Abonneer Log in

Waarheen met België?

Samenleving & Politiek, Jaargang 18, 2011, nr. 10 (december), pagina 4 tot 14

In een machtspolitieke analyse van de historische en huidige blokkeringen in dit land is er nood aan helderheid van begrippen in evolutie. In dit stuk geven we een overzicht van de schuivende machtsverhoudingen in de regio’s en een aantal gevolgen daarvan op communautair gebied. Daarbij behandelen we drie elementen: de (historische) desintegratie van België, een stand van zaken in 2011 en een analyse van het ‘Vlinderakkoord’ van oktober 2011.

I. DE DESINTEGRATIE VAN BELGIË

Drie points of no return

Er zijn twee contextuele veranderingen die het verloop van ons land diepgaand hebben beïnvloed: de democratisering van het stemrecht (1893, 1919) en de economische machtsverschuiving binnen België. Communautair kan men drie beslissende wendingen onderscheiden:

  1. De keuze voor het territorialiteitsbeginsel rond 1930, de officiële eentaligheid van Wallonië en Vlaanderen, de taalgrens in 1962, Leuven-Vlaams in 1968, het septemberdecreet inzake het bedrijfsleven in 1973, de splitsing van de provincie Brabant in 1994, en, ten slotte, de splitsing van de kieskring BHV, de enige die zich nog over twee taalgebieden uitstrekte, de taalgrens tussen het Brussels Hoofdstedelijk Gewest (voortaan: BHG) en Vlaanderen. Kortom, in de jaren 1930 werd de basis gelegd voor een territoriaal federalisme.
    Er zit een logica in het splitsingsverhaal: ofwel kwam men tot wederkerigheid en gelijkheid, ofwel bood splitsing een uitweg. Dat gold ook voor de ministeries (tweetaligheid van de dienst op basis van eentaligheid van de ambtenaren), voor organisaties uit het middenveld en in 1970 ook voor de keuze in Brussel voor gescheiden gemeenschappen (cultuur, onderwijs, enzovoort). Die optie kan overigens van twee kanten komen: van een zich bedreigd voelende machtsgroep of van een emanciperende beweging.

  2. De splitsing van de drie nationale partijen (1968-1978). Er kwamen er zes in de plaats. Daardoor verdwenen nationale beheersingsmechanismen en de noodzaak tot voorafgaande compromisvorming binnen elke partij. Dat uitte zich steeds meer in gesprekken van gemeenschap tot gemeenschap op zoek naar een gemeenschapspact. Tijdens het formatieberaad en de onderhandelingen kwamen er vergaderingen per taalgroep en een pendelformule. Vandaar dat Karel De Gucht het vergeleek met een vorm van permanente diplomatieke conferentie. Daarin past de discussie over de opportuniteit van een federale kieskring.

  3. In 1993 kregen we rechtstreekse verkiezing van regionale parlementen enregeringen,en dushet ontstaan van concurrentiële politieke elites en van eeninstellingsdynamiek die rationeel en emotioneel tot een grotere identificatie kon leiden: het zich meer Vlaming, Waal of Brusselaar voelen. Er kwam ook een evolutie in de machtsverhoudingen, zoals in de relatie tussen de federale premier en de Vlaamse minister-president.

Het Belgische en Brusselse model na 5 staatshervormingen (1970-2001)

  1. Er werd niet vertrokken vanuit een planmatigconcept, maar vanuit crisissituaties die men pragmatisch pacificeerde volgens de stelregel: ‘we zien wel waar we uitkomen en hoelang het duurt’. Het resultaat is een ingewikkelde staatsstructuur, zij het niet zonder interne logica, maar het geeft wel aanleiding tot het grapje: wie België denkt te begrijpen, heeft het verkeerd uitgelegd gekregen.

