Log in

'Je kunt een doctoraat hebben in economie en nooit weten wat geld is'

Interview met Bernard Lietaer (econoom)

“Nee, als we het vertrouwen van de markten herstellen, lossen we de financiële crisis niet op. Zolang we vasthouden aan de monocultuur van het bankengeld zullen de crisissen terugkeren. Monoculturen zijn immers per definitie instabiele systemen,” aldus monetair specialist Bernard Lietaer. “We zitten nu midden in een wereldcrisis en de gevolgen daarvan zullen nog zeker tien jaar aanhouden. Zolang we geen structurele aanpassingen doorvoeren aan het geldsysteem zullen overheden in de problemen blijven komen en op het einde zal de belastingbetaler de problemen moeten oplossen.” Lietaer voorspelt dat het nog heel wat slechter zal worden.

Bernard Lietaer (1942) wordt wereldwijd erkend als de topexpert inzake monetaire systemen. Van opleiding burgerlijk ingenieur, verdiepte de West-Vlaming zich in 1967-69 aan het Massachusetts Institute of Technology (MIT) in geldsystemen. Lietaer was bij de Nationale Bank van België hoofd van de afdeling organisatie en informatica toen hij mee verantwoordelijk werd voor de ontwikkeling van het convergentiemechanisme Ecu dat de nationale Europese munten moest omzetten naar de Europese eenheidsmunt. Hij was later ook medeoprichter en bestuurder van GaiaCorp, een succesvol monetair managementsfonds dat zijn winsten investeerde in milieuprojecten. Lietaer doceerde internationale financiën aan de Universiteit van Leuven, was docent aan de Sonoma State University en de Naropa University en is tegenwoordig research fellow aan het Centre for Sunstainable Resources van de University of California in Berkeley en gastdocent aan de Finance University van de Russische federatie in Moskou. Hij publiceerde tal van wetenschappelijke artikelen, maar is vooral bekend geworden door de publicatie van The Future of Money in 2000 dat in 18 talen werd vertaald. Het boek richt zich tot een breed publiek en schetst de ontwikkeling van geld en de werking van financiële systemen. In The Future of Money staat Lietaer kritisch tegenover het moderne monetaire paradigma, in het bijzonder tegenover de toepassing van mechanismen van schuld en interest op alle economische activiteiten. Hij stelt voor om het traditionele bankengeld aan te vullen met andere, complementaire munten. Volgens Lietaer kampt het monetaire systeem immers met een indrukwekkende systeemfout. “Er zijn nu vijf artikelen gepubliceerd in peer reviewed journals die wetenschappelijk bewijzen dat de systeemfout de monocultuur van het geldsysteem is,” zegt Lietaer. “Zolang we aan zo een monocultuur vasthouden - met een enkele munt per land - zullen de crisissen terugkomen. Met monocultuur bedoel ik dat de bestaande wetgeving, overal ter wereld, het bijna onmogelijk maakt om een andere munt op te bouwen of om dat spontaan te laten gebeuren. Het monopolie wordt verzekerd door wetten. Wij zijn immers verplicht onze belastingen te betalen in euro’s en uitsluitend in euro’s. Een monocultuur kan zeer efficiënt zijn, maar ze is ook instabiel. Vergelijk het met een wereld waar alleen dennenbomen toegelaten zouden zijn. Dat kan wel efficiënt zijn, maar is ook levensgevaarlijk want een monocultuur van dennen is kwetsbaarder. Een brand of een ziekte zijn voldoende om een verschrikkelijke verwoesting aan te richten. Dat is precies zo op het monetair vlak.”

De kleinste fout doet het volledige systeem ineen klappen?

