Log in

'Tijd voor een nieuw maatschappelijk manifest'

Interview met Herman Balthazar (ere-gouverneur Oost-Vlaanderen)

“Als er ooit een moment is geweest om de christendemocratische en de socialistische vorm van de sociaaldemocratie te bundelen, zou dat nu moeten zijn. De geesten zouden daarvoor nu gemakkelijker moeten kunnen rijpen”, aldus ere-gouverneur Herman Balthazar die eind 2011 de fakkel van het voorzitterschap van de Stichting Gerrit Kreveld (Bezinnings- en Initiatiefcentrum voor een Sociale Democratie en tevens uitgever van Samenleving en politiek) doorgaf aan professor Rudi Vander Vennet (UGent).

De gewezen gouverneur van Oost-Vlaanderen en professor geschiedenis (UGent) stond aan de wieg van de Stichting Gerrit Kreveld, samen met de toenmalige burgemeester van Brugge, Frank Van Acker, en gewezen nationaal partijsecretaris van de BSP, Gerrit Kreveld. Aanleiding voor de oprichting van de Stichting was de verkoop van de terreinen van Blutsyde in Bredene. Dat centrum voor sociaal toerisme was na de Tweede Wereldoorlog gebouwd met middelen van de Socialistische Gemeenschappelijke Actie (SGA). Sinds de jaren 1960 werd het bijna permanent verhuurd voor zeeklassen. Daar kwam een eind aan toen de christendemocraten de minister van Onderwijs mochten leveren (1988-1992). Daniël Coens (CVP) verbrak het contract met Blutsyde. Voorzitter Frank Van Acker wilde het 23 hectaren grote terrein verkopen en de opbrengst investeren in een nieuw studiecentrum. Maar omdat Van Acker ziek was, vroeg hij Herman Balthazar het voorzitterschap over te nemen en de verkoop te regelen. Het was de vooravond van de Agusta-affaire. En de periode dat het duinendecreet werd goedgekeurd, waarmee de Vlaamse (socialistische) minister van Leefmilieu Norbert De Batselier de laatste duinen van bebouwing wilde redden. Dat alles maakte dat de start van de nieuwe Stichting niet echt van een leien dakje liep, zegt Herman Balthazar. “Ik heb dat voorzitterschap pas aangenomen nadat ik mij juridisch en boekhoudkundig grondig had laten bijstaan. Gelukkig bleek alles koosjer te zijn, waardoor we ook nooit iets met Agusta te maken hebben gehad. Daarenboven was inmiddels een duinendecreet gestemd waardoor heel wat van die 23 hectaren grond plotseling geen bouwgrond meer was.”

Om het duinendecreet te snel af te zijn, kregen nogal wat bouwpromotoren van de Vlaamse diensten de toelating in allerijl betonplaten in de duinen te gieten, waardoor de bouwgrond gegarandeerd was.

“Van afspraken met bouwpromotoren wou ik niets weten. Ik wilde die verkoop eerlijk en transparant laten verlopen. We hebben die terreinen onmiddellijk aangeboden en nadien verkocht aan de toenmalige Administratie Milieu-,- Natuur-, Land- en Waterbeheer (Aminal) van de Vlaamse overheid. Het park rond de hoofdgebouwen werd openbaar groen voor de gemeente Bredene. De oude gebouwen werden gekocht door een promotor, die er privé-vakantiehuisjes bouwde. Toen dat achter de rug was, kon de werking van het nieuwe centrum een aanvang nemen. Ik moest toen een moeilijk gevecht leveren met sommige partijkringen, die van oordeel was dat het geld van Blutsyde hun toekwam. Maar aangezien ik voldoende au-dessus de la mêlee stond, kon ik al die stoten vrij gemakkelijk afslaan. Toen begin 2000 de partij dan helemaal op haar gat zat en geen geld meer kon opbrengen om Samenleving en politiek uit te geven, hebben wij met de Stichting die rol overgenomen. In dezelfde geest. Het is dan ook een Bezinnings- en Initiatiefcentrum voor ‘een’ Sociale Democratie, niet van ‘dé’ sociale democratie of dé sp.a. De opstart van het centrum vond plaats in een periode waarin duidelijk werd dat de grenzen van het sinds 1946 opgebouwde sociaal welvaartsmodel waren bereikt. Bedoeling was met onze Stichting die grenzen af te tasten en bij te dragen aan het behoud van dat welvaartsmodel. Naast, niet tegen, onafhankelijk van, maar aanleunend bij de partij.”