  2. De grendelgrondwet van 1970, ter bescherming van de Franstalige parlementaire minderheid, maakte de Vlaamse meerderheid in België ongedaan, maar gaf een minderheid ook de kans om eventueel een meerderheid te gijzelen. In principe werd deze regeling gekoppeld aan een gelijkaardige bescherming van de Vlaamse minderheid in de toenmalige Brusselse agglomeratie.
    Twee strijdvragen waren vanaf het begin aanwezig. Moest het een staatshervorming worden met 2 (Vlaams standpunt) of met 3 (Franstalig standpunt)? Dat leidde tot een creatief en ingewikkeld compromis op zoek naar een evenwicht tussen de vraag naar gemeenschappen enerzijds en gewesten anderzijds en de positie van Brussel daarin. Die tegengestelde standpunten zijn actueler dan ooit, met de vraag welkniveau dan moet inboeten of overbodig wordt: de evolutie naar een gemeenschapsfederalisme of naar een gewestelijk territoriaal federalisme.
    Een tweede kwestie was de wijze van financiering. Dat leidde reeds in 1979 tot een crisis. Tegenover hetVlaamse standpunt ‘No representation without taxation’, het financieren van eigen bevoegdhedenmet eigen middelen, stondhetFranstalige standpunt van dotaties, geïnd door de federale overheid en dan via verdeelsleutels overgedragen aan de regionale entiteiten.Het Franstalige standpunt haalde het, zij het dat het op dat moment nog maar ging om 6% van het nationaal budget en later om 20%. Vanaf 2001 werd dat inzake de gewesten wat bijgestuurd. Het blijft de sleuteldiscussie omdat de Financieringswet (FW) van 1989 de geldstromen regelt. Het belet niet dat de Franstaligen zich via de toen gehanteerde criteria, de ‘Toshiba-periode’, benadeeld voelden en dit lieten corrigeren in 1999 en 2001.

  3. Aan zowat elk communautair compromis ging een crisis vooraf. Dat was ook zo in 1988 en in 1992. Voorafgaand aan dat laatste akkoord hoorde men wederzijds zeer scherpe uitspraken. Vice-premier Philippe Moureaux (PS) dreigde met de ‘institutionele atoombom’. Vlaams minister-president Luc Van den Brande (CVP) liet weten: ‘Als Spitaels (voorzitter van de PS) farewell zegt, zeg ik okay, bye, bye’. Aan beide kanten van de taalgrens werd het Sint-Michielsakkoord van 1992 begroet als een overwinning van het federalisme op het separatisme, dat voor het eerst uit de taboesfeer was gekomen. Een enorme versnelling als men weet dat de idee van federalisme in 1967 nog op de lijst van te volgen staatsgevaarlijke activiteiten stond.

  4. Het verdriet van België. Van oudsher bestonden andere politiekemeerderheden in Vlaanderen dan in Wallonië. Na de regionalisering van de macht hield de PS niet alleen stand in Wallonië (op een korte inzinking in 2007 na), maar ze werd federaal ook incontournable (in 2010 nog steeds 37,6%). De Vlaamse christendemocratie daarentegen zakte van nog 44% in 1978 onder de 20% in 2010. Op zich is deze tegengestelde ontwikkeling reeds een interessante onderzoeksvraag. Voelde de PS zich zeer lang politiek gediscrimineerd in het unitaire België, l’état belgo-flamand, dan voelt de Vlaamse rechterzijde dat nu ook zo aan. Het communautaire heeft dus vele angels. Er bestaan spanningen tussen de gemeenschappen, ook inzake beleidsvraagstukken, maar die worden intern doorkruist omwille van verschillende visies op de maatschappij.

II. NAAR VANDAAG

Vlaams standpunt

  1. Van ‘arm Vlaanderen’ midden van de 19de eeuw tot de economisch sterkste regio in België vanaf 1966/1967, parallel met le déclin wallon. In feite is dat nog heel recent.

  2. Vanaf 1985 begonnen de Vlaamse partijen een duidelijke visie op Vlaanderen te ontwikkelen en vanaf 1991 op Brussel. De vijf resoluties van het VlaamsParlementuit 1999 gaven de contouren aan van hoe men de verdere staatshervorming zag. Ze werden geactualiseerd in de Octopusnotavan de vorige Vlaamse regering (2008) en overgenomen door de huidige Vlaamseregering (2009-2014). Ze binden dus vele Vlaamse partijen in de wens naar nieuwe diepgaande staatshervorming. Wat minister-president Peeters graag een Copernicaanse revolutie noemt. Het begrip is ontleend aan toenmalig premier Jean-Luc Dehaene, toen hij in 1993 verwees naar de mogelijkheden van artikel 35 van de grondwet. Daarbij zou het zwaartepunt moeten verschuiven naar de deelstaten die een lijst zouden maken van wat de federale overheid aan exclusieve bevoegdheden zou behouden. Maar dit is gezien de ingewikkeldheid van de staatsstructuur gemakkelijker gezegd dan gedaan.
    Bij de gewenste nieuwe staatshervorming ging het om bevoegdheden (gezondheidszorg en kinderbijslag, arbeidsmarkt, economische hefbomen) en de financiering. Internbestaan wel grote meningsverschillen over de inkomensvervangende materies (werkloosheid, pensioenen), ook al uit vrees voor de gevolgen van een sociaal-conservatief rechts beleid in Vlaanderen.
    Pièce de résistance is de eis tot meer financiële en fiscale autonomie, het wegwerken van de perverse effecten uit de Financieringswet (FW), zoals de ontwikkelingsval (voordien de inkomensparadox) en de mogelijkheid om een eigen beleid te voeren. Het is de zoektocht naar een evenwicht tussen solidariteit enresponsabilisering omwille van het gevoerde beleid, de overgang van een subsidiëringsfederalisme naar een verantwoordelijkheidsfederalisme met stimuli voor en controle over een efficiënte aanwending van de geldstromen (bonus-malussysteem).

