Log in

'De markt heeft geen hersenen'

Interview met Johan Albrecht (milieueconoom)

De begrotingsvoorstellen van de regering Di Rupo missen groene ambities, zo luidde de kritiek daags nadat een akkoord werd bereikt. Een van de commentatoren die kritische noten plaatste bij het begrotingswerk was de Gentse milieueconoom Johan Albrecht, die pleitte voor een vergroening van de fiscaliteit. Professor Albrecht studeerde aan de universiteiten van Gent en Oxford en behaalde aan de Gentse Universiteit een doctoraat in de milieueconomie. Hij is directeur van het centrum voor milieueconomie en milieumanagement aan de UGent en senior fellow bij het Itinera Instituut. Johan Albrecht is voornamelijk gespecialiseerd in de energieproblematiek. Precies dat wordt de komende jaren een hot item, nu de energieprijzen stilaan de pan uit swingen en de fossiele grondstoffen steeds schaarser worden.

In maart 2009, op het hoogtepunt van de eerste bankencrisis, zei de Amerikaanse Minister van Buitenlandse Zaken Hilary Clinton: "Never waste a good crisis" en ze vertelde tijdens die toespraak ook precies wat ze bedoelde. De crisis kan worden aangegrepen om de klimaatproblematiek en de energieveiligheid aan te pakken. Nu, bijna drie jaar later schiet er van die ambities nog weinig over. De Europese lidstaten hebben zich in een strak keurslijf van louter saneringsoperaties gedwongen en lijken geen enkele aandacht te hebben voor een flankerende investeringsstrategie. De vraag luidt waarom het antwoord op de financieel-economische crisis niet gevonden kan worden in de aanpak van die andere crises, de klimaat- en milieucrisis én de energie- en grondstoffencrisis. "Het fundamentele element is dat onze politici weinig macht hebben", zegt Johan Albrecht. "Als je een ambitieus programma wilt uitvoeren, moet je dat door het parlement zien te krijgen. Alle parlementen zijn momenteel gepolariseerd, waardoor je per definitie zware oppositie krijgt. Obama wéét op voorhand dat hij geen ambitieus energie- en klimaatbeleid door zijn parlement krijgt en begint er gewoonweg niet aan. Ook de kiezer verwacht dat eerst het angstbeeld van een economische meltdown wordt aangepakt. Het momentum is er niet om die grote visies op gebied van milieustrategie radicaal door te voeren. Dat was na WOII tot aan begin de jaren 1970 in de westerse landen wel het geval. Toen maakten onze beleidsmakers radicale keuzes met zekere risico’s, bijvoorbeeld de uitbouw van een chemische cluster. Het radicaal veranderen van onze maatschappij kun je nu moeilijk in de systemen van vandaag bespreken. Eigenlijk zou je moeten beginnen met een wit blad."

Want de conclusie lijkt dat het systeem zichzelf aan het opvreten is?

"Het systeem wil zichzelf niet vernietigen, dat niet, maar het corrigeert zichzelf niet. Elk systeem moet worden gecorrigeerd door een krachtige andere partij, de countervailing powers van econoom John Kenneth Galbraight. Als de overheid dat niet doet, zal het systeem zichzelf niet radicaal herdenken. De markt heeft geen hersenen. Je zou verwachten dat na 2008 de overheden zouden hebben gekozen voor minder risico’s in het financiële systeem, voor een onderscheid tussen retail banken voor particulieren en de zakenbanken, maar daarover is geen akkoord gemaakt. Meer zelfs, daar is nauwelijks luidop over nagedacht."

Waarom is dat niet gebeurd? Het lijkt zo onwaarschijnlijk evident om het wel te doen.

"Omdat het niet eenvoudig is. Het zou bijvoorbeeld betekenen dat alle grote banken terug opgesplitst worden. De banken willen dat niet en kunnen beleidsmakers afdreigen: als jullie ons radicaal willen pakken, geven wij de komende vijf maanden geen kredieten en gaan er duizenden bedrijven failliet. Dat is in 2008 trouwens al door een paar bankiers achter de schermen gezegd. Het risicobankieren aanpakken, betekent dus kiezen voor een harde confrontatie met de financiële sector."

De economen die we in de media horen, lijken in een eng paradigma opgesloten te zitten. Ze stellen oplossingen voor, maar binnen de bestaande systeemgrenzen.

