Abonneer Log in

Het nieuwe België en zijn hoofdstad

Samenleving & Politiek, Jaargang 19, 2012, nr. 4 (april), pagina 4 tot 14

Elio Di Rupo en de acht partijen die het ‘Vlinderakkoord’ afsloten, zouden zich vergissen, mochten ze denken dat met de uitvoering ervan de kous af is en we dan gedurende jaren niet meer door communautaire geschillen zouden worden geplaagd. Meer in het bijzonder moet er werk worden gemaakt van een wezenlijke herstructurering van de hoofdstad Brussel. Op dit gebied schiet de zesde staatshervorming van Elio Di Rupo en consoorten immers schromelijk tekort. In dit artikel wil ik vernieuwende inzichten aanreiken die Brussel als meervoudige hoofdstad nodig heeft om zinvol te functioneren.

‘VERANDERING’

De Gemeenschappen van dit land zijn de afgelopen jaren meer en meer uit elkaar gegroeid. Hun inzichten en behoeften zijn op vele domeinen van het maatschappelijk leven verschillend. Zij hebben elk een ander beleid nodig. Ook bij heel wat Franstaligen is, volgens Pascal Vrebos van RTL-TVI, een kentering opgetreden: het zogenaamde plan Bis voor velen absoluut geen taboe meer’. Sommige Waalse ministers beklemtonen het plan W.
Ik hoop dat men op het gepaste ogenblik zal inzien dat nieuwe gesprekken over een verdere omvorming van de staat nodig zijn en dat dan resoluut voor een ‘confederatie’ zal worden gekozen. Dus voor een ‘statenbond’. Met de nadruk op de deelstaten die, inzake hun bevoegdheden, een volwaardige plaats in Europa bekleden.
Het bereikte ‘Vlinderakkoord’ mag gerust historisch genoemd worden. Het bevat inderdaad verregaande wijzigingen van de staatsstructuur. En toch. Het is te veel versnipperd, het mist de diepgang die de Gemeenschappen nodig hebben. Reeds uit de erop volgende onderhandelingen m.b.t. de sanering van de begroting en de structurele hervormingen, bleek dat de bereikte staatshervorming geen eindpunt is. Het is zonneklaar: om een coherent en doeltreffend beleid mogelijk te maken, zal binnen afzienbare tijd een nieuwe discussie over een diepgaande staatshervorming noodzakelijk zijn.
Ik hoop dat de verantwoordelijke politici aan beide kanten van de taalgrens dan zullen beseffen dat het uiteindelijke gesprek moet worden gevoerd in het kader van het artikel 35 van de Grondwet. Er moet namelijk een antwoord worden gegeven op de ultieme vraag: ‘Wat doen we nog samen?’. Ook deze gedachtewisseling zal een grondige dialoog vereisen om tot een gemeenschappelijke conclusie te leiden. Maar het zal een fundamenteel gesprek zijn, peilend naar de grond van de zaak.

DE BELGISCHE CONFEDERATIE

Het algemene kader, waarbinnen de hoofdstad moet worden uitgebouwd, is de Belgische staat binnen de Europese Unie. Ook al kunnen we de impact van het evoluerende Europa op de lidstaten niet voorspellen, België blijft, ook als confederatie, een meerwaarde behouden. Sommige sociaaleconomische factoren zijn natuurlijk wijzigbaar, toch wordt vaak vergeten dat er nog andere argumenten zijn die het voortbestaan van België bepleiten:

1) België en vooral Brussel zijn de oorden in Europa waar de Germaanse en de Romaanse cultuur elkaar ontmoeten. Deze historische realiteit bezorgt België een unieke positie die de pioniers van Europa ertoe gebracht heeft Brussel als hoofdstad van Europa uit te roepen. Bij een splitsing van het land verliest Brussel het recht om aanspraak te maken op dit voordelig statuut, met alle negatieve gevolgen.
2) Het lijkt me onlogisch te ijveren voor solidariteit tussen de inwoners van Europa en te streven naar een rechtvaardige ontwikkeling van de ‘derde wereld’, en tegelijkertijd deze solidariteit te weigeren tussen de gemeenschappen van het eigen land.
3) De Vlamingen en de Walen zijn in grote mate met elkaar vermengd. Denk maar aan de emigratie van duizenden Vlaamse arbeiders- en landbouwersgezinnen naar de industriële bekkens, de mijnbouw en de uitgestrekte akkervelden van Wallonië in de 19de en de eerste decennia van de 20ste eeuw. En omgekeerd, de uitgebreide inwijking in dezelfde periode van vele jonge Waalse ambtenaren in de Vlaamse steden, gestuurd door een centralistisch gedirigeerde en Franstalig geïnspireerde Belgische staat.

Zij die de splitsing van België nastreven, weten bovendien geen blijf met Brussel. Als hoofdstad van de Europese Unie is Brussel nochtans van uitzonderlijk belang voor de welvaart van de inwoners tot ver in Wallonië en Vlaanderen. Daarom ben ik geen separatist. Dus niet vanuit een sentimenteel Belgicisme. Het separatisme is trouwens een destructief gedachtegoed. Het breekt af wat samenhangt. Ik ben en blijf een overtuigde federalist. Het federalisme is constructief, het bouwt op en zoekt vanuit de eigenheid van de onderdelen naar samenhang en samenwerking. Een consequent en doorgedreven federalisme behoeft geen schending van de Grondwet. Het kan worden gerealiseerd door de uitvoering van het bestaande artikel 35 van de Grondwet. Deze weg leidt naar de opbouw van de Confederatie België: een‘statenbond’ van de deelstaten Vlaanderen, Wallonië en de regio van de Duitstalige Gemeenschap, met Brussel als gemeenschappelijke hoofdstad.
De minister-presidenten van de Vlaamse en de Franse Gemeenschapsregering moeten daartoe het initiatief nemen. Zij zijn de democratisch verkozen vertegenwoordigers van hun volk. Zij kunnen, samen met hun regeringen, spreken en beslissen namens hun volk. Concreet voorziet het artikel 35 van de Grondwet een exhaustieve lijst waarin wordt vastgelegd wat beide Gemeenschappen nog ‘samen willen doen’. Deze lijst wordt in de confederale Grondwet ingeschreven. De overige materies behoren dan allemaal tot de ‘residuaire’ bevoegdheid van de deelstaten.

WAT WILLEN WE NOG SAMEN DOEN?

Het zoeken naar een antwoord op de vraag wat we nog samen willen doen, betekent dat er voor de gesprekspartners nog aangelegenheden zijn die, omwille van beider belang, gemeenschappelijk moeten worden behartigd. De ware zin van het ultieme gesprek is bijgevolg vervat in het neerschrijven van deze aangelegenheden of de principes die erop betrekking hebben. In de zekerheid dat iedereen ze als essentieel voor een verdere samenleving beschouwt, ze als zodanig aanvaardt, onderschrijft en respecteert. Het voortbestaan van het land - ook als een statenbond - hangt ervan af. Zo simpel is het. Wie deze beginselen in gevaar brengt, zaagt de poten onder het (voort)bestaan van België af.

Het behartigen van deze gemeenschappelijke materies behoort dus tot de confederale bevoegdheid. Zij moeten dan ook in de ‘exhaustieve lijst’ worden neergeschreven:
- In de eerste plaats: ‘het algemeen beheer van de gemeenschappelijke hoofdstad’.
- In de tweede plaats: ‘de aangelegenheden die betrekking hebben op de principes die wezenlijk zijn voor een harmonieuze samenleving’, meer bepaald:
1° de ‘solidariteit’tussen alle inwoners van de confederatie, gegarandeerd door de sectoren van de Sociale Zekerheid die de vervangingsinkomens regelen, met name de pensioenen, de werkloosheidsuitkering, de vakantietoeslag en de vergoedingen bij ziekte en invaliditeit;
2° de wettelijk vastgelegde ‘territoria’ van de eentalige taalgebieden en de vigerende ‘taalwetgeving’ in de gemeenschappelijke tweetalige hoofdstad;
3° de grondwettelijke regels van de mensenrechten’, gewaarborgd in het justitiebeleid en het arbeidsrecht;
4° het initiatiefrecht van de deelstaten Vlaanderen en Wallonië inzake de persoonsgebonden aangelegenheden ‘tot in de gemeenschappelijke hoofdstad Brussel’;
5° het recht van de drie deelstaten om met elkaar culturele en andere ‘akkoorden’ te sluiten, onder meer in verband met het onthaal en de bescherming van taal- en culturele minderheden op hun grondgebied.