  3. Het Vlaamse model is het ‘twee + twee’ model.
    De Vlaamse regering huldigt twee principiële en samenhangende uitgangspunten. De Belgische staat berust op twee deelstaten (Vlaanderen en Wallonië) en twee deelgebieden met een specifiek statuut (Brussel als ontmoetingsplaats van de twee deelstaten én de Duitstalige Gemeenschap). Volgens dat concept bestaat de Vlaamse Gemeenschap uit de Vlamingen uit Vlaanderen en de Vlamingen uit Brussel.
    Tot voor kort hadden de meeste Vlaamse partijen institutioneel nauwelijksverderover Brussel nagedacht, niet veel verder dan het principe van het cobeheer. De gewenste defederalisering van de kinderbijslag en gezondheidszorg bleek echter moeilijkvan toepassing op Brussel. De verplichte keuze tussen twee taalstelsels via deinvoering van eensubnationaliteitbotste op de multi-etnische realiteit in hetBHG, de taalgemengde en anderstalige gezinnen, de wisselende taalcodes en een Brusselse identificatie. De Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, het samengaan van de Vlaamse ende Franse Gemeenschapscommissie, bevoegd voor het bicommunautaire, bood een uitweg.

  4. Immobilisme en radicalisering.
    De Vlaams-nationalistische partijen hebben separatisme als einddoel en scoorden in 2010 samen 40% van de stemmen, maar het is geweten dat de overgrote meerderheid in Vlaanderen daarvan geen voorstander is. In haar congres van 2001 schoof CD&V vanuit de oppositie op naar het confederalisme, de VLDin 2002. Men moet dat woordgebruik enigszins relativeren. Het gebeurde telkens tegen de wil van het partijbestuur in, die daarin te veel associaties met separatisme zag.
    Links in Vlaanderen heeft geen profijt gehaald uit de ontzuiling en de terugval van CVP/CD&V. Het Vlaamse socialisme, van 1919 tot 1995 de tweede grootste partij met pieken rond 30%, viel in 2010 tot onder de 15% en bleek evenzeer een slachtoffer van de ontzuiling; samen met Groen! scoorde het in 2010 de helft van in Wallonië. Recente analyses, zowel internationaal als nationaal, wijzen op de zwakte van een alternatief verhaal. Inde polarisering met radicaalrechts heeft men te lang te veel thema’s rechts laten liggen. Dat geldt ook voor een eerder wazig communautair profiel, in tegenstelling tot de PS. Men bleek onvoldoende in staat om aan de Vlaamse identificatie een eigen ideologische inhoud te geven. Dat heeft te maken met een gesplitste electorale aanhang, conflicten in het partijbestuur, enzovoort. Twee van de belangrijkste denkers, Norbert De Batselier (‘regionaal internationalisme’) en daarna Frank Vandenbroucke, hadden nochtans tijdig belangrijke aanzetten gegeven. Vooralsnog ontbreekt een grondige wetenschappelijke studie en dat geldt evenzeer voor de attitudes van de hele progressieve linkerzijde.

5 . Om vanaf 2001 de Franstalige communautaire blokkering te doorbreken, sprak men in 2005 van de ‘Herman Van Rompuy-strategie’ en in 2009 van de ‘Maddens-strategie’. Het Vlaams-nationalisme, de N-VA, zou vertrekken van de ‘Baert-doctrine’. Tevens beschikte Vlaanderen over tweefinanciële machtshefbomen: de herfinanciering van het BHG en de relatie van de Vlaamse begroting ten opzichte van een federale begroting in nood (financieel op haar tandvlees, de effecten van de bankencrisis van 2008, de vereiste afbouw van de hoge overheidsschuld, de vergrijzing).