"Je moet een onderscheid maken tussen wat leeft in de economische gemeenschap en de paar economen die dikwijls in de media komen. Er zijn best wel economen die het systeem radicaal willen herdenken. Maar daarvoor heb je een politieke meerderheid nodig. Om aan die systeemproblemen te werken, moet je alles wat wij evident vinden, durven laten vallen. Bijvoorbeeld de depositogaranties. Nu staat de overheid voor 100.000 euro spaargeld borg, maar eigenlijk is dat krankzinnig. Precies omdat de overheid borg staat, geef je aan de banken de boodschap om risico’s te nemen. Als het echt catastrofaal afloopt, dekt de overheid dat toch. Je moet geen mechanismen bij wet in het systeem injecteren die de waarborg en de risicokost bij de overheid plaatsen. We hebben die systeemrisico’s laten escaleren. België heeft garanties gegeven om de komende jaren misschien wel 50 miljard euro te dekken. Als die risico’s zich echt manifesteren, is dat een catastrofe voor onze staatsschuld."

Hebben wij ook geen systemisch probleem met de manier waarop waarde wordt gecreëerd, namelijk op basis van schulden? We hebben de afgelopen decennia zo een gigantische luchtbel gecreëerd van geld dat er in werkelijkheid niet is.

"We hebben niet alleen een virtuele economie gecreëerd, maar daar rond ook nog een hele keten van risicospreiding. In die virtuele economie die de hefboomfondsen hebben gecreëerd, zitten veel verzekeringsmechanismen. Als een bank een riskant product creëert, gaat ze daarvoor een verzekering zoeken bij een verzekeringsorganisatie, die zich op zijn beurt gaat herverzekeren bij een andere instelling. Zo worden al die gekoppelde verzekeringen doorverkocht en krijg je een keten van afgeleide producten."

Is het eigenlijk niet nog idioter om een zeer risicovol product te verzekeren dan er een te maken?

"Zeer zeker. Als u bij een verzekeringsmaatschappij een contract afsluit is er face to face interactie: u moet uw historiek op tafel leggen en wordt gescreend. De financiële rommelproducten zijn echter verzekerd zonder enige face-to-face interactie. Amerikaanse banken kochten duizenden hypotheken van agenten die op commissie werken en gewoonweg zoveel mogelijk willen verkopen. De banken herverzekerden die hypotheken op hun beurt bij andere financiële instellingen en brachten dat pakketje - in stukjes en goed gemengd - naar een ratingbureau. Dat gaf dan een beoordeling, waarop andere banken zich opnieuw baseerden. Die ratingbureau’s hebben niet goed ingeschat in welke mate risico’s gecorreleerd zijn. Het gewicht van slechte kredieten in het totale pakket werd serieus onderschat."

Die ratingagentschappen beoordelen niet alleen de financiële producten die ze zelf maakten, maar ook de eigenaars ervan die vaak in hun eigen aandeelhouderstructuur zitten. De ratingbureau’s maken jaarlijks 2 miljard winst op een omzet van 5 miljard, dat zijn verhoudingen die je in de cocaïnehandel terugvindt, niet in een ernstig bedrijf.

"Er waren zeer zeker mensen die zagen dat het niet klopte. Al in 2004 schreven Duitse economen dat het risico zich accumuleerde en dat er een ongelooflijke bom zat aan te komen. Alleen wist niemand wanneer die zou barsten."

Iedereen zoekt de oplossing in een streng saneringsbeleid. Er lijkt geen ruimte meer te zijn voor een groei- en investeringsstrategie. In een Europese markt waar lidstaten voornamelijk met elkaar handel drijven, komen daar toch problemen van?

"Met saneren alleen kun je die inherente systeemrisico’s van het financiële systeem niet beheersen. We zouden ze duidelijk moeten identificeren en elimineren. Als de banken gewoon hun zin blijven doen, mag de overheid zoveel saneren als ze wil, die risico’s zullen blijven bestaan en gaan zich ooit wel een keer opnieuw manifesteren. Misschien niet de eerste vijf jaar, maar bijvoorbeeld opnieuw tegen 2020."