“Het is inherent aan de structuur. Vele mensen kunnen niet bevatten dat je iets ‘te efficiënt’ kunt maken. Voor hen is efficiëntie altijd positief. Dat is echter maar tot een zeker punt het geval. Kijk, geld is de manier waarop wij energie uitwisselen. We hebben nu, op basis van de algemene systeemtheorie, wetenschappelijk aangetoond dat we met een structureel probleem kampen in het monetaire systeem. In de media lijkt het wel alsof de huidige financiële crisis de eerste crash is sinds lange tijd. De Wereldbank berekende echter dat we sinds 1970 in totaal 421 systeemcrashes hebben gekend. Dat zijn er meer dan tien per jaar. Wanneer zullen we eens beginnen begrijpen dat wij met een systematisch probleem te maken hebben? We horen dikwijls dat het vandaag gelukkig niet zo rampzalig is als in de jaren 1930. Maar ik voorspel je dat wat we de volgende vijf jaar zullen meemaken slechts een variatie zal zijn op wat in de jaren 1930 is gebeurd. De economie zal zich eerst een beetje herpakken en iedereen zal zeggen dat het einde van de crisis in zicht is. En vervolgens zal het weer wat bergafwaarts gaan en men zal spreken over een nieuwe crisis. Maar dat is onzin. We zitten continu in dezelfde crisis. De verschillende crashes - die van 2007 en 2008, die van 2011 - zijn allemaal verschillende symptomen van dezelfde ziekte. We zitten er midden in en het kan nog tien jaar aanhouden. Binnen twintig jaar zullen de crisissen van 2007 en de eurocrisis gezien worden als één geheel en niet als aparte crisissen. De uitdrukking Great Depression werd ook pas in 1955 de beschrijving van de jaren 1930.”

Waar faalt het systeem dan precies?

“We gaan terug naar mijn dennenbos. Dat zal afbranden door een bliksem, een sigarettenpeuk of een stuk glas dat opwarmt door de zon. Maar dat zijn niet de diepere oorzaken van de brand. De zwakte is dat in een monocultuur van dennen een brand te gemakkelijk ontstaat en zich uitbreidt. Het bestaande monetair systeem is even instabiel. Het is een systeem dat geoptimaliseerd werd voor transacties met grote volumes. Dat is ook het grote voordeel van bankengeld. Het concentreert koopkrachtmiddelen en biedt het voordeel om grote dingen te kunnen doen. Met het bankengeld zijn we er in geslaagd de industriële revolutie te verwezenlijken. Dat systeem werkt geweldig goed als je gigantische hoeveelheden geld wenst te concentreren die nodig waren voor industriële ontwikkeling. ”

Het liberale discours probeert ons wijs te maken dat het huidige probleem ligt bij potverterende overheden en dat we dus allemaal moeten bezuinigen.

“Dat is bullshit. Ik zeg niet dat er geen landen zijn die dat niet gedaan hebben, maar de cijfers wijzen uit dat in de volledige Europese Unie de landen tot 2007 hun schulden netjes zagen dalen. Toen kwam de bankencrisis en ging het schuldensaldo van de overheden razendsnel omhoog. Net omdat we een monetaire monocultuur hebben, zijn we verplicht de banken te redden. Mochten we ook gebruik maken van complementaire muntsystemen, zouden we ten minste over een back-up kunnen beschikken. Dan was de schuldencrisis van de banken hùn probleem gebleven. Als er nu iets gebeurt met de banken, is dat catastrofaal voor de overheden.”

Ik krijg steeds meer de indruk dat economie een variant is op de theologie. Je gelooft in een virtuele god van het geld, Mammon. Geloof en vertrouwen zijn het enige wat die god rechthouden.

“Geloof en geld zijn inderdaad hetzelfde. Van zodra mensen niet meer in geld geloven, kan het niet meer gebruikt worden.”

Als we het vertrouwen van de markten herstellen, komt alles weer goed, wordt ons verteld. Is dat zo?

“Neen. We leven met een fantastische brain wash waarin de media een grote rol spelen. Er zijn een aantal fundamentele, impliciete principes in de economie waar je nooit mag aan raken. Paul Krugman vertelde het me in 2002 in Seoul, Korea, persoonlijk: ‘Our MIT professors gave me one piece of advice that I always religiously follow: never touch the money system. If you touch the money system, you end in misery.’ Dàt is het grote taboe. Daar ligt de sleutel van de macht. En vele economen lopen mee in het systeem, bewust of meestal onbewust. Je kunt een doctoraat hebben in economie en nooit weten wat geld eigenlijk is.”

Wat is geld?