Franstalig standpunt

  1. Voorafgaand: a. HetWaalse socialisme heeft een groot aandeel gehad in de Vlaamse ontvoogding zowelpolitiek als sociaal, meer dan de wetenschappelijk betwiste omgekeerde financiële transfers uit het verleden, althans tot 1914. Bovendien hielp de afgedwongen democratisering van het stemrecht ook de Vlaamse Beweging telkens uit een impasse. Maar rond 1900 ontstonden binnen het Belgisch socialisme reeds grote communautaire spanningen, tot de splitsing van de partij in 1978. Het heeft mee belet dat het Vlaamse socialisme voluit de taalstrijd als aspect van de klassenstrijd heeft kunnen uitspelen. b. Le déclin wallon in de oude industriële horizontale as Luik-Henegouwen was een drama. Recente analyses wijzen echter op de daar aanslepende sociaaleconomischemalaiseen de blijvende hoge werkloosheid, ongunstig in alle parameters vergeleken met andere industriële regio’s in Europa met een gelijkaardig verleden, ondanks de financiële stromen uit Vlaanderen en Europa. Waar in 1980 de verschillen tussen de gewesten nog niet of weinig verschilden, was dat in 2008 niet langer het geval:
  2. Werkloosheidsgraad: Vl 7,4%; Wa 17%, BHG 20%;
  3. Werkgelegenheidsgraad: Vl 68,4%; Wa en BHG zo’n 10% minder;
  4. Transfers vanuit Vlaanderen geschat op zo’n 6,5 miljard euro per jaar; 15% van de Walen leeft onder de armoedegrens; geraamd op 22% zonder transfers.
    c. Ook Franstalige analyses stellen vragen over de medeverantwoordelijkheid van de Waalse politieke elite en vooral van de PS omwille van een intern Waals wafelijzerbeleid ten voordele van ongecontroleerde baronieën, aangescherpt door de overgedragen bevoegdheden in 1989. Een trendbreuk kwam er in 2005 met het Marshallplan onder impuls van Di Rupo, gericht op Wallonië in zijn geheel, gedragen door een nieuwe generatie PS-ers (Demotte, Magnette, Marcourt), waarvan een aantal boegbeelden overigens meertalig zijn, en wat het begin van een economische inhaalbeweging lijkt in te luiden. Nogal wat indicaties en troeven wijzen daarop.

  5. Fases in de Franstalige strategie (1981-2011), met de PS centraal:
    a. Nationaal in de oppositie van1981 tot 1988 plooide de PS terug op het regionale machtsniveau. De partij legde de nadruk op een Waals regionalisme, slokte een groot deel van het Waalse nationalisme op, bouwde aan een Waalse identificatie: de periode Happart (Wallonie, région d’Europe), de latere ministers-presidenten Collignon (1994-1999) en Van Cauwenberghe (2000-2005), Waalse grondwet in 1998 onder de titel Oser être wallon!. Dat leidde tot spanningen met de Brusselse PS, die zich onvoldoende erkend voelde. In 1992veranderde de Franse Gemeenschap in de Communauté Wallonie-Bruxelles.
    b. Vanaf 1988 zat de PS in alle regeringen. Geleidelijk koos het Waalse nationalisme voor een instrumenteel belgicisme dat het best haar belangen diende, zeker na de herfinanciering van het Franstalig onderwijs in 1999als voorwaarde voor de vorming van de paarsgroene regering-Verhofstadt en na Lambermont 2001. De Franstalige partijen wilden van geen verdere staatshervorming weten, waarbij ze alleen maar konden verliezen. Ze werden demandeurs de rien. De koelkastpolitiek rendeerde echter niet.In 2005 en in 2007 lieten ze, naar eigen inschatting achteraf, gunstige momenten passeren. Na de radicalisering in Vlaanderen en de verkiezingsuitslag van 2010konden verdere aanpassingen aan het Belgische model niet langer worden ontweken.
    c. Men had daarop trouwens niet gewacht. Na het einde van de paarse regering in 2007 en het succes van het kartel CD&V/N-VA werden reeds twee scenario’s bestudeerd:

  6. Een defensief Plan A,een strategie van padafhankelijkheid en incrementalisme: zo veel mogelijk het status-quo behouden, maar wel bereid tot grote toegevingen mits die de essentie van het systeem niet zouden aantasten: de perverse effecten van de FW wegwerken, de jaarlijkse transfers zo lang mogelijk veilig stellen, meer verantwoordelijkheid maar zonder verarming, het prille Marshallplan niet hypothekeren.

