Abonneer Log in

De Franse PS, vijf jaar later

Samenleving & Politiek, Jaargang 19, 2012, nr. 3 (maart), pagina 51 tot 56 en van pagina 65 tot 66

De Franse presidentsverkiezingen zijn voor links in Europa de belangrijkste afspraak van het jaar. De harde besparingskoers van het Frans-Duitse koppel in de eurozone kan worden bijgestuurd. Na de gemiste pogingen van Lionel Jospin en Ségolène Royal heeft François Hollande de plicht om te slagen. Dit stuk gaat dieper in op de interne machtsstrijd bij de Parti Socialiste (PS) na het debacle in 2007 en het aftreden van Hollande in 2008. Met het voorzitterschap van Martine Aubry, de alliantie met de groenen en de organisatie van geslaagde open voorverkiezingen lijkt de partij een nieuwe adem te hebben gevonden. De onverwachte terugkeer van Hollande en de slechte financiële situatie van Frankrijk kunnen de verdeeldheid echter snel terugbrengen. Zowel tijdens als na de campagne wordt het dansen op een slappe koord.

MENSEN EN MACHTEN, 2007-2011

Een verkiezing van één man

‘Ce ne sont quand même pas les compagnons qui vont remettre la chienlit dans l’État! L’État doit échapper aux partis, y compris le parti gaulliste!’ (Charles de Gaulle, 6 mei 19631)

Het Franse politieke systeem is afgesteld op de ‘ontmoeting tussen één man en het Franse volk’. Deze moderne monarch hoeft met weinig tegenmachten rekening te houden. Hoewel Frankrijk vrijwel alle politieke regimes gekend heeft sinds de Revolutie, blijkt enkel de door de Gaulle ingevoerde aanduiding van een door het algemeen stemrecht gelegitimeerd staatshoofd voldoende efficiënt om de harde politieke tegenstellingen in een eeuwig verdeeld land te beheersen.2 ** **

De huidige titularis, Nicolas Sarkozy, trekt naar 22 april 2012 met een historisch populariteitsdeficit.3 Comfortabel verkozen in 2007 met een waaier aan verregaande beloftes, kan hij vijf jaar later slechts bogen op een paar realisaties, zoals het buitenlands beleid en de hervorming van de universiteiten. De werkloosheidsgraad terugbrengen tot 5% is ver buiten bereik (de huidige statistieken geven eerder het dubbele aan4). Ook de staatsschuld en het begrotingstekort ontspoorden.

Tegen die achtergrond verwacht men een overwinning voor de oppositie. Toch gaan verkiezingen zelden over een palmares, maar altijd over een persoonlijke dynamiek. In 2007 stond links voor een gelijkaardige situatie: na vijf jaar rechts bewind onder Chirac was de zittende regering uiterst impopulair. De PS won verpletterend de regionale verkiezingen in 20045 (alle regio’s, op twee na, kwamen in rode handen) en even later de Europese. De aanhoudende betogingen tegen het CPE (contrat de première embauche) van Dominique de Villepin en de chaos in de banlieue leken de UMP voorgoed te veroordelen. Toch construeerde Sarkozy zijn kandidatuur tégen de regering waarvan hij zelf deel had uitgemaakt als nummer twee (Ministre d’État). Oppositiekandidaat Ségolène Royal was tegen februari 2007 al afgemaakt na een aantal ongelukkige uitspraken.

Men moet teruggaan tot de herverkiezing van François Mitterrand in 1988 om een linkse overwinning te vinden in deze hoogmis van het Franse politieke leven. Als minister van de door partijpolitiek gedomineerde Vierde Republiek had Mitterrand als enige het belang begrepen van de overgang naar een presidentieel regime. In contrast tot de veel populairdere Pierre Mendès France (1907-1982), principieel tegenstander van een confrontatie van persoonlijkheden, stond Mitterrand te trappelen voor een personenstrijd. Al bij de eerste verkiezingen in 1965, in de tweede ronde tegen de Gaulle, stond hij op de kaart als gezicht van de oppositie. Wat echter niet betekent dat hij het intern gemakkelijk had: zelfs toen hij in het Élysée zat, ging de PS zich te buiten aan burgeroorlogen tussen clans.
Mitterrand benoemde in 1988 zijn populaire aartsrivaal Michel Rocard tot eerste minister, om hem drie jaar later met de glimlach te ontslaan, op veilige afstand van de presidentsverkiezingen van 1995. Intussen rolde de partij vechtend over de straatstenen tijdens het Congres van Rennes (1990), verdeeld tussen Lionel Jospin en Laurent Fabius.

