Hij kreeg een beurs voor Heidelberg, waar hij het werk van Freud en Heidegger leerde kennen, maar ook dieper inging op Hegel, Nietzsche en Kant. Er zijn niet zoveel Franse filosofen die rechtstreeks in het Duits kunnen lezen. Achteraf werd hij leraar, maar hij kon, door het typische Franse universiteitssysteem, aan de universiteit beginnen als politicoloog. Zijn eerste gepubliceerde werk gaat over politieke filosofie. De drie boeken (waarvan één samen met Alain Renaut) zijn tegenwoordig in één verzamelbundel uitgegeven. In 1974 stichtte hij samen met enkele vrienden ‘Le collège de philosophie’, dat vandaag nog bestaat. Het is daar dat de discussie gevoerd werd over het ‘antihumanisme’ waar onder meer Foucault, Deleuze en Derrida op uitkwamen.

REVOLUTIONAIRE STUDENTEN EN KAPITALISTEN: ÉÉN STRIJD

Men moet echt vanuit dat gevecht vertrekken om te begrijpen waar Ferry met zijn profane spiritualiteit op uitgekomen is. In de jaren 1970 waren Martin Heidegger en Friedrich Nietzsche dominant in het Franse intellectuele leven. Zij stelden vragen bij het rationalisme van de Verlichting. Was dat subject dat de wereld naar zijn beeld pretendeerde te vormen wel zo machtig? Wordt de concrete werkelijkheid niet weggedrukt door het waanbeeld dat die werkelijkheid gehoorzaamt aan een bepaald soort rationaliteit? Creëert de mens daardoor geen monster dat hemzelf dreigt te verzwelgen? Van Heidegger beweert Ferry dat hij onvermijdelijk uitkomt op een weigering van een democratische cultuur. Hij heeft in 1988 samen met Alain Renaut Heidegger et les modernes geschreven, over de relatie van Heidegger tot het nazisme. Hoewel hij hem een groot denker blijft vinden, ziet hij toch een rechtstreeks verband. Het was geen toeval dat Heidegger lid werd van de Nazipartij en als rector van de universiteit het regime filosofisch legitimeerde.

Zijn leerlingen concludeerden dat het subject een illusie is. Er is geen plan, er is geen geest, er is geen subject. Michel Foucault had het over het einde van de mens. In 1985 publiceerde Ferry samen met dezelfde Renaut La pensée 68, essai sur l’antihumanisme contemporain. Zij wilden inderdaad aantonen dat de consequentie van dat denken van 68 een antihumanisme is. Wanneer onze ideeën, waarden, overtuigingen en diepe keuzes alleen maar bepaald worden door de omstandigheden dan is het eigenlijk gedaan met de moraal. Daartegenover komen Ferry en Renaut op voor autonomie en vrijheid. Zij werden bij het verschijnen van het boek op een zeer agressieve manier van antwoord gediend. Het is bijna niet te geloven, maar blijkbaar waren die achtenzestigers heel weinig tolerant. Waar zij voor stonden werd zo evident, dat op iedere dissonantie gewelddadig gereageerd werd.

Maar uitgerekend die intellectuelen hebben de weg bereid voor het mondiale kapitalisme. Het is die generatie die ons heeft binnengeleid in de consumptiemaatschappij. Voorwaarde was een ontmanteling, een afbraak, een deconstructie van de traditionele waarden. De bohemiens moesten de traditionele waarden ontmantelen om de massaconsumptie mogelijk te maken. Bohemiens en bourgeois hebben uiteindelijk samengewerkt om kost wat kost te komen tot mobiliteit, permanente verandering en vernieuwing omwille van de vernieuwing. Op alle terreinen gebeurde een nooit geziene deconstructie: muziek, schilderkunst, literatuur, dans, … De traditionele principes van de klassieke cultuur verdwenen. Maar de omwentelingen in het dagelijkse leven zijn nog ingrijpender geweest! Kijk naar het dagelijkse leven in een dorp, vijftig jaar geleden. Kijk naar de situatie van de vrouwen. Kijk bijvoorbeeld hoe oudere generaties zorgzaam omgingen met hun spullen, terwijl de nieuwere ze voortdurend door andere vervangen. Het is geen wonder dat op het eind bohemiens en kapitalisten zich met elkaar verzoend hebben. Moderne kunst wordt bijvoorbeeld door banken en captains of industry gekocht. Dit alles is midden 19de eeuw begonnen met de bohemien. Hij wilde tabula rasa maken met het verleden, de geldende normen en gedragingen en de autoriteiten deconstrueren. Maar die bohemiens waren in essentie de gewapende arm van de ontwikkeling van het mondiaal kapitalisme, het instrument waarmee de consumptiemaatschappij gemaakt werd.