  7. Een ‘defensief/offensief’ Plan B, een terugvalscenario alsstrategisch antwoord op een Vlaamse wending naar confederalisme of separatisme. Inapril 2008 verscheeneen cruciale nota van twee ministers-presidenten van de PS: Rudy Demotte (van het Waals Gewest en de Franse Gemeenschap) en Charles Picqué (van het BHG). Daarin werd de idee gelanceerd van een Fédération Wallonie-Bruxelles, een nieuwe herinterpretatie van de Franse Gemeenschap als basis voor Plan B. Voortaan zou de Franse Gemeenschap vertrekken vanuit twee volwaardige engelijkwaardige gewesten en zo twee regionale identificaties overkoepelen. Dus geen fusie meer tussen Franse Gemeenschap en Waals Gewest (vooral bij de MR aanhang) en ook geen opheffing van de Franse Gemeenschap door overdracht van de bevoegdheden naar de Gewesten (aanhang bij een deel van de PS), maar als derde weg de uitbouw van een Franstalige biregionale Waals-Brusselse Federatie binneneen Belgische (con)Federatie. Een versterking van ‘België met drie’ als reactieop het Vlaamse ‘twee plus twee’ model.Kon men het gemaakte onderscheid tussen Walen en Franstalige Brusselaars begrijpen (dat zat ook reeds in de vorige aanpassing), potentieel ging het ditmaal om een politieke constructie en het door Vlaanderen gevreesde twee tegen één scenario.
    De idee van de Waals-Brusselse Federatie werdinstitutioneel verankerd door de Franse Gemeenschap voortaan te laten besturen door Waalse Gewestministers en Franstalige Brusselse ministers, die deze functies zouden cumuleren. Het project werd door alle Franstaligepartijen enparlementen gesteund, wat onderlinge meningsverschillen qua bevoegdheidsverdeling niet uitsloot (onderwijs). Tijdens de septemberfeesten van 2011, tevens de 40ste verjaardag van de Franse Gemeenschap, werd het nieuw logo voorgesteld. Het Waals Gewest werd ‘Wallonië’.
    In 2010 en 2011 verwezen kopstukken van de PS nog herhaaldelijk naar Plan B als een Franstalig post-België in geval van boedelscheiding. De partij presenteerde zich nu ook als een biregionale partij steunend op twee regionalismen.
    d. Datzelfde jaar, 2008,verscheen ook een nota van de PS over BHV, een anderaspect van Plan B. BHV werd niet meer louter gezien in functie van de verdediging van de Franstaligen in de Rand, maar vanuit het oogpunt van Vlaams confederalisme of separatisme. Het lot van de zes faciliteitengemeenten moest een scheiding bemoeilijken, terwijl een geografische aansluiting tussen Brussel en Wallonië (de corridor via Sint-Genesius-Rode) noodzakelijk werd geacht. Men bestudeerde wat het internationaal recht bij een scheiding zou zeggen: bleven de zes dan bij het gebied waartoe ze behoorden of vielen ze onder een andere regeling omwille van een bestaand apart statuut.

Botsende modellen

Tegenover het Vlaamse streven naar een Copernicaanse hervorming stonden het Waalse Plan A en Plan B. Dat activeerde de bestaande fundamentele problemen: met 2 of met 3, de aanpassing van de FW, én een oplossing voor BHV. Het onverzoenlijke moest worden verzoend. Na meer dan 4 jaar en bijna 500dagen onderhandelingen lukte het dan toch om tot een akkoord te komen over eenzesde staatshervorming. Aan beide kanten van de taalgrens weet men nu al dat dit niet de laatste zal zijn. Zoals Le Soir reageerde: ‘majeur, complexe, transitoire’, waarbij men Plan B niet uit het oog mocht verliezen. De verlatingsangst zit diep, net als de vrees voor een nog grotere macht van de N-VA na de verkiezingen van 2014. Intussen neemt die partij in Vlaanderen op de rechterzijde vooralsnog een sterke positiein met een combinatie van taalgevoeligheid en sociaaleconomische kritiek.