La république des barons?

Paradoxaal genoeg blijven de lokale en regionale verkiezingen in het voordeel van links kantelen. De Franse kiezer is gewoon geworden aan een rechtse regering, waartegen lokaal linkse proteststemmen worden uitgebracht. Minder dan een jaar na de afgang met Ségolène Royal won de PS in Parijs, Lille, Lyon, Toulouse... enkel Marseille bleef (nipt) in UMP-handen. Ook de regionale (maart 2010) en kantonverkiezingen (maart 2011) waren eclatante successen, die uiteindelijk in september 2011 de Senaat voor het eerst ooit een linkse meerderheid bezorgden.

Deze tweede grote golf van lokale overwinningen creëert een vervelende situatie voor de PS. De partij wordt een conglomeraat van regionale en lokale baronnen, die naar hartenlust hun administratie kunnen vullen met getrouwen.6 Zoals Georges Frêche in de Languedoc-Roussillon, uit de partij gezet wegens antisemitische uitspraken, maar onaantastbare winnaar van de verkiezingen in 2010. Eigenlijk zou een nationale overwinning niet in het voordeel zijn van deze door proteststemmen aan de macht gebrachte satrapen. De afwezigheid van nationale verantwoordelijkheid werkt sclerose in de hand: de centripetale krachten in de partij dreigen kritiek te verzwakken.

Het nulpunt in Reims (2008)

Je suis le seul à n’exprimer aucune revendication de pouvoir, rien pour ma personne, tout pour mon parti, le rassemblement et les Français’ (Bertrand Delanoë, 14 november 2008)

De in 1969 opgerichte PS heeft een bijzonder sterke democratische traditie. Alle tendensen zijn vertegenwoordigd in de partijraad, die rechtstreeks wordt verkozen, na interne debatten en een stevige inhoudelijke campagne.7
Toen consensusfiguur François Hollande in 2008 de teugels van de partij overgaf aan Martine Aubry, na jaren teruggekeerd uit nationale afwezigheid, verkeerde het instituut PS bijna in staat van ontbinding. Het congres van Reims (14-16 november 2008) zag striemende fluitconcerten tegen Royal, die maar niet zou begrijpen dat haar moment vergaan was. Omgekeerd riep parlementslid Manuel Valls op om rond haar een nieuwe progressieve partij te stichten, die niet langer het etiket ‘socialistisch’ zou dragen. Uit de strijd tussen inhoudelijke kampen kwam een perfecte patstelling tussen vier moties: E (L’espoir à gauche, fier(e)s d’être socialistes, Royal, met de steun van de zuidelijke baronnen Frêche en Guérini uit Marseille, 29%8) - A (Clarté, courage, créativité, Delanoë/Hollande, 25%9) - D (Changer à gauche pour changer la France - Aubry/Fabius/DSK, 24,5%) - C (Un monde d’avance, reconstruire l’espoir à gauche - Hamon/Emmanuelli, 18%10).

Om ook vandaag moeilijk verklaarbare redenen trok Delanoë, nochtans nummer twee, zich terug ten voordele van Aubry, die in een monsterverbond met Hamon tegen Royal ten strijde trok (‘Tout sauf Ségolène’). Op de verkiezingsnacht scheidden 42 stemmen de twee kandidates. Beide kampen waren zich te buiten gegaan aan onregelmatigheden, zoals het droppen van valse biljetten in de urnes (‘bourrage d’urnes’) of het onder druk zetten van militanten via afdelingssecretarissen om met percentages van 70 en hoger voor de voorkeurskandidaat te stemmen.11 Na correctie van diverse misbruiken werd het uiteindelijke verschil drie dagen later vastgelegd op 102 stemmen. Het rampcongres had onder andere tot gevolg dat de PS een afstraffing kreeg bij de Europese verkiezingen in juni 2009 (derde partij achter de groenen, die 16 procent haalden), waar Nicolas Sarkozy kon uitpakken met zijn succesvolle EU-voorzitterschap.