Waar wilde Frank Van Acker initieel met de Stichting heen?

“Eigenlijk hebben we het daar ten gronde niet meer over kunnen hebben. Daarvoor is Frank te snel ziek geworden. Hij wilde in elk geval een denktank oprichten.”

Door het overlijden van Frank Van Acker is de Stichting snel uw kind geworden?

“Een kind dat we met veel groeipijnen geleidelijk hebben zien opgroeien. De vroegere beheerders gingen elke twee maanden in de betere restaurants lunchen om het met bankiers over de beste beleggingen te hebben. Daar was voor mij geen sprake van. Ik was voorstander van een uiterst conservatief beheer, met tachtig procent van de middelen in vast rentende papieren en hooguit twintig procent aandelen. We stelden een externe boekhouder en een revisor aan, en jaarlijks buigt een financieel advies- en controlecomité zich over de rekeningen. Probleem is wel dat we in de loop der jaren nooit extra middelen hebben gevonden. De Stichting heeft geen euro overheidsgeld en ook geen ander privé-geld gekregen. Het kapitaal dat we overhielden aan de verkoop van Blutsyde vormt dus nog altijd de enige financiële basis van onze werking. Dat was tot de financiële crisis van 2008 geen probleem. Sinds 2008 zitten we in woelig water en lijdt iedereen met portefeuilles verlies. Voorlopig is dat voor de Stichting nog geen groot probleem, precies ten gevolge van onze spaarzaamheid.”

Welke inhoudelijke klemtonen werden door de Stichting gelegd?

“Vooral in het begin werkten we op thema’s die de sociale welvaartstaat bijzonder kwetsbaar maken. Migratie is daarvan één van de belangrijkste. Sinds 1998 brengen we experts van het veld samen rond arbeids- en huwelijksmigratie, of de gevolgen van migratie voor het onderwijs. Telkens weer proberen we de analyses van die experts te hervertalen naar een nieuwe sociaaldemocratische aanpak.”

Als u vandaag terugblikt, hebt u dan uw doelstellingen bereikt?

“Ja. Al heeft de Stichting een te smalle financiële basis om als een echte denktank te fungeren. De laatste twee jaar van mijn voorzitterschap ben ik op zoek gegaan naar extra geld. Aangezien dat voor ons op de privémarkt moeilijk te vinden valt, kunnen we dat alleen halen bij de Socialistische Gemeenschappelijke Actie. Maar die SGA bestaat meer in theorie dan in praktijk. Ze kan bovendien niet meer op dezelfde manier met geld omgaan als pakweg twintig jaar geleden. Het ziekenfonds zit in een steeds strakker korset en kan nog nauwelijks geld spenderen. Bij de vakbonden zit het geld bij de grote vakcentrales en daar was er vooralsnog alleen bij de metaalcentrale enige belangstelling voor onze werking. Dat is ook niet toevallig de enige vakcentrale die zich op het communautaire vlak min of meer heeft gesplitst. Want ook al voert onze Stichting het woord ‘Vlaams’ niet in haar titel, we zijn uiteraard wel een studiecentrum in Vlaanderen.”

Er is geen Franstalige tegenhanger?