DE OPRICHTING VAN HET BRUSSELS HOOFDSTEDELIJK GEWEST

Tijdens de gesprekken over de staatshervorming in de jaren 1960 ging het oorspronkelijk om twee deelgebieden: Vlaanderen en Wallonië. De radicale Brusselse francofonie eiste echter dat Brussel een ‘volwaardig derde gewest’ zou worden. De Franstalige Brusselaars wilden immers niet met de Walen gelijkgeschakeld worden. De Walen waren trouwens ook niet happig om bij de Franstalige bourgeois van Brussel aangesloten te worden.
Jules Destrée, de Waalse socialistische leider en voorzitter van de Assemblée Wallonne, schreef, honderd jaar geleden, zijn beruchte brief aan koning Albert: ‘Sire, il n’y a pas de Belges’. Volgens hem leefden er in België alleen Walen en Vlamingen, hij liet zich bijzonder laatdunkend uit over de Brusselaars die hij als ‘halfbloeden’ met het middelmatisme als voornaamste eigenschap bestempelde (Rik Van Cauwelaert, Knack, 25 januari 2012).
Volksvertegenwoordiger François Perin van het Rassemblement Wallon (RW) vond het compromis tussen de Vlaamse wens tot erkenning van de ‘twee Gemeenschappen’ en de Franstalige eis tot oprichting van ‘drie Gewesten’. Op zijn voorstel werd er een onderscheid gemaakt tussende‘persoonsgebonden of gemeenschapsmateries’ en de ‘plaatsgebonden of gewestmateries’.

Bij de staatshervorming van 1970 werden zowel de twee Gemeenschappen als de drie Gewesten in de Grondwet opgenomen: op vraag van de Vlamingen werd de ‘culturele autonomie’ van de Gemeenschappen grondwettelijk erkend en op vraag van de Walen werd de wet op de ‘regionale sociaaleconomische ontwikkeling’ goedgekeurd en werden de drieGewesten, het Vlaamse, het Waalse en het Brusselse Gewest, in de Grondwet geschreven.

Bij de grondwetsherziening van 1980 werd een begin gemaakt van de uitbouw van het Vlaamse en het Waalse Gewest. Het Brusselse Gewest bleef in de koelkast steken. In de loop van de jaren 1980 drong echter ook het ‘Congres van de Brusselse Vlamingen’ aan op een institutionele oplossing voor Brussel. De inwoners van het hoofdstedelijk gebied, ook de Vlaamse, bleven immers, in tegenstelling tot deze van Vlaanderen en Wallonië, opgezadeld met een verouderde regelgeving.

In 1989 ontstond het Brussels Hoofdstedelijk Gewest - met een ingewikkelde structuur:

•˜ Het BHG krijgt inzake de ‘plaatsgebonden’ materies dezelfde bevoegdheid als het Vlaamse en het Waalse Gewest, maar het beslist bij ‘ordonnantie en niet bij decreet’. Een ordonnantie kan worden getoetst bij de rechtbank en zelfs worden vernietigd door het parlement, wanneer ze niet overeenkomt met de hoofdstedelijke of internationale functie van Brussel.
•˜ Na een paar jaar werd het aantal Vlaamse parlementairen in het Brussels Hoofdstedelijk Parlement tot 17 gewaarborgd. Met als gevolg dat het totaal aantal leden tot 89 werd opgevoerd. Zoals in het Belgisch Parlement hangt er ook in het BHP een ‘alarmbel’, hier ter bescherming van de Vlaamse minderheid.
•˜ In de Brusselse Hoofdstedelijke Regering - 2 Franstalige en 2 Vlaamse ministers en een taalkundig neutrale minister-voorzitter - wordt de machtspariteit de vaste regel. De noodzakelijke ‘consensus’ voor elke beslissing staat woordelijk in de Brusselwet.
•˜ De taalgroepen van het BHP vormen respectievelijk de VGC en de COCOF. Zij beraadslagen en beslissen afzonderlijk bij verordening, inzake de instellingen met betrekking tot de persoonsgebonden materies, die duidelijk hun respectieve gemeenschap aanbelangen. Zij beraadslagen en beslissen samen als GGC (Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie), met een dubbele meerderheid, inzake dezelfde aangelegenheden in instellingen die niet uitsluitend tot één van beide Gemeenschappen behoren.
•˜ De Vlaamse en de Franse Gemeenschap zijn elk tot in het BHG bevoegd voor het beleid inzake de persoonsgebonden aangelegenheden.

De bedoelingen van de wetgever die in 1989 het BHG heeft opgericht, waren lovenswaardig. Maar de structuur van het BHG was ingewikkeld en werd in de loop van de volgende jaren nog verscheidene keren gewijzigd, omgebogen of op een illegale wijze genegeerd, zodat het beleid van de hoofdstad steeds minder doeltreffend is geworden.

HET LEVENDE BRUSSEL VAN MORGEN IN HET CONFEDERALE BELGIË

De Vlamingen willen de Brusselse samenleving opbouwen als een federalistisch proces van ‘samenwerkingsverbanden’ tussen de verschillende cultuurgemeenschappen die in Brussel leven. De Franstalige politici van Brussel denken daar meestal anders over. Voor hen is Brussel een Franstalige stad, waar ook Nederlandstalige inwoners zijn. De allochtonen rekenen zij als vanzelfsprekend tot de Franstalige bevolking.
De Vlamingen - uitgezonderd de separatisten - willen de Brusselse samenleving niet loshaken van de Vlaamse Gemeenschap. De Franstalige politici willen echter dat Brussel zich opstelt als ‘une région à part entière’. Niet alleen tegenover Vlaanderen, ook tegenover Wallonië.
De media en sommige politici doen het voorkomen alsof de ‘Wallo-Brux-idee’ de band tussen Wallonië en Brussel zou aanscherpen. Dit is een verkeerde voorstelling. In de Wallo-Brux-visie zijn beide partners weliswaar bereid een samenwerkingsmodel tussen ‘Bruxelles et la Wallonie’ uit te bouwen, maar zij laten het beginsel van de Franse Gemeenschap uitdrukkelijk vallen, zij benadrukken de aparte autonomie van de twee deelgebieden.
De Vlaamse Brusselaars wijzen in meerderheid het separatisme af. Geen enkele staat van Europa is trouwens echt ‘onafhankelijk’. Het separatisme biedt geen geloofwaardige oplossing voor Brussel. Meer nog, Brussel zou bij een splitsing van België haar unieke positie als Europese hoofdstad verliezen en de sociaaleconomische meerwaarde die eruit voortvloeit, kwijtspelen.
Sommigen opperen de idee van een ‘Brussels Europees district’. Dit zou fataal zijn voor de Brusselse bevolking. De Europese instanties hebben immers geen of weinig belangstelling voor de zware knelpunten waarmee Brussel kampt, onder meer de groeiende armoede.

FUNDAMENTELE WIJZIGINGEN DRINGEN ZICH OP

Het heeft weinig zin te proberen voor alle problemen een oplossing te vinden door te sleutelen aan de fouten. Een cosmetische ingreep volstaat niet. De zesde staatshervorming die thans op stapel staat, zal bijgevolg geen fundamentele oplossing voor de Brusselse problematiek met zich meebrengen.