Harde oppositie tegen Sarkozy, hand in hand met de groenen

‘Quand j’ai pris le Parti Socialiste, nous faisions pitié’ (Martine Aubry, 26 augustus 2011)

De PS had onder Aubry een assertieve koers. In de Assemblée Nationale leverde dit regelmatig spectaculaire scènes op. Bij de stemming in plenaire zitting van de anti-downloadwet Hadopi op 9 april 2009 wist de PS-PRG-fractie het regeringsontwerp te kelderen, door twintig parlementairen van achter een gordijn tevoorschijn te toveren in een bijna verlaten halfrond. In tegenstelling tot een gevestigde traditie onder Hollande om de syndicale actoren hun volledige politieke onafhankelijkheid te laten, stapte de partij prominent mee op bij de betogingen tegen de pensioenhervormingen (2008, 2010).

Het pensioendossier vormt meteen een interessante illustratie van de kramp waarin de Parti Socialiste als beleidspartij gedwongen wordt. Principieel pleit ook de PS voor een minimale bijdrageduur van 42 jaar. De zittende regering wou dit echter koppelen aan een pensioenleeftijd van 62. De enige categorie waarover echt strijd bestond, was dus die van de 60-61-jarigen, die al over 42 bijdragejaren beschikten. Retorisch vertaalde dit zich in een strijd tussen voor of tegen pensioen met 60 voor wie op 18 jaar op de arbeidsmarkt gekomen was (een realisatie van François Mitterand). Ook het dossier van de 35-urenweek toont minder verschillen tussen PS en UMP dan gedacht. Deze samenlevingshervorming van de regering-Jospin (1997-2002) is in de feiten in voege gelaten door de rechtse regeringen.12

De dreun van juni 2009 was meteen het signaal voor Aubry om de banden met de groenen aan te halen. Dankzij een kartel met de beweging Europe Écologie, die het mediagenieke trio Daniel Cohn-Bendit, José Bové en Eva Joly op de lijsten had gebracht, wisten de groenen zich met meer dan 16% van de stemmen voor de PS te plaatsen. Dit ‘nieuwe centrum’, of alternatief voor de kiezers van François Bayrou uit 2007, wou Aubry kost wat het kost aan zich binden. Bij de regionale verkiezingen van 2010 leidde een nauwe alliantie tot de controle van alle Franse regio’s, behalve de Elzas. Het pre-electorale akkoord voor de wetgevende verkiezingen in juni, onderhandeld door Aubry, voorziet 60 zetels voor de groene partner, die het nu nog met vier afgevaardigden (op 577) moeten stellen.

HET PS-ALTERNATIEF, 2011-2012

Les primaires citoyennes, democratisch experiment

‘Je pense que c’est un processus moderne, qui convient à droite comme à gauche, pour toutes les grandes élections’ (François Fillon, 24 augustus 2011)

Na het congres van Reims (2008) besloot de PS nagenoeg unaniem tot de organisatie van primaires in Amerikaanse of Italiaanse stijl, open voor alle sympathisanten en onder controle van een ethische commissie die verbale excessen van de kandidaten kon bestraffen.13
De succesvolle mars van Martine Aubry als partijleider plaatste haar als favoriete na de uitschakeling van bondgenoot DSK. Tot verrassing van de ‘incrowd’14 haalde Hollande het in oktober 2011 comfortabel (56-4315). Hij was immers het tegenbeeld van wat voor Aubry een partijleider moest zijn. Zijn consensuele houding had de PS onhoorbaar gemaakt in de oppositie tussen 2002 en 2008. Bovendien was het referendum over de Europese Grondwet, dat hij Chirac had opgedrongen in 2005, als een boemerang in zijn gezicht teruggekeerd. De PS had zich intern (59%) voor uitgesproken, maar boegbeelden als Laurent Fabius en Jean-Luc Mélenchon voerden mee campagne voor het ‘neen’, dat het uiteindelijk haalde met bijna 55%.16