“De klassieke definitie - en ik zoek nog altijd naar een handboek waar het anders vermeld staat - luidt: ‘Geld is een betaalmiddel, een waardestandaard en een spaarmiddel’. Dat is echter niet wat geld is. Het is wat geld doet! Mocht er in onze taal geen woord bestaan voor ‘transport’ en we zouden enkel het woord ‘paard’ kunnen gebruiken als we ‘transport’ bedoelen, denk je dat er dan iemand een auto zou uitvinden? Zo gaat het ook met geld. Als je niet precies weet wat het is, kan je niets nieuws ontwikkelen. Geld is in werkelijkheid een akkoord in een gemeenschap over iets dat gestandaardiseerd werd om als uitwisselingsmiddel te gebruiken. Deze beschrijving is fundamenteel anders. Een akkoord kan je immers veranderen. Je kan andere afspraken maken. Maar dan moeten we het eerst met elkaar eens zijn dat geld louter een afspraak is binnen een gemeenschap.”

Geld wordt privé gecreëerd door banken. Leningen scheppen deposito’s. Maar dat geld is grotendeels virtueel. Je moet als bank maar 10 procent of minder bezitten van wat je kan uitschrijven aan leningen.

“Je moet het onderscheid maken tussen een banksysteem en een individuele bank. Als de staat een lening aangaat van 100 miljoen komt dat geld bij de gemeenschap, bij ondernemingen en bij de burgers terecht. Wat doen wij met dat geld? Zo’n 95 procent van die 100 miljoen worden nieuwe deposito’s in een bank. En die nieuwe deposito’s maken nieuwe leningen mogelijk, wat opnieuw hetzelfde mechanisme in gang zet. De potentiële bubbel wordt dus groter telkens er een deposito en een lening gedaan wordt.”

De ratingagentschappen die de kredietwaardigheid controleren, hebben het probleem van de virtuele geldbubbel niet zien aankomen.

“Omdat ze deel uitmaken van de hele structuur.”

Het is toch pervers dat de ratingbureaus eigendom zijn van banken; dat zowel bij S&P als Moody’s dezelfde financiële instellingen in de aandeelhoudersstructuur zitten en dat die ratingbureaus dus hun eigenaars moeten beoordelen.

“De manipulatie van het systeem behoort tot de meest gesofisticeerde ter wereld en is 300 jaar oud. Wie de wetten maakt, is mede verantwoordelijk. In 1971 veranderden Pompidou en Giscard d’Estaing een wet waardoor de Franse regering geen disconto meer kon doen bij haar Centrale Bank. Sinds de oprichting van de Franse Centrale Bank in 1800 was het voor de Franse regering altijd mogelijk om er direct te lenen waardoor ze geen leningen moest aangaan in de privésector. Dat is in 1971 zonder debat gewijzigd. Had men die wet niet veranderd, zou men vandaag in Frankrijk het laagste schuldniveau van Europa hebben, namelijk rond 9 procent van het BNP. Men zou van 27 procent naar 9 procent gegaan zijn. Met die nieuwe reglementering werd dat 60 procent.”

Banken halen vandaag aan een belachelijk lage rente, 1 procent, geld op bij de Europese Centrale Bank en lenen dat vervolgens uit aan overheden aan pakweg 7 procent. Wij geven als gemeenschap miljarden euro’s cadeau aan de banken. Als de banken het vervolgens verprutsen, moeten de overheden hen nog eens redden waardoor ze zelf in budgettaire problemen geraakt.

“Dat is absoluut zo. De wetgeving maakt dat mogelijk. Het is waanzinnig.”

U vindt dat we naast het bestaande systeem ook complementaire muntsystemen moeten invoeren?

“Ik hou me niet meer bezig met het oude systeem. Voor mij is dat een waste of time. Als we aan bedrijven de mogelijkheid zouden geven om onderling een apart betaling- en financieringsysteem te ontwikkelen, zouden ze een schok in het bankensysteem heel wat minder voelen.”

In Zwitserland heeft men zo’n systeem, de Wirtschaftsring-Genossenschaft of WIR. Dat land ligt vlakbij, maar wij weten daar nauwelijks iets over. Hoe werkt dat precies?

“Zelfs vele Zwitsers weten het niet. Ik ben er zelf nog verbaasd over. De jaarlijkse omzet van de WIR is 2 miljard Zwitserse franc. Er zijn ondertussen 65.000 bedrijven - een vierde van alle Zwitserse firma’s - die er aan deelnemen. Het gaat vooral om kleine en middelgrote firma’s die in coöperatieve vorm werken. De leden zijn de baas. We hebben de macro-economische bewijzen dat het de Zwitserse economie stabieler maakt. De WIR werd ontwikkeld in 1934 op een moment waarop nauwelijks nog leningen werden toegestaan aan de bedrijven. De bedrijven ontwikkelden daarop een betaalmiddel dat het mogelijk maakte transacties te doen zonder naar de bank te gaan. Hoe werkt het precies? Als ik u iets verkoop, heb ik een krediet en jij een debet. Als ik mijn krediet kan gebruiken bij een derde persoon en die kan iets verkopen aan een vierde persoon, hebben we met ons viertjes een betaalmiddel gecreëerd.”