Het institutioneel statuut van de hoofdstad moet fundamenteel worden gewijzigd. Het is hoognodig Brussel te structureren als ‘gemeenschappelijke hoofdstad’, in plaats van ‘gewest’. Niemand kan de voordelen van de gewestelijke structuur voor de Brusselse inwoners aantonen, laat staan bewijzen. De Brusselaars hebben gewoonweg geen baat bij de gewestelijke structuur en zeker niet bij een statuut ‘à part entière’. Alleen de Brusselse politici varen er wel mee. Intussen zitten de Brusselse inwoners opgescheept met een ingewikkelde institutionele structuur die een ‘goed bestuur’ verhindert.

Ook al heeft het BHG in de loop der jaren op bepaalde domeinen goed werk geleverd, niemand kan vandaag nog loochenen dat er veel misloopt. In de eerste plaats op het niveau van de plaatsgebonden (gewestelijke) materies:
- Er is een abnormaal hoge werkloosheid, vooral bij de jongeren; de werklozen vertonen specifieke kenmerken: meer laaggeschoolden, vaak met een niet erkend buitenlands diploma, meer langdurig (meer dan 2 jaar) en meestal eentalige werklozen, meer werklozen van buiten de EU.
- Er hangt in vele wijken een overheersend gevoel van onveiligheid; de politie en vooral de justitie zitten vaak met hun handen in het haar.
- De mobiliteit loopt vast en het openbaar vervoer geraakt onvoldoende uitgebouwd; mogelijke personeelsleden van de bedrijven of instellingen worden door de lange files afgeschrikt, met als gevolg dat meer dan de helft van de bedrijven moeilijkheden ondervindt om personeel aan te trekken.
- De verkeersveiligheid is een ramp, de wegmarkeringen en verkeerssignalisaties worden stelselmatig genegeerd; alleen in Brussel stijgt het aantal verkeersdoden.
- Er is een schromelijk tekort aan goed ingeplante en menswaardige sociale woningen.
- Het beleid inzake het leefmilieu faalt.

In de tweede plaats op het niveau van de persoonsgebonden (gemeenschaps) materies:
- De armoede neemt toe;
- De eenzaamheid van de ouderen is angstaanjagend;
- Duizenden jongeren spijbelen en hangen langs de straten;
- Ondanks de inspanningen van de Gemeenschappen en niettegenstaande de waarde van de federale culturele instellingen, slaagt Brussel er niet in een internationaal erkend, hoogwaardig cultureel imago te ontwikkelen.

Bovendien zit het Brussels Hoofdstedelijk Gewest permanent in zware geldnood. Deze geldnood is in niet geringe mate te wijten aan het feit dat het BHG zijn beperkte financiële middelen besteedt aan problemen die niet tot zijn bevoegdheidsdomein behoren. Deze onwettelijke scheefgroei wordt zeer duidelijk m.b.t. de federale Beliris-gelden die voorzien zijn voor de financiering van initiatieven die het hoofdstedelijk en internationaal karakter van Brussel beklemtonen. Ook van deze federale gelden wordt een deel voor gemeenschapsaangelegenheden uitgegeven. Volgens Peter De Lobel van De Standaard werd er daarenboven begin 2010 meer dan 326 miljoen € van het Beliris-fonds helemaal niet uitgegeven. Sinds 2007 gaat het jaarlijks om 125 miljoen €, zogenaamd bij wijze van economische herstelmaatregel.