Die systeemrisico’s zitten ingebakken in ons monetair systeem: je creëert geld met schulden, waardoor je telkens bubbels en dus telkens kleine crashes krijgt. Je kan misschien de frequentie verminderen, maar ze komen steeds terug.

"Je moet het verhaal ook wat breder zien. Wanneer is het interessant om een bubbel te creëren? Als de rente extreem laag is. Als je kan lenen aan 0 of 0,5 procent, kun je van die krankzinnige dingen doen. Als je moet lenen aan 5 procent, ga je twee keer nadenken. Dat is een fundamenteel element. In de VS had je vanaf het jaar 2000 continu een intrestvoet van bijna 0 procent. Ook al groeide de economie niet, het geld bleef spotgoedkoop. Je geeft dan gratis geld aan de financiële sector om mee te spelen. Ook in Europa is die rente veel te laag. Het is niet normaal dat de overheid in haar monetair beleid het nemen van risico’s promoot door geld gratis aan te bieden. Banken nemen nu geld op aan 0,5 procent of 1 procent en lenen het uit aan 4,5 procent voor bijvoorbeeld een hypothecaire lening. Dat is geld verdienen zonder er enige moeite voor te doen. Dat moet worden aangepakt. Geld heeft altijd een kost. Als je daar van afwijkt, lopen er dingen verkeerd. Er zou een engagement moeten komen van de Europese Centrale Bank en de Fed - maar dat gaan de Amerikanen nooit doen - om de rente niet te gebruiken als instrument om artificiële activiteiten een kans te geven. Als we die systeemrisico’s willen aanpakken, is een van de meest elementaire gevolgen dat de rente niet langer zo laag kan blijven. We moeten dat spijtig genoeg aanvaarden."

De EU heeft met haar Europa 2020 een ambitieus programma ontwikkeld, dat nu door de financiële crisis dreigt stil te vallen. Nochtans, als we niet investeren in klimaat en milieu gaat ons dat op termijn veel meer kosten. Hebben we nog wel tijd om dat probleem aan te pakken?

"Het is moeilijk om daar een exact antwoord op geven, omdat we de klimaatsystemen niet volledig kennen en begrijpen. Misschien is het al veel te laat. We willen allemaal een beter en duurzamer energiesysteem. Maar als je het systeem op lange termijn wilt veranderen, moet je rekening houden met decennia en moet je alle componenten van dat systeem tegelijkertijd kunnen veranderen. Ons huidig systeem draait vooral op fossiele energie. In het verleden heeft men gekozen voor een energiesysteem gebaseerd op zeer energiedichte dragers, zoals olie. Dat heeft onze economie de afgelopen honderden jaren enorm laten groeien. De vervanging ervan door een duurzamer systeem, met een lagere energiedichtheid en een vrij jonge technologie waarin relatief weinig is geïnvesteerd, wordt per definitie moeilijk."

De bedrijven die de nieuwe technologie ontwikkelen, doen ook amper aan_ Research and Development (R&D). Producenten van windmolens en zonnecellen investeren tussen de 0,5 en 1,5 procent van hun omzet aan R_&D, terwijl het wereldgemiddelde op 3,5 procent ligt.

"Hernieuwbare energietechnologie is eigenlijk engineering en in dat onderzoeksveld wordt gemiddeld zelfs 7 procent van de omzet in R&D geïnvesteerd. Ook het publieke geld voor R&D blijft zeer bescheiden. De publieke uitgaven voor energie-R&D zijn sinds 1980 sterk gedaald. Dat is krankzinnig. We willen naar een hernieuwbaar systeem evolueren, maar hebben daar de afgelopen 30 jaar weinig in geïnvesteerd. Als we dat nu radicaal willen invoeren, gaat ons dat veel geld kosten. We willen immers een systeem dat vrij efficiënt is, vervangen door iets dat eigenlijk nog niet echt marktklaar is. Er zijn zeker en vast een paar uitzonderingen als het gaat over elektriciteit. Wind op het vasteland is qua investeringskost interessant en vrij betrouwbaar. Maar de grote investeringsgolf qua R&D is nog altijd niet gebeurd. Europa beseft dat goed. In de kaderprogramma’s gaat er meer geld naar energietechnologie. We spreken over de uitbouw van een volledig nieuw systeem, met een smart grid, slimme meters en een andere balanceertechnologie. Dat zijn complexe zaken waarvan bedrijven niet weten wanneer het naar de markt komt of wat de return zal zijn. Daarom zijn ze niet happig om in zo’n riskante projecten te investeren."