GODLOZE SPIRITUALITEIT

In L’Homme-Dieu ou le sens de la vie, uit 1996, zet Ferry een belangrijke stap in zijn lekenspiritualiteit. Het boek is in het Nederlands vertaald. De auteur vertelt in het interviewboek dat de adoptie van een dochter en later de komst van twee eigen kinderen de doorslag gegeven hebben. Hij heeft daardoor de christelijke liefde ontdekt, l’agapê, de volledig belangloze, niet wederzijdse liefde. Het doet er niet toe of dat kind liefde teruggeeft, men houdt ervan. Het is banaal, alle ouders hebben die ervaring. Maar het was voor hem ook een filosofische ervaring, in die zin dat ze zin geeft, maar ook de vraag naar de eindigheid stelt, want zo’n kind is kwetsbaar. Deze ervaring lag er aan de basis van dat in L’Homme-Dieu de vraag naar het goede leven definitief in het centrum van zijn filosofie kwam. Er is een verwantschap met de esthetische ervaring, waar Ferry ook een paar werken aan wijdde, die verder gaat dan onszelf. Wat schoon is overstijgt op een of andere manier het individu. Maar bij de ervaring van de agapê komt er nog een dimensie bij, met name de bereidheid om mijn eigen leven te geven voor wie ik op die manier liefheb. Ik vind die liefde niet uit, zoals geldt voor schoonheid, waarheid en rechtvaardigheid. Zij overstijgen mij, zij zijn mij van buiten uit gegeven, ook al kan ik hun bron niet exact bepalen. Deze kan men volgens Ferry spiritualiteit noemen, zonder beroep te doen op een God. En wie de grote filosofen goed leest zal dit ook bij hen terugvinden. Met hen vindt men waarden die uitstijgen boven het materiële of biologische leven, in termen van Ferry is dit transcendentie in de immanentie. Je hebt er geen God voor nodig, je moet er integendeel de eindigheid voor als uitgangspunt nemen.

Het allerprilste begin van de godloze spiritualiteit vindt Luc Ferry in de Griekse mythologie en in veel van zijn boeken komt hij terug op het verhaal van Odysseus. Het is een kernstuk van La sagesse des mythes uit 2008. Dit boek is in het Nederlands vertaald onder de titel Beginnen met mythologie, wat we van Griekse goden en helden kunnen leren. Het is een absolute aanrader. Odysseus onderneemt na de Trojaanse oorlog een tienjarige zoektocht naar het goede leven. Hij wil zijn plaats terug opnemen in de Kosmos, want hij gaat er inderdaad vanuit dat iedereen zo’n plaats heeft. Het is helemaal geen zoektocht naar onsterfelijkheid. Integendeel, wanneer de smoorverliefde Calypso hem probeert te verleiden om bij haar op haar eiland te blijven belooft ze hem het eeuwig en jeugdig leven. Hij weigert omdat een eeuwig leven een anoniem leven is. Menselijk leven is gewoon eindig. Onsterfelijkheid is voor de goden. Wanneer hij Achilleus in de onderwereld ontmoet, krijgt hij die boodschap zeer duidelijk mee. Mocht Achilleus kunnen kiezen, hij zou niet meer kiezen voor de eeuwige roem, maar voor het leven van de meest eenvoudige boerenjongen die van de zon kan genieten. Odysseus aanvaardt de dood als een voorwaarde voor een menselijk bestaan. Ferry noemt hem een archetype van een authentieke mens.