BRUSSEL = DE MEERVOUDIGE HOOFDSTAD - ‘DE STAD’

In 2009 publiceerden 120 Brusselse culturele actoren een breed ‘cultuurplan’. Hun analyse is meestal juist, hun conclusies zijn echter verkeerd. Hun Cultuurplan legt een visie voor Brussel op tafel. Zij onderstrepen dat Brussel een internationale stad is die tegelijkertijd de voordelen van een relatief kleine stad heeft. Ze gaan er terecht van uit dat ‘cultuur een stuk historisch erfgoed is, dat elke mens met zich meedraagt in zijn identiteit’.
Zij hebben gelijk dat Brussel er niet in slaagt een hoog cultureel imago naar de wereld uit te stralen. Zij hebben gelijk als ze de onmacht om een doeltreffend en coherent beleid te voeren, wijten aan de versnippering van de politieke machtsniveaus. Ze slaan echter de bal mis, wanneer ze de ‘brede stad’ Brussel en haar cultureel ontwikkelingsproces als een gesloten Brusselse aangelegenheid beschouwen, los van de Gemeenschappen. Ze vergissen zich als ze de Brusselse onmacht willen oplossen door de bevoegdheden van het BHG te verruimen met de materies die grondwettelijk onder de Gemeenschappen ressorteren.

Ik deel dus hun optie voor de smeltkroes en een uitgebreid Brussel als een ‘volwaardige regio’ niet. Ik deel wel hun mening dat Brussel een grondige structurele verandering behoeft. De noodzakelijke ingreep om het samenlevingsproces van Brussel te bevorderen en de hoofdstad als volwaardig op de wereldkaart te zetten, vereist een grondige wijziging van de wet, houdende de Brusselse instellingen. Het is te betreuren dat de wijziging van de Brusselwet niet opgenomen is in het ‘Vlinderakkoord’ van de regering Elio Di Rupo. De Brusselse hervorming is en blijft echter noodzakelijk, ook als aparte wijziging van de bestaande wetgeving.

BRUSSEL IS DE HOOFDSTAD. DUS EEN STAD! GEEN GEWEST

Brussel heeft enkel een toekomst als gemeenschappelijke hoofdstad van de confederatie en de deelstaten. Brussel behoort territoriaal tot geen deelstaat. De 19 gemeenten moeten samengevoegd tot één stad van ruim 1,1 miljoen inwoners op 161 km2, wat neerkomt op meer dan 7.000 inwoners per km2. Volgens prognoses zal de bevolking over 5 à 10 jaar met ongeveer 250.000 inwoners groeien.

Het institutioneel statuut van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest moet worden afgeschaft en vervangen door een hoofdstedelijke constructie, gelijkaardig aan deze van Parijs:

Zoals de hoofdstad van Frankrijk moet Brussel worden opgebouwd vanuit districten. We kunnen in Brussel 20 districten onderscheiden: de huidige 19 gemeenten en een 20ste district, samengesteld uit de Brusselse deelgebieden Laken, Neder-Over-Heembeek en Haren.
Deze districten omvatten elk een aantal wijken. Ieder district kiest zijn eigen districtsraad op eentalige kandidatenlijsten. In totaal worden er ongeveer 375 districtsleden gekozen, waarvan 1/3 Nederlandstalige en 2/3 Franstalige. Elke districtsraad kiest uit eigen schoot een taalparitair districtsbestuur dat bij consensus beslist. Een district heeft ‘gedecentraliseerde’ bevoegdheid met betrekking tot aangelegenheden die dicht bij de burger aansluiten: o.m. de burgerlijke stand, de wijkontwikkeling, de buurtanimatie, het lokaal welzijnsbureau, het lokaal jeugd- en seniorenbeleid… Het krijgt daartoe een budget van de Hoofdstedelijke Raad.

Zoals in Parijs kiezen de districtsraden samen en uit eigen schoot een Hoofdstedelijke Raad. Deze bestaat uit 75 leden (50 FR en 25 NL). Deze Raadsleden kiezen op hun beurt het Hoofdstedelijk College, bestaande uit een Burgemeester en twee Franstalige + twee Nederlandstalige schepenen. Het College beslist bij ‘consensus’. De Hoofdstedelijke Raad en het Hoofdstedelijk College beschikken, zoals in elke stad, over alle bevoegdheden die het algemeen belang van de inwoners aangaan, dus niet alleen inzake de plaatsgebonden maar ook de persoonsgebonden materies, voor zover het tweetalige instellingen betreft (zie 5°). Bovendien behoren de aangelegenheden in verband met de hoofdstedelijke functie ook tot de volle bevoegdheid van de Hoofdstedelijke Raad en College.