Het Commercial Credit Circuit (C3) in Uruguay is een soortgelijk systeem. Maar Uruguay wil als eerste land ter wereld complementaire munten aanvaarden in haar belastingsysteem.

“De C3 is een beter, nieuwer systeem dan WIR, ontwikkeld door een Nederlandse stichting, de Social Trade Organisation (STRO). Het probleem van de WIR is dat ze enkel bruikbaar is bij de 65.000 leden. De WIR is niet convertibel. Je kunt hem dus niet verkopen voor Zwitserse franc, hoewel de waarde dezelfde is. Dat maakt het ook onmogelijk voor de regering om de WIR te aanvaarden voor belastingen, want dan sluiten ze andere leden van de samenleving uit. De C3 in Uruguay is een convertibele WIR, maar de methodologie is helemaal anders. Ze vereist een akkoord met verzekeringsmaatschappijen en met een bank. Kijk, het probleem van een kmo is altijd het werkkapitaal. Wanneer een kmo iets koopt, moet ze cash of binnen 30 dagen betalen. Maar wanneer deze kmo echter iets verkoopt wordt zij pas binnen 90 of 120 dagen betaald. Als je de factuur die betaalbaar is binnen 90 dagen verzekert, zal de verzekeringsmaatschappij betalen als de klant niet betaalt. Binnen het C3-systeem krijgt een kmo voor haar verzekerde factuur meteen een krediet in C3 ter waarde van hetzelfde bedrag. Daarmee kan ze haar leveranciers betalen. Als na 90 dagen de klant betaalt, worden alle eenheden die betaald werden met C3 automatisch omgezet naar nationale munt. Het is dus ingewikkelder maar het biedt meer mogelijkheden dan de WIR.”

Dit zijn complementaire bedrijfsmunten voor werkkapitaal die het probleem van liquiditeit voor firma’s oplossen. Maar je hebt ook sociale complementaire munten die een ander doel dienen.

“Er bestaan ook sociale complementaire munten die geen economische, maar een sociale rol spelen. De meeste sociale munten hebben slechts een kleine economische impact; ze zullen bijvoorbeeld geen jobs creëren. LETS is zo’n typisch sociaal ruilsysteem. Er zijn maar weinig mensen die hun activiteiten met LETS uitvoeren. Het is meer een kwestie van je buren te leren kennen en te helpen. Ik vergelijk sociale complementaire muntsystemen met de haarvaatjes in het bloedsysteem. Ze zijn belangrijk, geven je kleur en houden je warm, maar als je een hartaanval hebt, zullen ze je niet redden.”
“Een van de sleutelaspecten is de rol van belastingen op systemisch vlak. De regering beseft zelf niet dat zij, door alleen maar dat ene type bankengeld te aanvaarden voor de betaling van belastingen, exclusief waarde geeft aan de munt die de banken scheppen. Mocht de regering morgen beslissen dat belastingen betaalbaar zijn in potloden, zouden er na twee maanden nog weinig euro’s gebruikt worden. Waarom zou de regering bijvoorbeeld geen tweede munt creëren en belastingen heffen in dat soort geld, parallel met wat nu gebeurt in euro’s? Een sociale bijdrage, enkel betaalbaar in de door de regering geschapen munt. Die munt kan een aantal problemen oplossen, activiteiten financieren én heeft waarde juist om dezelfde redenen waarom euro’s vandaag waarde hebben. Je kan dit doen in sociale en ecologische domeinen. Zo schep je een parallelle economie. Firma’s blijven zitten in de business van euro’s, maar er zijn veel andere dingen mogelijk.”

Duurzame bedrijven experimenteren met niet-financiële incentives om het personeel opslag te geven. Die zouden bijvoorbeeld in een complementaire munt kunnen worden uitbetaald?