Riskant of niet,_ there is no alternative_, om maar eens een populaire slogan te parafraseren.

"Op korte termijn is de makkelijkste manier om het systeem te vergroenen het fossiele systeem efficiënter te maken. Maar ook daar is niet genoeg geïnvesteerd in efficiëntieverbetering. We verspillen nog waanzinnig veel energie. In West-Europa zitten we nog altijd met steenkool- en gascentrales van de jaren 1970. Die draaien met een zeer slecht rendement. Als je een oude steenkoolcentrale vervangt door een nieuwe, haal je uit hetzelfde blok steenkool twee keer zoveel energie. Uit investeringen om het bestaande fossiele systeem efficiënter te maken vallen nog grote winsten te halen."

We steken er dan geld in dat we niet investeren in hernieuwbare energie. En dat zullen we tien jaar later wel nodig hebben.

"Dat klopt. We moeten het allemaal doen. We moeten dat fossiele systeem schoner maken én tegelijkertijd alternatieven ontwikkelen. Het International Energy Agency (IEA) stelt dat R&D-investeringen met een factor 10 moeten stijgen. Dat vraagt een enorme coördinatie. Een van de pijnpunten in de westerse wereld is dat de sector van energietechnologie kampt met een human capital-schaarste. Het is geen sexy richting. Weinig jongeren kiezen voor energietechnologische richtingen aan universiteiten. Alle energiebedrijven hebben grote problemen om genoeg mensen te vinden. De grote Europese technologiebedrijven, zoals Alstom in Frankrijk en Thomson, hebben in de jaren 1980 een nekslag gekregen en zijn nu relatief klein en oud."

In groene economie zit nochtans een geweldig interessant groeipotentieel. Als we er tegen 2050 in slagen om 100 procent hernieuwbare energie te hebben, kunnen zo’n 6 miljoen Europeanen in die sector aan de slag.

"Bovendien kan je in de hernieuwbare energiesector veel laaggeschoolden een jobkans geven. Ik denk dan, als het over biomassa gaat bijvoorbeeld, aan bosbeheer en de keten die dat materiaal verwerkt. Als we de nieuwe technologie marktklaar willen maken, heb je natuurlijk veel hoge skills nodig. In Europa zal er dan toch iets fundamenteel moeten veranderen. Er zou een goede campagne moeten komen om mensen warm te maken voor dat soort studies."

Is het probleem ook niet dat wat we in academische middens ontdekken niet wordt omgezet in productie? De befaamde_ valley of death_, de vallei des doods waar onze briljante ideeën sterven, begint helaas op de universiteit.

"Een van de fouten die in Europa wordt gemaakt, is dat men niet wil dat private bedrijven betrokken worden bij het onderzoekstraject aan de universiteiten. Voor veel onderzoeksprogramma’s van nationale overheden en van de Europese Commissie geldt dat er geen samenwerking mag zijn met private technologiebedrijven. Ik begrijp dat samenwerking met dergelijke bedrijven een concurrentievoordeel kan opleveren, maar anderzijds zijn het wel de grote bedrijven die technologie naar de markt brengen. Er zijn weinig wetenschappers met marktfeeling. In de VS wordt basisonderzoek dat nog ver van de markt staat alleen door universiteiten en grote kennisinstituten gedaan. Maar eens men voelt dat die technologie binnen 5 jaar naar de markt kan worden gebracht, kiest men dikwijls voor publiek-private samenwerking. In het begin draagt dus vooral het publieke budget de kost. Eens de technologie rijp wordt, neemt de private sector het over. Daardoor creëer je een proces dat door bedrijven kan worden voorbereid in een roll-out."

Als de samenwerking tussen het academische veld en het bedrijfsleven inniger wordt, ontwikkel je technologie met publiek geld, maar worden de winsten privé geoogst, luidt de kritiek.

"Weet je wat er nu gebeurt? Nu wordt met publiek geld technologie ontwikkeld. Universiteiten richten dan een spin-off op die na een paar jaar om zeep gaat en vervolgens tegen een belachelijke prijs door de private sector wordt opgekocht. We geven technologie nu gratis weg aan bedrijven, omdat universiteiten dat niet naar de markt kunnen uitrollen. Je kan perfect samenwerken met het bedrijfsleven en vooraf goede afspraken maken over de royaltyverdeling."