De primaires waren de kans voor een paar jongere persoonlijkheden, zoals Valls (5%) en de voor de gelegenheid erg linkse17 Arnaud Montebourg (17%) om zich te profileren op nationale tv-debatten, die erg druk werden bekeken. Meteen een gemiste kans voor de stroming-Hamon, die zich om tactische redenen achter Martine Aubry had geschaard18 en zo het thema van de ‘demondialisatie’, waarop een aantal prominente intellectuelen zich geprofileerd hadden19, zag ontsnappen. De linkse agenda binnen de partij werd ‘gekaapt’ door Montebourg, voor een veel breder publiek dan de 130.000 PS-’encartés’.
Zo’n 2,8 miljoen Fransen verplaatsten zich op 16 oktober 2011 naar een stembureau. Ondanks de bittere toon aan het einde van de campagne20 betekende deze operatie voor de PS het herstel van een gebroken imago. De primaires domineerden minstens twee maanden de actualiteit en gaven een bredere legitimiteit aan de gekozen kandidaat.

De triptiek Aubry-Hamon

‘En France, l’égalité est un projet […] À ceux qui avaient parié sur la résignation à la fatalité des sacrifices sans contrepartie, les Français ont redit qu’ils restaient les souverains, en particulier en ce qui regarde l’évolution du contrat social.’ (PS-programma, luik ‘Égalité Réelle’, 11 december 2010)

Het PS-programma21, aangenomen in maart 2011, vóór de primaires, is het intellectuele kind van Martine Aubry en Benoît Hamon, uitgewerkt in open conventies en het digitale netwerk coopol.22 Het voorziet onder andere een luik ‘égalité réelle’. Onder de vlag van de rechtvaardigheid zet de PS in op een fusie van de sociale bijdragen (CSG) en de inkomstenbelasting tot één systeem van bedrijfsvoorheffing.23 Momenteel betalen fysieke personen in Frankrijk hun belastingen slechts achteraf.
De vermindering van de vermogensbelasting (ISF) en het fiscale schild (‘bouclier fiscal’) voor de supperrijken, twee symbolen van het Sarkozy-bewind, gaan voor de bijl. Inkomen uit arbeid en kapitaal moeten aan dezelfde voet belast worden. Vanaf 2 jaar moet elk kind in crèches worden opgevangen, door de nieuwe ‘Service national de la petite enfance’. Aan het einde van het leven is de PS radicaal tegen privédementie of -afhankelijkheidsverzekeringen.
De PS wil een groene en sociale economie. Op termijn moet de geleidelijke kernuitstap gepaard gaan met investeringen in hernieuwbare energie. Ook de BTW moet ecologisch worden bijgesteld, met hogere tarieven voor producten die meer CO2-uitstoot veroorzaken.
Een overheidsinvesteringsbank zwengelt de industrie, paradepaard van de Franse expansie in de ‘trente glorieuses’ (1945-1975), terug aan. Frankrijk verloor meer industriejobs in de financiële crisis van 2008-2009 dan eender welk Europees land. Op tien jaar gaat het om 600.000 verloren arbeidsplaatsen. Beursontslagen, waarbij een bedrijf werknemers afdankt hoewel het winst maakt, worden verboden (het bedrijf moet alle ontvangen overheidssteun terugbetalen). Als offensief tegen de jongerenwerkloosheid, zal de overheid 300.000 banen scheppen om een eerste job te verschaffen aan wie anders in een negatieve spiraal van jaren onbezoldigde stages dreigt te raken. Deze maatregel (‘emplois-jeunes’) werd eerder genomen onder Jospin door minister van Werk Martine Aubry. Om wonen betaalbaar te houden, wil de PS in de grote steden de huurprijzen blokkeren. Studenten krijgen een ‘allocation d’autonomie’, die hen onafhankelijk maakt van hun ouders.
Ten slotte bevat het programma nog een deel ‘de Republiek versterken’. De PS wil een anoniem cv voor alle sollicitaties, als duidelijke tegenzet tegen het uitwijzingsbeleid en de verbale excessen van de meerderheid.24 De decentralisatie, in de jaren 1980 ingezet onder Gaston Deferre, wordt versterkt. Stemrecht voor niet-EU-burgers bij lokale verkiezingen, en ook het openstellen van huwelijk en adoptie voor koppels van hetzelfde geslacht, behoren tot dezelfde waardencategorie. Als tegenbeeld van Sarkozy’s greep op de media, wil de PS een strenge antikartel- en concentratiewetgeving. Om de groenen ter wille te zijn, wordt ook geopteerd voor een kleine dosis proportionaliteit bij de parlementsverkiezingen (wat ook de UMP pijn kan doen in regio’s waar het FN sterk staat). Opnieuw als spiegelbeeld van de huidige situatie, krijgt justitie meer geld en onafhankelijkheid.