“Neen. We hebben wel geprobeerd internationale netwerken op te bouwen. Maar ook dat was niet eenvoudig. Na de splitsing van de BSP in 1978 is de PS er in geslaagd om in de traditionele organen van de socialistische internationale aanwezig te blijven, terwijl de SP en later de sp.a op het internationale vlak altijd inefficiënt heeft gewerkt. De mensen die het moesten doen, kregen ofwel geen middelen, of hebben er hun broek aan geveegd. De laatste die met weinig middelen veel heeft gerealiseerd, is Oscar Debunne. En dat is ondertussen al meer dan twintig jaar geleden. De beperkte aanwezigheid van het Vlaamse socialisme in internationale netwerken is voor de Stichting een ernstige handicap. Intussen werken wij nu wel al vier jaar samen met The Foundation for European Progressive Studies (FEPS), een Europees platform van gelijkaardige initiatieven en denktanks. We publiceren ook een Engelstalig jaarboek met daarin de beste artikels uit Samenleving en politiek. Die publicatie gaat telkens gepaard met een groot publiek debat. Als enige sociaaldemocratische familie slagen we erin voor zulke zuiver politieke debatten 250 à 300 mensen op de been te brengen. De voorbije jaren richtten we onze blik vooral op Nederland, waarschijnlijk vanwege mijn realistisch orangisme, dat ik overigens deel met Louis Tobback. Maar we spreken tenslotte dezelfde taal en beschikken samen over instrumenten zoals de Nederlandse taalunie en de Benelux. In het Europa van vandaag geeft samenwerking tussen Vlaanderen en België aan de ene en Nederland aan de andere kant ontegensprekelijk toegevoegde waarde. Die samenwerking staat evenwel onder druk doordat in Nederland de trossen losgeslagen zijn. Daar zijn ze het noorden kwijt.”

Nederland plooit zeer op zichzelf terug.

“Toch heeft de toenadering naar onze noorderburen voor onze Stichting resultaten opgeleverd. We legden goede contacten met de nauw bij de PvdA aanleunende Wiardi Beckman Stichting en met andere denktanks, zoals de Bart Tromp Stichting. Die contacten leiden langzamerhand tot resultaten. Eind januari waren we nog een dag in Den Haag, met in ons zog onder meer Frank Vandenbroucke en Mark Elchardus. Daar discuteerden we met Nederlanders van eenzelfde kaliber, zoals Job Cohen en Ruud Koole. Centraal stond de vraag: ‘crisis van de sociaaldemocratie = crisis van de politieke partijen = crisis van de representatieve democratie?’. Het is onmiskenbaar zo dat de crisis van de sociaaldemocratie in het verlengde ligt van de algemene sociaal-politieke crisis die zich sinds de jaren 1990 in West-Europa aftekent.”

Over het algemeen wordt links in de publieke opinie in de hoek geduwd. Denktanks zoals Itinera noemen zich wel onafhankelijk, maar situeren zich veeleer aan de rechterzijde.

“Ik zou bijzonder graag over wat geld beschikken om te onderzoeken hoe de financiering van Itinera verloopt. Er gaat bijna geen week voorbij of in de kranten lees je over nog maar eens een nieuwe studie van die groep. Het lijkt alsof ze met alles tegelijk bezig kunnen zijn. Dat kunnen wij ons helaas niet permitteren. Links zit in het defensief, zowel financieel, politiek-electoraal als sociaalpsychologisch.”

Heeft u daar een verklaring voor?

“Eind jaren 1950 werd ik militant in de socialistische studentenbeweging. Toen hadden wij vooral last met mensen die zich links van de sociaaldemocratie positioneerden - of dat nu communisten of trotskisten waren - en zich permanent tegen ons, de reformistische verraders van het socialisme, afzetten. Eigenlijk is dat al een constante sinds de oprichting van de derde Internationale in 1919. Toen eind jaren 1990 de trotskisten bijna verdwenen waren en ook het communisme implodeerde, dacht ik dat het moment voor de sociaaldemocratie was aangebroken. Ik heb toen enkele ongelooflijk naïeve uitspraken gedaan. Onder meer dat de sociaaldemocratie van een soort gewetensnood was verlost en eindelijk haar eigen profiel kon opmaken. Helaas is de sociaaldemocratie net daarin niet geslaagd. Dat is vandaag extra jammer omdat de huidige financiële crisis theoretisch gezien ideaal zou moeten zijn voor een sterke profilering ter linkerzijde. Het tegendeel is waar. De crisis van links wordt alleen erger.”

Is dat zo?