“Jazeker. We kunnen financiële motivatiesystemen en niet-financiële motivatiesystemen hebben. Met dat laatste kun je waarde geven aan iets anders dan de nationale munt door te vragen dat mensen een bijdrage leveren in iets anders. Dat kunnen uren zijn. Als we bijvoorbeeld Brussel willen vergroenen, heeft men de keuze: we werken er twintig uur per jaar aan mee, of we betalen de hoge kost ervan in harde euro’s.”

Bij een crisis bezuinigt men altijd eerst onderaan. Het wordt steeds moeilijker om het loon van mensen met een laag - of een vervangingsinkomen op te trekken. Je zou het inkomen van leefloners kunnen verhogen in een complementaire munt die ze kunnen verwerven door sociale of ecologische arbeid te verrichten. Is dat realistisch?

“Dat kan zeker. Ik zou nog een stapje verder gaan. Een vrouw of een man die zich bezig houdt met de opvoeding van een kind is uitermate sociaal belangrijk, maar dat hebben we nooit gewaardeerd in euro’s. Je kan die waardering uitdrukken in een complementaire munt. In het systeem van complementaire sociale munten zijn er twee manieren om niet mee te spelen. Je kan de kost betalen in harde euro’s. Of je kan, als je onvoldoende complementaire munten hebt, die munten opkopen van iemand, die op die manier zijn of haar complementaire munten omzet in euro’s.”

Het aantal complementaire munten neemt toe, maar de meesten onder ons kennen het systeem niet omdat het allemaal vrij kleinschalig en ‘experimenteel’ is. Als we naar een samenleving gaan die complementaire munten accepteert, moeten we dan bijvoorbeeld in Antwerpen niet dezelfde complementaire munt hebben als in Gent?

“Het hangt van de problematiek af. Waarom zou een complementaire munt in een stadsomgeving omzetbaar moeten zijn? Je kan de munten onder bepaalde voorwaarden convertibel maken, maar het is beter om het gedecentraliseerd te houden. ”

U bent al lang met complementaire munten bezig. Hoewel hun aantal toeneemt worden ze door economen en door overheden nauwelijks aanvaard. Ik zie ook bij heel wat politici een monkellachje verschijnen als het over complementaire munten gaat.

“Het is twaalf jaar geleden dat ik het boek The Future of Money schreef en we zitten nu precies in de situatie die ik toen beschreef. Het is beangstigend. Ik beweerde toen dat we voor geen enkel van de vier megatrends - de veroudering van de bevolking en de onbetaalbaarheid van pensioenen, de werkloosheid, de klimaatverandering en de monetaire instabiliteit - een oplossing hebben binnen het huidige monetaire monopolie. Er zijn wel oplossingen voor ieder van die problemen indien je het paradigma van het monopoliegeld verlaat. Maar ik zie nauwelijks beweging. Uruguay is het eerste land dat twee munten aanvaardt en daarmee werkloosheidproblemen oplost op systematisch vlak. Waar wacht de rest eigenlijk op?”

Waarom is het Uruguay?

“Het moet ergens eerst gebeuren. (lacht) Uruguay had een visionaire president die overtuigd was. Meer dan de helft van hun economie zit in een zwart-grijze markt en de C3 is een manier om de grijze markt over te brengen naar een witte markt. Het systeem is zich nog altijd aan het ontwikkelen. In 5000 jaar geschiedenis van monetaire stelsels heb ik nooit één voorbeeld gezien waar op preventieve manier een verandering op systemisch vlak is gebeurd.”

Het zal moeten gebeuren na een catastrofe.

“De catastrofe van 2007 en 2008 was blijkbaar niet erg genoeg. We zullen nog een zwaardere crisis nodig hebben om iets systemisch te veranderen. Winston Churchill zei over de Amerikanen in WOII: ‘You can always count on the Americans to do the right thing, after having tried everything else.’ De politiek is momenteel everything else aan het proberen. Alles, behalve aan het geldsysteem komen. Want dat zou de banken ongelukkig maken.”

Een van de vier megatrends die u twaalf jaar geleden aanhaalde, is de klimaatproblematiek. We hebben de komende tien jaar 936 miljard nodig om in Europa tegen 2050 naar 100 procent hernieuwbare energie te gaan. Dat geld willen overheden niet investeren. Maar ze hebben wel 1000 miljard veil voor een noodfonds om de euro te redden. Bovendien lachen de markten dan nog eens met dat bedrag. 1000 miljard is te weinig om het vertrouwen te herstellen, maar het is te veel om om te schakelen naar schone energie. Wie is er nu gek?