De zestig engagementen van presidentskandidaat François Hollande

De voorstellen van François Hollande zijn gebundeld in een pamflet van 60 engagementen.25 De blikvanger is ongetwijfeld de creatie van 65.000 vastbenoemde plaatsen in politie, justitie en onderwijs. Dit als krachtig signaal tegen de ‘1 op 2’-vervangregel van Sarkozy, ingevoerd als onderdeel van een structureel uitgavenkrimpplan voor de overheid, de RGPP.26 Hollande belooft tegelijk een begrotingsevenwicht tegen 2017 op basis van de belastinghervorming, zoals in het partijprogramma uitgelegd. Echte besparingen worden maar voorzien voor 26 miljard euro.27
Het budget is meteen ook de link naar het verzet van de PS tegen de Europese politiek van de president. De invoering van de gouden regel (begrotingsevenwicht in de Grondwet, controle door het Hof van Justitie in Luxemburg) staat haaks op het sociale beleid dat Hollande wil voeren. Het verdrag dat nu wordt uitgewerkt tussen diplomaten, wil Hollande (voorstander van Eurobonds) heronderhandelen.
Op groene thema’s is Hollande minder voortvarend. De groene bondgenoot had ingezet op een overwinning van Aubry. Het ontwaken was pijnlijk: lastige onderhandelingen, waarbij uit socialistische hoek werd geschimpt op de ‘Khmer vert’, toonden dat de PS de belangen van staatsbedrijven en grote werkgevers EDF en Areva voorop stelt. Een kernuitstap wordt pas voorzien voor de helft in 2030, met het stilleggen van 24 centrales op 58 in 2025.28

Tous en campagne!

Hollande’s campagne werd eind januari afgetrapt met een massameeting in Le Bourget, bij Parijs. Tegen de verwachtingen in zette hij een goede retorische prestatie neer. Hollande ging als partijleider veeleer door het leven als de man van de occasionele kwinkslag, dan van het grote discours dat zo typisch is voor de meeting- en congrescultuur van de PS. Een tweede test werd eveneens succesvol genomen: begin februari kruiste hij de degens met minister van Buitenlandse Zaken Alain Juppé (‘le meilleur d’entre nous’, aldus Jacques Chirac) tijdens een drie uur durende uitzending op France 2. Hollande wist zich staande te houden, en kon de tegenstrever zelfs betrappen op het gebruik van de misprijzende afkorting ‘Sarko’ voor zijn eigen president.29

Hollande richt zijn pijlen in de eerste plaats op het centrum, waar het onderwijzend personeel Ségolène Royal in 2007 links liet liggen.30 François Bayrou positioneert zich opnieuw als het alternatief voor de ‘traditionele’ PS-UMP-kandidaten, maar lijkt die rol - gezien het bijzonder sterke anti-Sarkozisme - veel minder efficiënt te kunnen vervullen.
Deze keuze laat tegelijk een open ruimte voor de volkstribuun Jean-Luc Mélenchon van de Parti de Gauche.31 De voormalige PS-minister, nu in kartel met de Parti Communiste Français, hanteert een duidelijkere taal dan Hollande en zou wel eens kunnen verrassen, vooral gezien de onhoorbaarheid van de dissidente trotskistische kandidaten met het vertrek van Arlette Laguiller (Lutte Ouvrière) en Olivier Besancenot (Nouveau Parti Anti-capitaliste). De groene kandidate Eva Joly komt niet van de grond in de peilingen (2-3%).32