“Wat er bij de staking eind januari tussen vakbond en partij is gebeurd, heb ik nooit meegemaakt - noch als historicus, noch als militant. Nieuwsuitzending na nieuwsuitzending, uur na uur, takelden de syndicale initiatieven tegen het pensioenplan af. Voor de eerste keer sprak een partijvoorzitter, de net verkozen Bruno Tobback, zich in de meeste radicale bewoordingen tegen die staking uit. En ik kan hem daar voor een deel in volgen. Maar we moeten goed beseffen dat als ook deze pijler van de linkerzijde begint af te brokkelen, het later dan vijf voor twaalf is. Dan moeten we zowat alles opnieuw gaan uitvinden. En sp.a bevindt zich met 15% van de stemmen nu al op een electoraal dieptepunt.”

Daarmee is ze in het versnipperde politieke landschap vandaag wel nog de tweede of derde partij…

“Bij de nakende sociale verkiezingen vrees ik voor twee fenomenen. Eén: het ABVV zou aan kracht kunnen inboeten. Twee: voor het eerst zal de syndicalisatiegraad dalen. De behoefte en de vanzelfsprekendheid om als werknemer lid te worden van een vakbond is aan het afbrokkelen. Precies die hoge syndicalisatiegraad was sinds 1945 een enorme factor in de sociale geschiedenis. Daarnaast slaagt ook het ziekenfonds er al jaren niet meer in zich een eigen ideologisch profiel aan te meten.”

Het ziekenfonds krijgt steeds meer een commercieel profiel, zegt u.

“Inderdaad, een commercieel consumentenprofiel. De mutualiteit heeft geen eigen profiel meer. Het blad Viva, de opvolger van het voorheen nogal kleurloze blad van de Socialistische Vooruitziende Vrouwen, puilt uit van de reclame voor welnesskuren. Kortom: de redenen waarom de Stichting destijds is opgericht, worden elke dag actueler.”

Wat doe je met het afkalvend ledenbestand bij vakbonden? Moet de linkerzijde proberen om dat met zware middelen terug op een hoger niveau te brengen, of moet de nieuwe generatie ter linkerzijde op een andere manier worden aangesproken?

“Het afkalvend ledenbestand moeten we aanvaarden zoals we het afkalvend ledenbestand van politieke partijen hebben aanvaard. De rol van een politieke partij is niet meer die van een actieve ledenpartij. Dat geldt voor de sociaaldemocratie, maar bij uitbreiding voor om het even welke andere partij. Links zal in de toekomst niet meer op dezelfde wijze aan mobilisatie kunnen doen. Er zullen andere mobilisatiemomenten, -technieken, en -inhouden moeten worden gevonden. Eigenlijk weten we dat we al langer. Als historicus terugkijkend, zie ik dat veranderingspatroon al midden jaren 1960 opkomen. Toen ging alle aandacht naar de vernieuwende stroom onder jonge intellectuelen. Maar feitelijk was de oude socialistische structuur al eerder snel aan het aftakelen gegaan. Begin jaren 1960 kon de BSP nog gemakkelijk 100.000 man op de been brengen om Achiel Van Acker te huldigen. Maar toen hadden de ziekenfondsen die mobilisatiekracht al niet meer. De strijd tegen de dokterstaking midden de jaren 1960 was geen succes. Mutualisten zijn consumenten geworden. Het is een proces dat al tamelijk lang bezig is, maar dat we een beetje aan ons hebben laten voorbij gaan. Nu wordt de situatie erger omdat de verschillende kleine machtspijlers - zowel electoraal, syndicaal, als mutualistisch - in het defensief zijn gedrongen. We moeten bijgevolg dringend nieuwe antwoorden vinden.”

Zegt u nu dat in de jaren 1960 solidariteit heeft plaats gemaakt voor meer individualisme en het daaruit voortvloeiende consumentengedrag?