Op de bredere context gaan we hier niet in: de ‘verbuitenlandsing van de binnenlandse politiek’, de steeds beperktere speelruimte voor nationale staten, de zware budgettaire sanering van zo’n 10 miljard euro in 2012 en zo’n 24 miljard tegen 2015 onder controle van de Europese Commissie, met mogelijkheid tot sancties, de nationalisatie van Dexia, de vereffening van de Gemeentelijke Holding die vooral de begroting van de gewesten bijkomend belast, de verscherpte vraag hoeveel elk niveau waarin gaat bijdragen. Op taalgebied is er de doorbraak van het Engels als mondiale lingua franca en de effecten ervan op de onderwijscurricula.

III. ‘VLINDERAKKOORD’ (OKTOBER 2011)

De zesde staatshervorming is een typisch Belgisch compromis. Ze is niet Copernicaans en niet historisch vanwege te weinig systeemwijziging, maar ze is wel ingrijpend inzake overdracht van bevoegdheden en financiële middelen.

Aspecten communautair akkoord

Vooraf dient nog eens beklemtoond dat men weinig weet van wat achter de schermen is gebeurd en dat het akkoord nog moet worden uitgevoerd. Op het eerste gezicht hebben de Franstalige partijen inzake de FW, de overdracht van bevoegdheden en BHV vooral de schade willen beperken, terwijl zij vooral focusten op de zes, op het BHG, en op de link tussen Brussel en Wallonië.

  1. De nieuwe FW voorziet in een fiscale autonomie van ongeveer 11 miljard euro en een overdracht van bevoegdheid van net geen 17 miljard. Enkele perverse mechanismen zijn verdwenen. Wel blijft discussie over de mate van verantwoordelijkheid. Aan Waalse kant wilde men vooral tijd kopen (opnieuw 10 à 20 jaar). Wie onlangs het uitgebreide interview met vooral Philippe Destatte, de directeur van het Institut Jules Destrée, en ook met Michel Quévit, de éminence grise van de Waalse economen, heeft gelezen, weet dat ondanks het Marshallplan de situatie van de Waalse economie alarmerend blijft in de horizontale as Charleroi-Luik en dat nog dringend structuurhervormingen nodig zijn. De dramatische sluiting van de laatste twee hoogovens in het Luikse door Arcelor Mittal toont dat verder aan. Het succes van de verticale groeipool, vertrekkend vanuit Louvain-la-Neuve (achteraf bekeken noemt men de splitsing van de Leuvense universiteit wel eens het beste wat Wallonië kon overkomen), kan een wat vertekend beeld geven van een regio met twee snelheden. Volgens dezelfde deskundigen moet men ook geen externe zondebokken meer zoeken, maar wel de eigen Waalse handicaps onder ogen durven zien. Dat spoort met de slotconclusie van Jean-Yves Huwart in zijn boek Le second déclin de la Wallonie. En sortir uit 2008.

  2. De kieskring BHV wordt vrij net gesplitst. Meer kritiek is er op de gerechtelijke splitsing. De vraag blijft of pacificatie in de Vlaamse Rand nu mogelijk is. De zes worden verenigd in een apart kieskanton met hoofdplaats Sint-Genesius-Rode en evolueren dus meer naar ‘des communes potentiellement bruxelloises’.
    Een oplossing voor BHV werd gekoppeld aan toegevingen in Brussel, het oude verhaal van de losprijs, de eerdere verfransing van de Brusselse agglomeratie in de diepte en in de breedte in ruil voor de emancipatie van Vlaanderen via taalwetten. Ditmaal verkreeg men een jaarlijkse extra financiering van 461 miljoen euro. Dat was de wens van de hele Brusselse regering in 2008, dus ook van de Vlaamse leden, maar het werd door de Franstalige partijen en in eerste instantie door de PS geforceerd en voorgesteld als compensatie voor BHV. Daarmee werd blijkbaar een historische kans verkeken om dit te koppelen aan een grondige intra-Brusselse vereenvoudiging, wat een efficiënter beleid in een wereldstad mogelijk zou maken. Zowat alle waarnemers noemden hetonder Brusselse partijen gesloten‘Brussel-akkoord’ mager, slechts het begin van een eerste aanzet tot verandering. Waren de 19 baronieën er reeds in 1975 in geslaagd zich buiten de grote fusie van gemeenten in België te houden (van 2359 tot 589), dan zijn ook ditmaal de ingrepen beperkt. Daarbij is eencommunautaire factor nooit ver weg: op gewestelijk niveau staan de Nederlandstaligen immers sterker. Dat frustreert ook vele Franstalige Brusselaars, want die hebben dezelfde alledaagse grootstedelijke problemen. Het verband tussen uitkeringseconomie en politiek cliëntelisme werd nog weinig bestudeerd.
    Brussel is een nagenoeg volwaardig gewest geworden en heeft via de voordien bijna opgedoekte Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie ook gemeenschapsbevoegdheden zoals kinderbijslag en gezondheidszorg gekregen. Dat was een realistische oplossing en een bijsturing van het Brussels model. De oprichting van een Brusselse Metropolitane Gemeenschap verbindt het BHG dan weer met zijn economisch hinterland. Veel zal afhangen van de verdere invulling ervan en de achterliggende agenda’s. Positief is alleszins dat de jongste jaren belangrijke samenwerkingsakkoorden tussen BHG en Vlaanderen zijn gesloten, zoals inzake arbeidsbemiddeling en transregionale mobiliteit.