“Er is in de wetenschappelijke én de bedrijfswereld een consensus dat de overgang naar een post-carbon economie niet alleen noodzakelijk is, maar ook enkel mogelijk is als er massale investeringen gebeuren door de overheden. Maar we doen te weinig. Ik weet niet wat te doen. Ik heb twaalf jaar geleden al voorstellen geformuleerd om tot oplossingen te komen. Ik maak een nieuw rapport met geüpdate versies van eerder gedane voorstellen. Maar ik weet ook niet wat ze nodig hebben om in gang te schieten.”

U lag mee aan de basis van de constructie van de Ecu, het convergentiesysteem om de nationale munt om te zetten in de euro. Welke rol speelde u daar precies in?

“Ik was toen hoofd van het organisatie en computerdepartement in de Belgische Centrale Bank. België kreeg toen het voorzitterschap voor de ontwikkeling van de Ecu. Mijn collega van de buitenlandse diensten was de voorzitter van deze Ecu-werkgroep. Ik stond in voor de technische aspecten. ”

Was het verstandig om naar de euro te evolueren?

“We hadden de euro nodig. Anders was Europa ergens in 1993 of 1994 kapot gegaan. Het probleem van de huidige eurocrisis is ook niet alleen de euro. Het probleem is dat er naast de euro niets anders bestaat. We moeten van een monocultuur naar een ecosysteem. De afschaffing van de euro en een terugkeer naar het oude systeem van een monopolie van nationale munten is te belachelijk voor woorden. Maar nogmaals, er blijkt geen mogelijkheid te bestaan om op andere manieren over muntsystemen na te denken dan in de vorm van een monopolie. Waarom niet de euro aanvullen met zowel een regionale zakenmunt als een sociale stedelijke munt?”
“In de Verenigde Staten heeft Bernie Sanders, onafhankelijk senator van Vermont, geëist en in een sleutelwetgeving verkregen dat de Federal Reserve voor de eerste keer moest tonen hoeveel geld ze uitgegeven hebben om de banken te redden. Dat bleek geen 700 miljard te zijn zoals geschat, maar 16.000 miljard. Dat is meer dan het BNP van de VS, 14.000 miljard dollar. Geen enkel algemene krant heeft die cijfers uitgegeven. In Europa heeft men er zelfs geen idee van wat de redding van de banken in 2008 heeft gekost. Zal men het ooit weten?”

Waar is dat geld naartoe?

“Leningen die aangegaan werden door de banken, zijn nu leningen van de overheid geworden. Er heeft gewoonweg een verplaatsing van de schuld plaatsgevonden. Men heeft het verlies via de overheid aan de burgers gegeven. Van de 421 crisissen die de Wereldbank de laatste veertig jaar heeft geteld, is er niet één waar het niet de belastingbetaler is geweest die de problemen heeft opgelost. Als je over een monopolie beschikt, is dat ook logisch.”

Een complementair muntsysteem om dat geldmonopolie te doorbreken, is volgens u de enige oplossing?

“Ja, indien men het probleem systemisch wil aanpakken en zich niet wil beperken tot symptoombestrijding. Waarmee ik niet wil gezegd hebben dat het voldoende is. Er moeten ook aanpassingen komen aan het bestaande bancaire geldsysteem, maar het veranderen van het geldsysteem is een noodzakelijke voorwaarde.”

Merkel, Sarkozy en Van Rompuy komen ons telkens weer met uitgestreken gezicht vertellen dat ze Europa gered hebben en dat het met de markten nu wel in orde zal komen. Telkens blijkt dat niet zo te zijn.

They are trying everything else, but the solution. Sarkozy zegt dat we harder moeten werken en moeten bezuinigen. Als we in hetzelfde geldsysteem blijven, is dat inderdaad waar we naartoe gaan. Ik voorspel dat het nog heel wat slechter zal gaan. De klimaatverandering, de veroudering van de bevolking met de onhoudbaarheid van de pensioenen tot gevolg, de werkloosheid, de monetaire instabiliteit, de vier megatrends die ik twaalf jaar geleden reeds voorspelde, staan allemaal voor de deur. Het is absoluut niet aangenaam om gelijk te hebben. De oplossingen die twaalf jaar geleden golden, worden steeds minder evident. De klimaatverandering is voor mij de gevaarlijkste van de megatrends. Daar spelen we met een systeem dat op zijn einde loopt. De mensen die ik ken en die met die problematiek bezig zijn, zeggen dat het al te laat is. Game over. De aarde zal niet opwarmen met 2 graden, maar met 4 à 6 graden. Dat betekent dat de hele streek rond de Middellandse Zee een Sahara wordt. Waar gaan die mensen naartoe? De auteur van het eerste rapport van de club van Rome, The Limits to Growth, Dennis Meadows, trok zich reeds terug uit de wereld in een overlevingssysteem. Klein hofje, veel zonnepanelen.”