“Bij de grote groepen zeer zeker. Bij de kleinere, hoogst geschoolde en meest militante groepen niet. Dat heeft zich ook vertaald in wat we toen nieuwe sociale bewegingen zijn gaan noemen. De traditionele sociaaldemocratie had daar in het begin weinig oog voor en vond er moeilijk aansluiting bij. Tot vorig jaar was ik voorzitter van het Amsab-ISG. Dat heette oorspronkelijk ‘Archief en museum van de socialistische arbeidersbeweging’. Ik heb toen, samen met Wouter Steenhaut en zijn fantastisch stafteam, moeten vechten om daar een ‘Instituut voor sociale geschiedenis’ van te maken, dat ook aandacht heeft voor nieuwe sociale bewegingen zoals Oxfam of Artsen zonder Grenzen. Dat is uiteindelijk gelukt. Het is met deze opdracht dat het Amsab-ISG nu moet vechten voor een prominente rol in het Vlaamse Archief- en Erfgoedlandschap. Amsab-ISG en Kreveld Stichting liggen in elkaars verlengde, van gisteren naar de toekomst.”

Ook op politiek vlak is de aansluiting tussen de sociaaldemocraten en de nieuwe sociale beweging er traag gekomen.

“Die aansluiting is er op politiek gebied niet gekomen. En dat is typisch voor Vlaanderen. De sociaaldemocratie stond hier altijd geïsoleerd ten overstaan van de christendemocratische beweging. Die laatste kende een sterke ontwikkeling, naast en tegen de socialistische beweging. Haar krant heette niet toevallig lange tijd Het Volk - antisocialistisch dagblad. Tot vandaag - ik weet dat ik mijn ACW-vrienden daarmee in de gordijnen jaag - leeft er een vorm van atavistisch antisocialisme in de Vlaamse christendemocratie. Je vindt dat ook in bepaalde kringen van Groen.”

Jos Geysels en Mieke Vogels waren daarvan de exponenten.

“Dat zijn mensen uit ACV-kringen. Het lukt nog altijd niet om die groepen naar de sociaaldemocratie te krijgen. Maar met wat nu gebeurd is met het ACV is misschien wel het moment gekomen om daar toch eens op een andere manier tegenaan te kijken. Het ACV heeft, veel meer dan het ABVV en de socialistische gemeenschappelijke actie, de gevolgen van de financiële crisis gevoeld. Er zijn daar miljoenen euro verloren gegaan. Als er ooit een moment is geweest om de christendemocratische en de socialistische vorm van de sociaaldemocratie te bundelen, zou dat nu moeten zijn. De geesten zouden daarvoor nu gemakkelijker moeten kunnen rijpen.”

Ook politiek gezien zal het nodig zijn met partijen die op twaalf à vijftien procent van de stemmen zijn teruggevallen.

“Absoluut. België is op dat vlak een bijzonder atypisch land. Dat de PS electoraal moeiteloos door die crisis komt en het Vlaamse sociaaldemocratisch broertje klop na klop krijgt, is toch een bijzonder merkwaardig verschijnsel.”

Daarbovenop blijven de sociaaldemocraten het over het algemeen wel goed doen in de steden. Nog eens een onderscheid, maar dit keer in Vlaanderen.

“Dat klopt. En ze zullen het vermoedelijk opnieuw goed doen in de steden bij de gemeenteraadsverkiezingen van oktober 2012. Antwerpen is natuurlijk de casus belli bij uitstek. Voor Gent ben ik absoluut niet bang.”

Moeten er publieke initiatieven genomen worden om die groepering van sociaaldemocraten te organiseren? Moet dat achter de schermen gebeuren? Moet daar iemand de leiding nemen, of gaat dat automatisch, met andere woorden door de externe omstandigheden plaatsvinden?

“Het liefst zou ik hebben dat er een aantal bekende koppen zich publiek uitspreken ten gunste van initiatieven die christen- en sociaaldemocratische prominenten in een nieuw maatschappelijk manifest samenbrengen. En dan moet het liefst gaan om andere initiatieven dan de vrome dromen die we al gehad hebben. Je had de oproep tot progressieve frontvorming van Leo Collard in 1961, de operatie Doorbraak van Karel Van Miert in 1980 en het Sienjaal van Maurits Coppieters en Norbert De Batselier in 1996. We leven nu in een mediamaatschappij. Bertolt Brecht schreef in Die Dreigroschenoper: ‘Man siehet die im Lichte, Die im Dunkeln sieht man nicht.’ Je moet dus eerste uit het donker komen. Het zijn de media, alle media die de schijnwerpers in handen hebben. Zo’n initiatief heeft bijgevolg alleen slaagkans als het door de media wordt opgemerkt. Noch De Batselier, noch Coppieters slaagde er met het Sienjaal in om het debat in de media op gang te krijgen.”