Het Brussels model ondermijnd?

Een belangrijke doorbraak in de onderhandelingen kwam er toen de voorzitter van CD&V, Wouter Beke, bereid bleek om zonder N-VA te onderhandelen, op voorwaarde dat uit de nota-Di Rupo van 4 juli 2011 de ‘ballast’ werd geschrapt die ‘eenzijdig’ aan zijn voorstellen als koninklijk onderhandelaar waren toegevoegd en die strijdig waren met het Vlaamse regeerakkoord. Het ging enerzijds om het minderhedenverdrag en de federale kieskring, anderzijds om twee maatregelen betreffende het BHG: deafzwakking van de taalwetgeving en tweetalige lijsten.

De taalwetgeving in Brussel, als onderdeel van het Belgisch compromis en daterend van een paar decennia geleden, werd tot nu op vele manieren ontweken en geboycot, hoewel men niet mag veralgemenen.Onlangs verklaarde Vic Anciaux nog dat de controle op de naleving van de taalwetgeving bij de Brusselse regering moest worden weggehaald en naar de federale regering worden overgeheveld. En Bert Anciaux voegde eraan toe dat de Vlamingen wel mooie taalwetten hadden, maar dat die niet werden gehandhaafd (Knack, 28/09/2011). Bij de ontduiking ervan gaat het vaak om dezelfde Franstalige partijen die in de Rand moord en brand schreeuwen, terwijl aan Vlaams/Brusselse kant een zekere gewenning optrad alsook een bepaalde visie op wereldburgerschap. In tegenstelling tot een meertalig discours zoeken Franstalige partijen intussen de officiële tweetaligheid verder uit te hollen. Naar analogie met de ministeries en het BHG, vragen zij nu ook op gemeentelijk vlak de invoering van de tweetaligheid van de dienst op basis van de eentaligheid van de ambtenaren in plaats van een vereiste tweetaligheid, waarna de discussie kan beginnen over quota en werklast... Intussen leidde de splitsing van het gerechtelijk arrondissement BHV tot een verdere verzwakking van de tweetaligheid in Brussel en zijn er opnieuw betwistingen over quota.

In tegenstelling tot gemeentelijke verkiezingen zijn op gewestelijk niveau gesplitste lijsten per taalgroep wettelijk verplicht. Dat is geen toeval. Het gaat terug op de periode 1971-1989 toen de Franstalige partijen de mechanismen ter bescherming van de Vlamingen, als een essentieel onderdeel van het communautaire compromis, wisten te omzeilen via de zogenaamde ‘FDF-Vlamingen’ en daardoor de Brusselse agglomeratie konden ombuigen tot een francofoon beleidsinstrument. Tweetalige, meertalige, lijsten beantwoorden aan een sociologische realiteit, maar het blijkt zeer moeilijk om een sluitende regeling te vinden die nieuwe Flamands de service uitsluit. Dat zou de dubbele meerderheid in het BHG kunnen aantasten, met effecten op de samenstelling van de Vlaamse Gemeenschapscommissie en zo op de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, die o.m. de kinderbijslag krijgt toevertrouwd. Aan Vlaamse kant stort het Brussels model dan in.

Vier cijfers wijzen op de betekenis van de Nederlandstalige aanwezigheid in Brussel: 7% homogeen Nederlandstalige gezinnen (8,6% N/F); zo’n 12% bij de verkiezingen in het BHG in 2009; 20% aanwezigheid in het Nederlandstalig onderwijs; bijna 30% van de Brusselaars geeft aan goed Nederlands te kennen. Het derde cijfer bepaalt mee het vierde. Met 17 op 89 zetels in het Brussels Parlement (19,1%) zijn de Nederlandstaligen goed bedeeld.