CONCLUSIE

De Franse presidentsverkiezingen duiden de (intern) meest machtige politicus van Europa aan en zijn terecht de meest passionerende politieke saga van het continent. Ze enten zich op een eeuwenlange traditie van een sterke centrale macht in een endemisch verdeeld land. Om de consensus van zijn geadministreerden te behouden, moet de president evenwel afstand nemen van een al te politieke opstelling, en dit laatste aan de regering laten. Precies op dit punt stelt Sarkozy zich bijzonder kwetsbaar op. Ondanks de relatieve inwisselbaarheid van de elites aan de top en de eenheid rond het staatsbelang, heeft de meerderheid van de afgelopen vijf jaar zich bijzonder scherp afgezet tegen de nationale consensus: de symbolen van de Republiek, de rechtsstaat, het onderwijs of de dienstverlening van de staat in rurale gebieden (gezondheid, justitie). Nog nooit was een president zo impopulair voor herverkiezing, tot in de hoogste regionen van de administratie33, de diplomatie34 of de magistratuur.35

Het ligt in de lijn van de verwachtingen dat de rekening gepresenteerd wordt in de vorm van een alternance. Wordt deze hypothese bewaarheid, dan blijft voor de PS de eenheid het ordewoord. Zich opnieuw verdelen zoals onder Mitterrand zal naar chaos en een electorale afstraffing leiden. Dat is geen verre toekomstmuziek, aangezien de lokale besturen in 2014 vernieuwd worden en links daar veel te verliezen heeft (onder andere de stad Parijs, waar François Fillon een gooi naar de sjerp zal doen). Martine Aubry beseft dit maar al te goed en schaarde zich van bij de primaires achter François Hollande. De financiële situatie van Frankrijk dreigt evenwel aanleiding te geven tot spanning tussen partij en president.
Slaagt Hollande er niet in de verkiezingen te winnen, dan luiden de klokken voor zijn generatie en die van Aubry, die al sinds de jaren 1980 op het nationale voorplan staat. Her en der duiken scenario’s op waarbij de quadra’s of quinquas (Valls, Montebourg, Hamon) een onderlinge strijd om het leiderschap van de PS, of van een nieuwe partij, uitvechten.

Frederik Dhondt
Aspirant van het FWO-Vlaanderen, Instituut voor Rechtsgeschiedenis (UGent)