Je vindt diezelfde idee van een anti-natuur ook heel uitgesproken bij Pico de La Mirandola. Sartre wist het volgens Ferry niet, maar dat de existentie bij de mens aan de essentie vooraf gaat, is eind 15de eeuw door De La Mirandola exact op die manier uitgedrukt. De mens is fundamenteel anti-natuur, hij laat zich niet opsluiten in historische, familiale, sociale of natuurlijke definities. De mens is niets, valt niet samen met zichzelf, bepaalt zichzelf. De moraal van Kant is gebaseerd op deze mogelijkheid ons te verwijderen van een particuliere natuur. In de 20ste eeuw vindt men de idee terug in de fenomenologie.

NIEUW HUMANISME

Het humanisme van de Verlichting is gebaseerd op de universaliteit van de rechten en op de rede. Het heeft aan de ene kant een missie van bevrijding, een emancipatorische visie. Maar het liet aan de andere kant ook kolonialisme toe. Dit humanisme heeft te maken met de eerste mondialisering, die niets anders is dan de gigantische wetenschappelijke revolutie die in de 16de eeuw begonnen is en in de 18de eeuw geëxplodeerd is in het project van de Verlichting. Voor het eerst hoorde je een discours dat de pretentie heeft te gelden voor de hele mensheid. Voordien had een discours enkel een regionale dimensie. Dat geldt zelfs voor het katholicisme, dat slechts in een kleine uithoek van de wereld verspreid was. Voor de wetenschap zijn de principes overal geldig. Dit ging samen met een gigantisch project van beschaving, met een superieure finaliteit. Kenmerkend was de manier waarop gekeken werd naar de grote aardbeving in Lissabon (1755): de aarde is vijandig, maar dankzij de wetenschap zullen we haar de baas worden. Door de wetenschap zullen we meer vrijheid en geluk verwerven, ook de vrijheid om mij die aarde toe te eigenen. Hier hoort de idee bij dat moraal gebaseerd hoort te worden op het eigene van de mens, zonder dat daar een God moet in tussen komen.

De tweede mondialisering is een ‘val’ in de Bijbelse betekenis van het woord. Ze komt slechts op kruissnelheid in de tweede helft van de 20ste eeuw, wanneer financiële markten instant werken dankzij internet. Het is de val van de Verlichting in een competitie-economie. In die economische strijd valt alle zin en ieder ideaal weg. Er is geen enkele finaliteit meer, enkel een puur mechanische, automatische, anonieme en blinde logica. De geschiedenis verliest radicaal alle zin. Men verliest het gevoel van controle over de wereld. Consumptie wordt een individuele zaak, terwijl zaken op de markt komen die daar tot voor kort niet hoorden: cultuur, politiek, religie. Tragisch is dat het verlies van waarden in het belang is van die ontwikkeling van de blinde concurrentie.
En toch ontwaart Ferry de contouren van een nieuw humanisme. Voor de Middeleeuwen (maar ook daarna nog) werd in Europa niet uit liefde getrouwd. Het huwelijk werd gearrangeerd zonder toestemming van de kinderen. Het ging om het veiligstellen van de familielijn (erfenis). Liefde was (hoogstens) een zaak voor buiten het huwelijk. Men trouwt niet, men wordt getrouwd. Het is een collectieve aangelegenheid waar zelfs het hele dorp bij betrokken is. Het huwelijk uit liefde is een duidelijk en onmiskenbaar gevolg van het moderne kapitalisme. Kapitalisme betekende natuurlijk ellende voor de proletariërs, maar het was toch ook een bevrijding uit de dorpen en van de kerk. Niet de intellectuelen hebben de Verlichting verspreid! De anonimiteit van de stad en een eigen inkomen, hoe karig ook, liet toe om zijn partner vrij te kiezen. Het zijn overigens op de eerste plaats de lagere klassen die daarvan konden genieten. Liefde voor de kinderen en intimiteit zijn vrij recente uitvindingen. Door de liefde krijgt de menselijke persoon een sacrale waarde. En precies daar ligt de geboorte van het nieuwe humanisme. Het heilige zit niet meer in het abstracte, maar in personen (geliefden). Maar dit gaat verder dan de eigen kring. De mensen hebben natuurlijk tekortkomingen, maar ze zijn desondanks de enige wezens waarvoor het de moeite waard is om zijn leven te wagen. Het humanisme van Kant was een humanisme van de natie (de rechten van de mens en de burger) en een humanisme van de kolonisering! Een humanisme van één beschaving (Europa). Na de deconstructie wordt het mogelijk om een nieuw humanisme op te bouwen: een humanisme van de transcendentie van de ander, een humanisme van de liefde. Het voorwerp van mijn liefde is belangrijker dan ikzelf, is buiten mezelf, dwingt me om mezelf te verlaten. En toch is het gevoel in mij. Dat geldt eigenlijk niet alleen voor de liefde, maar ook voor waarheid, rechtvaardigheid en schoonheid. We ontdekken die in onszelf, maar als iets wat ons overstijgt en ons als het ware van buiten gegeven wordt. Dat is het mysterie van de transcendentie.