Het bleef bij niet veel meer dan een soort boekvoorstelling.

“Zonder politiek effect. Dat had zijn redenen. De media hebben het Sienjaal niet willen opmerken. Maar ook de eigen structuren zelf liepen er niet warm voor en hebben er dan ook niets voor gedaan.”

Zijn de structuren, de zuil achter de partij, nu ook de grootste hinderpaal voor de groepering waarvoor u pleit?

“De zuil speelt nog amper een rol. De vakbond is de sterkste structuur. Maar vandaag is binnen de vakbond de interne strijd tussen mijn vrienden syndicalisten enorm. Dagelijks was ik getuige van felle discussies over hoe vakbondsmensen tegen de algemene staking van 30 januari aankeken. De scheidingslijnen lopen door de structuren, zowel bij het ACV als bij het ABVV. Dat is een totaal nieuw fenomeen. De zuil bestaat dus alleen nog in hoofde van een aantal leidende figuren.”

Wat houdt zo’n samengaan dan tegen?

“Van zodra er structuren zijn, houden die zichzelf in stand. In 1964 werd ik als jong ventje lid van de vrijmetselarij. Enkele jaren ervoor was er een zware discussie binnen de Belgische vrijmetselarij gevoerd. Naast de loge van het Groot-Oosten van België, werd ook de Grootloge opgericht. De reden voor die opsplitsing was al eind jaren 1970 totaal voorbijgestreefd. En toch blijven die structuren bestaan. En dan heb ik het nog niet over de mensen binnen die structuren! Daarom hoop ik dat het prominente figuren zullen zijn die zich uitspreken voor zo’n politieke hergroepering. Mensen met voldoende gezag, die niet in de structuren zelf hun bestaansreden vinden.”

Eigenlijk wisten we al van eind de jaren 1960 dat het mis aan het lopen was, zei u net. Maar de problemen werden niet onder ogen gezien.

“Als ik zeg dat we het wisten, is dat de historicus die de toekomst van het verleden kan voorspellen. Als we alle elementen toen hadden samengebracht, hadden we het kunnen weten. Maar we hebben het niet gedaan. Omdat er voldoende redenen waren om er niet naar te kijken.”

Heeft links nog voldoende contacten met de intellectuelen? Karel van Miert kon in zijn tijd als voorzitter wel jongeren met een heel verscheiden achtergrond overtuigen.

“Karel Van Miert is er als enige figuur in geslaagd om het jongere en hoogst geschoolde deel in Vlaanderen effectief te charmeren en voor de sociaaldemocraten te doen stemmen. Als we kijken naar de peilingen onder studenten van de vakgroep Politieke Wetenschappen van de Gentse Universiteit, is het nu meer dan tien jaar geleden dat de sp.a daar nog goed scoorde. Intussen is het dramatisch slecht geworden. Maar in de jaren 1980, 1990 beleefden we inderdaad een état de grace. Dat is ook ongeveer de enige keer geweest, ongeacht het grote charisma van Frank Vandenbroucke. De sociaaldemocratie heeft nooit echt goed gescoord bij hooggeschoolden. Vlaamse intellectuelen willen desnoods in een vorm van zacht sociaal dienstbetoon nog wel aan een bevordering worden geholpen, maar over hun militantisme maak ik me weinig illusies.”

De intellectuelen zijn niet ontvankelijk voor de boodschap?

“Ze zijn misschien ontvankelijk voor de boodschap, maar om er zelf ook een actieve rol in te spelen, hun mouwen op te stropen en de Kleinarbeit te doen, dat is wat anders. Terwijl we hen absoluut nodig hebben om de juiste analyses te maken en de wederopbouw in gang te zetten.”