Noten
1/ Alain Peyrefitte, C’était de Gaulle (Paris: Fayard, 1994), I, pp. 469-470.
2/ Michel Winock, La fièvre hexagonale: Les grandes crises politiques de 1871 à 1968 (Paris: Points, 2009).
3/ Zie de TNS-Sofres-peilingen: http://www.tns-sofres.com/points-de-vue/.
4/ Voor cijfers verwijs ik naar het INSÉE (Institut National de la Statistique et des Études Économiques), http://www.insee.fr.
5/ Uitslagen op http://www.interieur.gouv.fr/sections/a\_votre\_service/elections/resultats.
6/ Cf. de bestseller met onthullingen over de Conseil Régional van de regio Aquitanië, door de jonge énarque Zoé Shepard, Absolument dé-bor-dée! (Paris: Albin Michel, 2010).
7/ Daniel Vaillant, PS: 40 ans d’histoire(s) du congrès d’Épinay au congrès de Reims (Paris: Archipel, 2011).
8/ Renaud Muselier, Le Système Guérini (Paris: JC Lattès, 2011).
9/ Bertrand Delanoë en Laurent Joffrin, De l’audace (Paris: Robert Laffont, 2008).
10/ http://www.unmondedavance.eu.
11/ Antonin André en Karim Rissouli, Hold-ups, arnaques et trahisons (Paris: Éditions du Moment, 2009).
12/ Martine Aubry, Et si on se retrouvait… (Paris: Éditions de l’aube, 2008).
13/ Ik verwijs naar het rapport van de denktank Terra Nova op http://www.tnova.fr/sites/default/files/Rapport%20primaires%20-%2021-11-2011.pdf.
14/ De meeste ‘Strausskahniens’ hadden zich na het Sofitel-incident bekeerd tot ‘Aubristen’.
15/ Resultaten op http://resultats.lesprimairescitoyennes.fr.
16/ Europa is intussen minder controversieel bij de PS, omdat zowel Aubry als Hollande tot de ‘écurie’ van Jacques Delors behoren.
17/ Arnaud Montebourg, Votez pour la démondialisation! (Paris: Flammarion, 2011).
18/ Benoît Hamon, Tourner la page: reprenons la marche du progrès social _ (Paris: Flammarion, 2011).
19/ Jacques Sapir, _La démondialisation
(Paris: Seuil, 2011); Emmanuel Todd, Le grand choix: sauver ou tuer la France (Paris: Plon, 2012); Frédéric Lordon, ‘La démondialisation et ses ennemis’, Le Monde Diplomatique, augustus 2011.
20/ Vooral Aubry’s kritiek op Hollande’s ‘onrealistische’ voorstel om 60.000 leerkrachten aan te werven, zal blijven hangen.
21/ http://www.parti-socialiste.fr/projet.
22/ http://www.lacoopol.fr/.
23/ De hervorming die de PS voorstelt is onder andere geïnspireerd op de voorstellen van EHESS-professor Thomas Piketty, die met het campagneteam van Barack Obama samenwerkte. Camille Landais, Thomas Piketty, Emmanuel Saez (eds.), Pour une révolution fiscale: un impôt sur le revenu pour le XXIe siècle (Paris: Seuil, 2011).
24/ Zo werd de zwarte PS-kandidaat Ali Soumaré bij de regionale verkiezingen in 2010 door zijn UMP-tegenstander voorgesteld als een gevaarlijke multirecidivist. Deze beschuldiging bleek achteraf volledig verzonnen.
25/ http://www.parti-socialiste.fr/dossier/le-projet-de-francois-hollande.
26/ http://www.rgpp.modernisation.gouv.fr.
27/ Terwijl het gat volgens de regering 92 miljard euro bedraagt. Hollande rekent op de economische groei (2,2% vanaf 2016) om het verschil goed te maken.
28/ Bovendien besliste François Hollande een dispuut over kernafval door een deel van het akkoord - op vraag van Areva - te schrappen (‘Opération séduction de François Hollande chez Areva’, Le Figaro, 8 december 2011).
29/ Ook gebruikt in zijn ‘in de politieke woestijn’ geschreven boek, Alain Juppé, Je ne mangerai plus de cerises en hiver (Paris: Plon, 2009).
30/ Pascal Perrineau (ed.), Le vote de rupture: les élections présidentielle et législatives d’avril-juin 2007 (Paris: les presses de Sciences Po, 2008).
31/ Onder andere met de steun van de economist Jacques Généreux(Sciences Po), eerder voorgesteld als Figuur in de Kijker in Samenleving en politiek (oktober 2011, pp. 65-67). Zie Jean-Luc Mélenchon, Qu’ils s’en aillent tous! Vite, la révolution citoyenne (Paris: J’ai lu Document, 2011).
32/ Eva Joly, Sans tricher (Paris: Arènes, 2012).
33/ Jean-Noël Jeanneney, L’État blessé (Paris: Flammarion, 2012).
34/ Groupe Marly, ‘La voix de la France a disparu dans le monde’, Le Monde, 22 februari 2011.
35/ Frederik Dhondt, ‘Chirac en de lange schaduw van Montesquieu’, De Juristenkrant, 11 januari 2012.

Frankrijk - verkiezingen - PS

Samenleving & Politiek, Jaargang 19, 2012, nr. 3 (maart), pagina 51 tot 56 en van pagina 65 tot 66