Vandaag outsourcen we heel wat productie naar Azië waardoor na een tijd ook de volledige knowhow naar ginder verhuist. Het is dus belangrijk om dicht bij de productie aan vernieuwing te doen.

"Bedrijven zijn geïnteresseerd in de beste combinatie. Ze gaan R&D doen op plekken waar zich de meeste brains bevinden. Europa heeft wat dat betreft veel potentieel. De Duitse autobedrijven blijven sterk in Europa investeren, omdat hun productie nog voor een groot stuk in Europa gebeurt. Bosch, toeleverancier van de Duitse auto-industrie, investeert jaarlijks 4 miljard euro in groene auto-R&D. Dat is meer dan de Europese Commissie en alle nationale overheden samen. Ze hebben innovaties als stop-start-systemen kunnen ontwikkelen omdat ze de elektronica van een motor volledig beheersen. Zulke bedrijven gaan niet zo vlug met hun hele hebben en houden naar Azië vertrekken. Jammer genoeg horen we niet in alle sectoren dat soort verhalen."

In nieuwe sectoren zoals de recyclagesector heb je er toch alle belang bij om je grondstoffen - het afval - hier te houden en hier te verwerken. In de recyclage- en de hersteleconomie zit ook veel potentieel voor tewerkstelling?

"Probleem is dat we ons afval gewoonweg verbranden. Alleen het harde product blijft over, de televisie, de pc. Die recyclagesectoren zijn bovendien heel arbeidsintensief. Het is goedkoper om dat afval naar Azië of Afrika te brengen dan het zelf te recycleren aan de arbeidskost van een ongeschoolde arbeider."

Maar dan ben je je grondstoffen kwijt.

"Tja, de waarde van de grondstoffen weegt waarschijnlijk niet op tegen de zeer hoge arbeidskost. In heel wat westerse landen is laaggeschoolde arbeid zeer duur. Als het rendement niet onmiddellijk superhoog is, exporteert men dat naar landen met een belachelijke arbeidskost."

Innovatie kent grotere successen in het bedrijfsleven als het gepaard gaat met_ social innovation, met de manier waarop bedrijven met mensen omgaan, zeg maar. Daarbij wordt onder meer gewerkt met andere _incentives. Nu krijg je bonussen op basis van economische maatstaven, winst bijvoorbeeld. Maar innovatieve bedrijven geven incentives op basis van maatschappelijke en ecologische inspanningen. Of als werknemers met ideeën aandraven die het bedrijf vooruit helpen.

"Grote Japanse en Amerikaanse bedrijven geven al vanaf de jaren 1970 hun werknemers de mogelijkheid om zelf met projecten af te komen. Ze kunnen dan een deel van de rentabiliteitswinst incasseren. In Europa gebeurt dat principe van innovatie minder. Je moet echter wel een onderscheid maken. In grote bedrijven aan het einde van de productlevenscyclus - dikwijls complexe en rigide oligopoliebedrijven die al 30 jaar hetzelfde doen - zijn de managers aan de macht. Die denken vooral aan kostenminimalisatie en het in stand houden van de cash flow. In dat soort bedrijven is er minder ruimte voor spontane gisting en radicale innovatie. Bij producten die aan het begin van de levenscyclus staan - internettoepassingen, nieuwe materialen, businessmodellen rond toerisme, verzekeringen, noem maar op - zit veel dynamiek. Die markten zijn nog altijd niet echt gesetteld. Daar zitten de entrepreneurs, de mensen met de gekke ideeën. In dat soort bedrijven heb je, per definitie, altijd meer dynamiek. In de BRIC-landen, de groeieconomieën, heb je bovendien nog een andere dynamiek. Daar zijn vele markten nog niet zo gereguleerd en is er meer manoeuvreerruimte."

Een van de kritische succesfactoren in de BRIC-landen is blijkbaar dat die bedrijven in een relatief ongeregeld systeem werken waarbij ze zelf de standaarden zetten en die dan politiek proberen af te dwingen. Daar pleiten innovatieve bedrijven voor strengere milieuwetgeving, terwijl de bedrijven hier op zoek zijn naar de achterpoortjes van de bestaande milieuwetgeving.