Het Nederlandstalig onderwijs ontleent zijn aantrekkingskracht voor een flink deel aan het aanleren van verschillende talen, terwijl in het Franstalig onderwijs het aanleren van het Nederlands vaak te kort schiet, ook tot ongenoegen van Franstalige en andere Brusselaars. Dat heeft met het oog op de arbeidsmarkt niet alleen grote effecten binnen het BHG, maar het problematiseert ook deuitwijking naar de Rand. Die zal overigens nog toenemen. Volgens de jongste prognose zou het aantal inwoners in het BHG tegen 2020 immers nog aangroeien met 240.000 inwoners (tot 1,329 miljoen). In die context kwam het inzake onderwijs (een gemeenschapsmaterie) in het BHG reeds tot bevoegdheidsconflicten tussen de Brusselse en de Vlaamse regering.

Twee dynamieken werken op elkaar in. Een Brussels patriottisme (smalle lijn met nationalisme) wil de multiculturele realiteit en de ontwikkeling van een Brussel-gevoel verder activeren tot een identitair bewustzijn. Het wil dit institutioneel verankeren door het BHG uit te bouwen tot een Brussels Gewest-Gemeenschap, alleen bevoegd voor een op zich aansprekend project van drietalig onderwijs en meertalige lijsten. Dat kan echter niet worden los gezien van de geschetste reële politieke situatie. Men verbergt ook niet dat dit het vertrek zou betekenen van de Vlaamse regering en het Vlaams Parlement uitBrussel. Hoewel het om een ander concept gaat, spoort dit wel met de Franstalige visie op een ‘België met drie’. Twee Waalse ministers-presidenten, in 2000 en in 2008, vroegen zich reeds af of de hoofdstad van Vlaanderen welin een andere volwaardige deelstaat, zijnde Brussel, kon liggen. Daarenboven stelde PS-minister Jean-Claude Marcourt in juli 2011 de vraag of het nog wel betaamde dat de Nederlandstalige minderheid de Brusselse regering kon blokkeren.

Het verschil met vorige staatshervormingen is dat men aan weerszijden van de taalgrens mentaal is opgeschoven naar een alternatief België. Een centraal gegeven daarin is de positie van het BHG, tevens de hoofdstad van België. Strategieën die Vlaanderenuit Brussel weg willen, kunnen evenzeer leiden tot het uiteenvallen van België dan het separatistische discours van het Vlaams-nationalisme. Voor het radicale deel ervan, dat Brussel enkel als een hinderpaal naar de Vlaamse onafhankelijkheid ziet, komt dat niet eens zo slecht uit. Hoe dan ook, Vlaamse partijen zouden zich dieper over Brussel moeten bezinnen dan tot nu het geval is geweest, rekening houdend met de ontwikkeling van een Brusselse identificatie, de voorbijgestreefde idee van cobeheer bijsturen en nadenken hoe ze de sterkhouders van de Nederlandstalige aanwezigheid best kunnen bewaren. Intussen is het bijna 60 jaar geleden dat de Antwerpse burgemeester Lode Craeybeckx (‘Antwerpen laat Brussel niet los’) zijn steun toezegde aan Hendrik Fayat om voor het eerst sinds 1830, en vooral vanaf 1970, moeizaam een later succesrijke Nederlandstalige infrastructuur in Brussel uit te bouwen. Er is nog werk aan het verder uittekenen van een nieuwe ‘Belgische Unie’ sui generis.

Harry Van Velthoven
Doctor in de geschiedenis en emeritus hoogleraar Hogeschool Gent

Dit artikel is de bewerkte neerslag van een afscheidsreferaat op 18 oktober 2011 in het departement Handelswetenschappen en Bestuurskunde van de Hogeschool Gent. Het steunt op het tegelijkertijd verschenen boek: Harry Van Velthoven, Waarheen met België? Van taalstrijd tot communautaire conflicten. Een selectie uit 35 jaar wetenschappelijk onderzoek, K. Celis en J. Van Daele (eds.), Brussel, ASP, 2011, 368 p.

staatshervorming - gemeenschappen - gewesten - Brussel - Vlinderakkoord

Samenleving & Politiek, Jaargang 18, 2011, nr. 10 (december), pagina 4 tot 14