Ook tussen de sociaaldemocratie en de Vlaamse Beweging is het nooit echt goed gegaan. Tot het boekje van Johan Vande Lanotte, over een Belgische unie met vier volwaardige deelstaten, kon niemand vermoeden wat het standpunt van de sp.a over de staatshervorming was.

“Dat is een ongelooflijk manco. In de tweede helft van de jaren 1930 was er een korte periode van beterschap. Er was het eerste Vlaams socialistisch congres, een grote Guldensporen-herdenking in 1939… Maar dat is totaal verloren gegaan door de atmosfeer die er heerste onmiddellijk na de Tweede Wereldoorlog. Noch de partij, noch de vakbond heeft op dat punt enige inspanning gedaan om het tij te keren. Terwijl er vanaf 1970 nochtans aanleiding toe was. Vanaf dan hebben wij wel enthousiast meegestemd voor meer culturele autonomie. Het was het begin van twee gescheiden publieke opinies, die met gescheiden onderwijsnetten, gescheiden media en een gescheiden cultuur hun eigen weg zijn opgegaan. Dat was hét moment voor de Vlaamse socialisten om daarin een rol te spelen. We hebben dat niet gedaan doordat we altijd de lijn van mensen zoals Willy Claes hebben gevolgd. Met groot respect voor zijn verdiensten wilde Claes samen met de kameraden van Wallonië de boel altijd en koste wat kost in evenwicht houden. Dat kregen we op den duur uiteraard niet meer aan de publieke opinie verkocht.”

Zijn daar tekenen van beterschap?

“U sprak daarnet over Johan Vande Lanotte. Bij hem is er zeker sprake van beterschap. In zijn goede jaren had Luc Van den Bossche daar ook een duidelijke visie op. Bij de jongere generatie moet dat nog blijken. Maar als links zich uit het moeras wil hijsen, moeten we ook over de staatshervorming een klaar en duidelijk standpunt innemen. En erover communiceren.”

Dan moet het ook gaan over de toekomst van Vlaanderen, en hoe we daar zelf mee omgaan, zegt u. Er wordt snel en vaak gezegd dat we het beter doen. Kijkend naar de Vlaamse overheid, is lang niet iedereen daarvan overtuigd.

“Dat zijn slogans die we net niet moeten overnemen. Vlaanderen doet het niet per definitie beter. Bovendien kan het snel keren. Vandaag lezen we in De Morgen: ‘Vlaamse handelsbalans duikt diep in het rood’. Als we lang in het rood duiken, is onze grote voorsprong - de export - op minder dan tien jaar weg. Ons zelfvertrouwen kan dus snel omslaan. Wat echter niet meer zal keren, zijn de gerealiseerde staatshervormingen. Gewesten en gemeenschappen hebben een steeds groter deel van de staatsmacht in handen. Dat proces is onomkeerbaar en dus moeten de sociaaldemocraten daar ook mee bezig zijn.”

Draait het in het communautaire dossier in essentie niet altijd om Brussel?

“Daar ben ik waarschijnlijk een naïef man en sta ik misschien te alleen, maar we mogen absoluut niet toelaten dat de ruzie die nu bij de Waalse socialisten woedt over Wallonie-Bruxelles nog aanwakkert. De Franstaligen moeten dat concept absoluut loslaten. Veel beter is, Wallonie et Bruxelles, én Vlaanderen en Brussel. We moeten hoe dan ook in een sterker Brussel als Vlamingen aanwezig blijven. Ik ben oprecht blij dat Luc Vandenbrande - als Mechelaarnota bene - zijn raad van beheer heeft kunnen overtuigen om met de VRT in Brussel te blijven.”

Brussel zou een project voor de linkerzijde kunnen zijn? Veel Vlaams-nationalisten laten in het diepst van hun gedachten Brussel varen, vanwege een grote stad met niet alleen veel Franstaligen, maar voor hen nog veel erger, veel buitenlanders.

“Ik zou zeer graag zien dat Brussel een project van de linkerzijde is. Daar valt zeker wat mee te doen.”