Hoe snel moeten we een oplossing vinden?

“We zien overal hetzelfde mechanisme. De oligopolie behoudt de status quo. De grote petroleumfirma’s negeren strategisch de klimaatverandering. Ze controleren de productie en weten dat ze in de volgende 20 jaar tien keer meer geld gaan verdienen dan in de laatste 20 jaar. Hetzelfde geldt voor de gezondheidszorg en de farmaceutische industrie. We zitten in een systeem waarin fundamentele veranderingen nodig zijn, maar niet gebeuren omdat de lobby die deze belangen beheert gewoonweg doorgaat én de media controleert. De prognose van de CIA is dat we in de volgende 25 jaar zo’n 75 procent van de mensheid verliezen. We gaan van 7 miljard naar 2 miljard. De man die verantwoordelijk was voor deze studie ken ik persoonlijk. Ook hij verliet het publieke leven en trok zich terug op overlevingsmodus, onafhankelijk van energie, voedsel, op een domein in South Carolina. Maar dat is natuurlijk ook geen oplossing.”

Een groot deel van de middenklasse heeft haar welvaart nog niet echt moeten opgeven. Hoe lang houden we dat vol?

“Ik vrees een volgende schok. Als de euro kapot gaat, zijn alle eurostaten failliet.”

Is de ondergang van de euro realistisch?

“Bij het Ecu werden drie fundamentele voorwaarden vastgelegd. De eerste en belangrijkste voorwaarde was dat het systeem niet mocht veranderen. De geografie mocht wel worden gewijzigd, maar niet het systeem zelf. ”

U wou toen al het systeem veranderen?

“O ja. In het begin van de jaren 1970 werd ik in Latijns-Amerika vaak gevraagd als consultant. Ik had een paar dingen zien gebeuren die ik niet helemaal begreep. In 1975 besloot ik daarom een reverse sabbatical in te lassen. Ik ging drie jaar internationale financiën doceren in Leuven. Gedurende die periode schreef ik een boek waarin ik voorspelde dat in het begin van de jaren 1980 een Latijns-Amerikaanse schuldencrisis zou ontstaan die het ontwikkelingsmodel van het continent in een andere richting zou duwen en die de eerste van velen zou zijn en zich op een andere schaal zou manifesteren. Dat boek verscheen in 1979; de Latijns-Amerikaanse schuldencrisis gebeurde in 1981. Na de publicatie van dat boek werd ik gevraagd voor de job in de Centrale Bank. Ik nam die baan aan omdat ik besefte dat er een structureel probleem bestond op wereldvlak . Ik wenste dus toen al een andere oplossing te vinden. Of tenminste een deur open te laten om andere oplossingen toe te laten.”

In de structuur van het geld zelf?

“Ja, ik wilde iets doen met grondstoffen, de zogenaamde Basket of Commodities. Wij hebben een wereldmunt nodig die volgens mij moet worden geschraagd door de waarde van een korf met de belangrijkste grondstoffen in de wereld. Ik stelde een fully backed munt voor die alleen maar op basis van een inventaris van grondstoffen uitgegeven wordt. Dit zou een complementaire munt zijn die alle internationale schokken zou overleven. Met de negen belangrijkste grondstoffen is de volatiliteit van die korf een vierde van wat het is tussen de grote munten. Er is wel nog altijd volatiliteit, maar vier keer minder. Dat was toen mijn voorstel. Men vertelde me toen dat ik me daar niet mee mocht bezig houden. Maar als we nu zien dat zowel de euro als de dollar met problemen kampen, zou zo’n munt die gedekt wordt door grondstoffen dan niet nuttig zijn?”

foto's: Theo Beck

Meer informatie op http://www.lietaer.com

Samenleving & Politiek, Jaargang 19, 2012, nr. 1 (januari), pagina 50 tot 61