HET GOEDE LEVEN

Hoe moet men zich dit concreet voorstellen? Wie een antwoord wil op de vraag naar het goede leven moet zeker een onderscheid maken met psychologie of psychoanalyse. Het gaat niet om angsten die te maken hebben met psychologische conflicten, het gaat hem om een existentiële angst. Ook als alle psychologische angst overwonnen is, blijven de existentiële vragen, blijft de vraag naar de zin van het leven en de dood. Het gaat hem ook niet om de moraal, die een zaak is van respect voor de ander. Zich moreel gedragen tegenover iemand komt neer op hem respecteren en hem op een actieve manier goed willen doen. Moraal kan ervoor zorgen dat er geweld of onrechtvaardigheid bestaat. Maar moraal kan er niet voor zorgen dat er geen geliefden sterven of dat we zelf liefdesverdriet kennen of ons simpelweg vervelen. Denk aan Odysseus die niet wil ingaan op het voorstel van Calypso. Het doel van het menselijk leven is voor hem niet de onsterfelijkheid. Juist daar zien we het ontstaan van een godloze spiritualiteit, een leven in overeenstemming met de menselijke conditie, met de andere mensen en met de wereldorde. Er zijn drie criteria voor het goede leven: (1) aanvaarden van de eindigheid; (2) loskomen zowel van het verleden als van de toekomst; (3) in het heden leven. Mensen hoeven niet op de vlucht te gaan voor eindigheid. Eindigheid is een bestaansvoorwaarde. Het leven van een sterfelijke mens is helemaal niet zinloos. De zin ligt niet in een transcendentie die de mens ver overstijgt. Er zijn waarden, morele en esthetische, die de mens te boven gaan en hem richting kunnen geven. Daar is helemaal geen God voor nodig.

Het is een evidentie, maar we durven er niet voor uitkomen: de liefde geeft ons bestaan al zijn zin. Zonder de liefde zou niets voor ons betekenis hebben. Dat zou pas een ontnuchtering van de wereld zijn. Het is moeilijk om in de geschiedenis van de liefde en de familie echt iets nieuws te zien, het is alsof een vis zichzelf van buiten zijn bokaal zou willen bekijken. En toch kondigt zich dat nieuwe aan: een nieuwe figuur van het heilige die langzaam ons bestaan revolutioneert. Dit is een nieuw gezicht van het humanisme. Het heilige is datgene waarvoor we ons leven willen geven. We willen ons leven niet meer geven voor God, het vaderland of de revolutie. Maar eigenlijk is dat goed nieuws, we hoeven daardoor geen heilige oorlogen meer te vrezen. In plaats daarvan willen we onszelf alleen nog opofferen voor mensen van vlees en bloed. Dat maakt een echte herbronning nodig, die een nieuwe wereldvisie opdringt met gevolgen op alle domeinen van ons leven. Een soort Copernicaanse revolutie die van de liefde, de vriendschap en de broederlijkheid de nieuwe sokkel van onze waarden maakt.