Terug naar de samenwerking met Nederland. Het is vreemd: hoe meer Europa er komt, hoe minder samenwerking en uitwisseling er is tussen Vlaanderen en Nederland. Of vergis ik mij?

“Ik denk dat u zich vergist. Er wordt op ontzettend veel niveaus samengewerkt. Op cultureel vlak, op het terrein van wetenschap, onderwijs, grensoverschrijdende contacten onder politie en brandweer... Alleen, het leeft niet meer in Den Haag en nog heel weinig in Brussel. Onze gemeenschappelijke profilering in de Europese Unie wordt bemoeilijkt door het groeiende natiestaat-denken, en dus anti-Europese denken, in Nederland. Maar ook dat kan snel veranderen.”

Tot slot. De provincies worden andermaal geviseerd. Hoe kijkt u daar als gewezen gouverneur naar? Hebben de provincies toekomst? Of gaan ze voor de bijl in een interne, Vlaamse staatshervorming?

“(zucht) De provincie is altijd een dubbel begrip geweest. Er is de provincie als een autonoom politiek onderdeel van de politieke staatsstructuur, met provincieraadsverkiezingen en een deputatie. En er is de provincie die een instrument is van de centrale staat en een aantal taken verricht. Dat evenwicht is tot de jaren 1970 ongeschonden gebleven. Het deel autonome provincie was voor de fusie van gemeenten (1976) uiterst smal, het deel toegewezen opdrachten erg groot. De provincies waren noodzakelijk voor de toegewezen opdrachten ten overstaan van al die kleine lokale besturen. Sindsdien is er veel veranderd. In plaats van één België kwamen er verschillende regio’s en gemeenschappen met een eigen administratieve en wetgevende structuur. En er was de fusie van gemeenten. Op dat ogenblik had men de provincies onmiddellijk ingrijpend moeten aanpakken. Maar de discussie heeft niet meer opgeleverd dan de slogan dat de provincies moesten worden afgeschaft, zonder dat daarvoor argumenten of financiële berekeningen werden aangereikt. Van de weeromstuit hebben de provincies zichzelf in die overlevingsstrijd opgeblazen. Zonder dat daar institutioneel aanleiding toe was, hebben ze zich veel belangrijker gemaakt. Maar goed, de discussie over het voortbestaan van de provincies blijft sluimeren. Al wil ik altijd graag een soort examen afnemen van om het even welke parlementair om zijn kennis over de provincie te testen. Ze zullen allemaal gebuisd zijn.”

U neemt nu afscheid van dit huis. Doet u dat iets?

“Meestal neem ik volledig ontslag. Maar in dit geval heb ik met mijn opvolger Rudi Vander Vennet afgesproken dat ik nog in de Raad van Bestuur blijf zetelen. Voor de rest moet ik zeggen dat ik nooit erg bang ben geweest voor het zwarte gat. Aan alles komt een eind. Ik heb nog ongelooflijk veel plannen, die tot nu toe allemaal in duigen vielen doordat ik nog te veel andere dingen te doen had.”

Uitgestelde plannen.

“Ik wil al een tijd twee dagboeken uitgeven over het begin van de Eerste Wereldoorlog. Omdat we binnenkort la grande guerre herdenken en omdat ik toevallig twee interessante dagboeken in handen heb. Dat van mijn grootoom Guust Balthazar die gedurende de hele oorlog krijgsgevangen is geweest in Göttingen, een modelkrijgsgevangenkamp waar ook allerlei activistische leiders zoals August Borms op bezoek kwamen. Het andere dagboek is van Leo Picard, die op dat moment geschiedenis studeerde en in september 1914 ten huize van de ultraradicale flamingant, dominee Jan Derk Domela Nieuwenhuis aangespoord werd om toch maar met Duitse hulp het activisme in te stappen. Ik hoop daar tijd voor te vinden.”

Terug naar de basis.

“Dat heb ik ook gezegd toen ik het voorzitterschap van Amsab-ISG doorgaf aan Frank Beke: terug naar de werkvloer.”

foto's: Theo Beck

Samenleving & Politiek, Jaargang 19, 2012, nr. 2 (februari), pagina 24 tot 35