"Precies. Strengere regels kunnen nochtans een concurrentieel voordeel bieden. De World Business Council for Sustainable Development - een grote groep multinationals - pleit al lang voor hoge milieufiscaliteit en wil de milieukost internaliseren. Ze zijn klaar, energie-efficiënt en hebben dus een voorsprong op hun concurrenten. Die bedrijven wegen helaas niet genoeg door om dat er politiek door te krijgen."

Steeds meer bedrijfsleiders willen wel strengere milieunormen, maar in het discours van het verzamelde bedrijfsleven hoor je zelden de dissidente stemmen.

"Er bestaat niet zoiets als één bedrijfsleven. Veel bedrijven willen absoluut niet weten van strengere regulering en hogere milieubelasting omdat dat hun huidige rendabiliteit aanvreet. De mensen die in het maatschappelijk debat komen, zijn het VBO en UNIZO. Zij brengen het compromisverhaal. Er zijn echter veel verschillende sectoren, bijvoorbeeld de chemiesector in Antwerpen, die energie-efficiënte producten klaar hebben. Maar het blijkt niet eenvoudig die boodschap continu in de massakanalen te laten doorsijpelen. Hun stem klinkt niet luid genoeg in het algemene discours. Dat komt omdat wij werken met representatieve massaorganisaties. Het VBO kan moeilijk een radicale keuze maken. Ook UNIZO is een zeer conservatieve organisatie die vooral kijkt of er niet meer concurrentie komt."

Mocht u Di Rupo een goede raad kunnen geven, waarop zou u dan de nadruk leggen?

"Voor ons land is een ingrijpende fiscale hervorming het begin van alles. Ons fiscaal systeem is krankzinnig complex. Het is ook niet het meest faire en transparante systeem. We zitten al lang met een zero fiscale druk op de lage arbeidsinkomens. Daardoor is het in vele gevallen interessanter om niet te gaan werken en te opteren voor uitkeringen. Via een fiscale hervorming zou arbeid, zeker van de laag- en de middengeschoolden, meer moeten worden gewaardeerd. Een maatschappij evolueert niet goed als een groot deel van de bevolking niet in arbeidsprocessen kan of wil instappen. Daarnaast pleit ik om alle fiscale aftrekposten een voor een in vraag te stellen en - indien niet essentieel - te schrappen. Wij geven nu voor miljarden fiscale aftrekposten aan de middenklasse en de hogere inkomensklasse. Dat is leuk voor die mensen, maar het is maatschappelijk niet optimaal. Zo krijgen we een tweeledige maatschappij van zij die werken en het goed hebben en zij die niet kunnen of willen werken en het minder goed hebben. Dat geeft spanningen. Ons fiscaal systeem pakt arbeid hard aan en benut andere fiscale basissen onvoldoende."

U pleit voor een verschuiving naar milieufiscaliteit?

"Wat Nederland doet is zeer interessant. De belastingen op milieu zijn er goed voor ongeveer 10 procent van alle fiscale ontvangsten - bij ons is dat amper 5 procent -, de belastingen op arbeid zijn er lager, de laaggeschoolden worden fiscaal minder bestraft en er is een vermogensaangroeibelasting. Ze hebben ook hogere consumptiebelastingen. Daarnaast betalen bedrijven er ook anders belastingen dan hier. In ons land betalen grote bedrijven, met de notionele interestaftrek, zo goed als geen belastingen op hun winst. Dat is niet fair want de beenhouwer op de hoek doet dat wel. Wij laten ons fiscaal systeem echter intact en gaan in de marges wat afstemmen. Wat meer roerende voorheffing, dat soort zaken, maar echte fiscale hervormingen blijken zeer moeilijk. Je zit met die machtige belangengroepen. Als je de hypothecaire leningaftrek of subsidies voor isolatie zou herdenken, krijg je onmiddellijk de vastgoedsector tegen. Fiscalisten zeggen al twintig jaar dat we het fiscale systeem moeten vereenvoudigen, maar het gebeurt niet. Integendeel, er komen elk jaar nieuwe aftrekposten bij. Onbegrijpelijk."

foto's: Theo Beck

Samenleving & Politiek, Jaargang 18, 2011, nr. 10 (december), pagina 52 tot 61