In de weigering van Odysseus van de eeuwige jeugd zit de geboorte van een seculiere spiritualiteit. Het is het eerste voorbeeld van een wereldvisie die geen beroep doet op God. Daarmee is niet gezegd dat het voorbeeld helemaal na te volgen is. Odysseus had een project om zich te verzoenen met de kosmische orde. De hedendaagse mens zit in een andere situatie, die vooral te maken heeft met het huwelijk uit liefde en de moderne familie, die vooral een gevolg zijn van het verlaten van de dorpsgemeenschap en het kapitalisme. De hedendaagse mens is minder beschermd tegen het lijden van de rouw. Dat zorgt voor een tragische dimensie. Het geloof aan een hiernamaals is weg. De dood is niet meer publiek, maar weggemoffeld. Het veiligheidsnet van de religie is weg. Het ideaal van Odysseus was kosmisch en niet een ideaal van de liefde. Men leest er ten onrechte een liefdesverhaal in. Liefde bestond natuurlijk wel, maar niet onder de vorm van passie in het dagelijkse en familiale leven. De liefde wordt iets universeels; door de liefde worden alle waarden op een andere manier georganiseerd. De liefde engageert de totaliteit van het menselijk wezen.

BESLUIT

Luc Ferry zoekt een antwoord op de vraag van de filosofie naar het goede leven, zonder beroep te doen op God. Hij bouwt aan een seculiere spiritualiteit. Leven is eindig, sterfelijk. Dat is niet negatief, maar een bestaansvoorwaarde voor de mens. Het eenvoudige feit van te bestaan is geen lijden of verveling, maar vreugde. Je moet wel leren leven in het heden en je niet overgeven aan de tirannie van het verleden en de toekomst. Wie in de realiteit leeft moet het doen zonder God, laat staan dat hij een God zou kunnen worden. Maar dat belet niet dat er toch transcendentie is, een overstijgen van het puur materiële. Dat toont zich het best in de liefde, namelijk in de bereidheid om voor een ander te sterven. Die liefde is recent en opent een perspectief op een nieuw humanisme. Het humanisme van de Verlichting liet nog kolonisering toe. Het nieuwe humanisme aanvaardt niet meer dat gestorven wordt voor abstracte principes. Filosofie is bemiddeling van het leven, niet van de dood. De echte vraag is: hoe te leven met de idee dat een geliefde ons kan ontvallen? Doordat er nog redenen over blijven om lief te hebben! Wat niet vervangbaar is kan niet vervangen worden, maar er kan nieuwe liefde komen of er zijn nog anderen om lief te hebben. Je hoeft niet lief te hebben wat niet lief te hebben valt, maar je mag ook geen valse vertroostingen aanvaarden. Je moet wat niet te vermijden is aanvaarden, in het besef dat de liefde nog altijd in de wereld aanwezig is.

Noot

  1. Ik voeg geen bibliografie toe, want het werk van Ferry is (zeker via internet) zeer gemakkelijk te vinden. Wie het in het Frans leest kan bijna alles in pocketvorm vinden. In mijn artikel geef ik ook geen verwijzingen. Veel van zijn ideeën komen in verschillende boeken terug en dan wordt het wat te ingewikkeld. Ik verwijs meestal naar de titel van een boek en put ook uit vaak uit La révolution de l’amour.

Samenleving & Politiek, Jaargang 18, 2011, nr. 9 (november), pagina 49 tot 56