De Hoofdstedelijke Raad bevat een Nederlandse en een Franse taalgroep. Elke taalgroep vormt een Hoofdstedelijke Cultuurcommissie, respectievelijk de NCC en de CCF. De leden van de cultuurcommissie kiezen uit hun schoot een bestuurscollege. Er is onverenigbaarheid tussen het lidmaatschap van het Hoofdstedelijk College en dit van het bestuurscollege van een cultuurcommissie. De cultuurcommissies hebben een ‘gedeconcentreerde’ bevoegdheid inzake de ‘unicommunautaire’ instellingen, met betrekking tot de persoonsgebonden materies. Zij oefenen hun bevoegdheid uit, deels onder toezicht van het Hoofdstedelijk College van Burgemeester en Schepenen en deels onder toezicht van hun respectieve deelstaat.
Met andere woorden: 1) de twee cultuurcommissies beslissen bij middel van verordeningen die kaderen binnen de decreten en de besluiten van hun respectieve deelstaat, en 2) het Hoofdstedelijk College van Burgemeester en Schepenen moet akkoord gaan met de inplanting van nieuwe instellingen en zorgt voor de coördinatie en samenwerking tussen de twee cultuurcommissies.

De Vlaamse en de Waalse deelstaat zijn, wat de persoonsgebonden aangelegenheden betreft, elk ten volle bevoegd tot in de hoofdstad. De decreten ter zake blijven er volledig van kracht ten aanzien van de instellingen die door hun activiteiten of organisatie tot de ene of de andere gemeenschap behoren.

Het Hoofdstedelijk College en de Hoofdstedelijke Raad zijn ook bevoegd inzake de persoonsgebonden aangelegenheden, maar enkel als het instellingen betreft, wier activiteiten of organisatie niet tot de uitsluitende bevoegdheid van één van beide cultuurcommissies behoren, de zogenaamde ‘bicommunautaire’ instellingen. Deze moeten volstrekt tweetalig werken en bestuurd worden. De beslissingen in deze sector vereisen een meerderheid in elke taalgroep van de Hoofdstedelijke Raad.

Wat de plaatsgebonden aangelegenheden betreft, moet de confederatie zorgen voor een algemeen kader van wetten en besluiten, waarbinnen de hoofdstad haar beleid kan voeren. Het is aangewezen deze wettelijke basis beperkt te houden tot wat noodzakelijk is als grondslag voor een doorgedreven autonoom hoofdstedelijk beleid. De confederatie oefent een algemeen toezicht uit op de besteding van de financiële middelen die aan de hoofdstad ter beschikking worden gesteld voor haar autonoom beleid binnen het kader van de wettelijke basis.

De Hoofdstad wordt integraal tweetalig (NL en FR) bestuurd. De bestaande taalwetgeving, houdende het gebruik van de talen in de administratie van de Brusselse gemeenten, blijft dus van kracht en is van toepassing op alle hoofdstedelijke organen. Zij staan onder de algemene voogdij van de confederale overheid inzake de conformiteit van hun beslissingen met de wettelijke voorschriften, dus niet inzake de opportuniteit van het beleid. Om benoemingen die strijdig zijn met de taalwetgeving te voorkomen, geldt de ‘goedkeuringsvoogdij’ in plaats van de ‘afkeuringsvoogdij’. Deze voogdij wordt door de confederale overheid uitgeoefend.

De Hoofdstad moet beschikken over de nodige financiële middelen om haar stedelijke en hoofdstedelijke functies uit te oefenen. Afgezien van de eigen inkomsten, ontvangt ze daartoe dotaties van de entiteiten, waarvan zij de hoofdstad is, namelijk de confederatie, de deelstaten en de Europese Unie. Deze financiering gaat uit van het principe dat deze instanties tot solidariteit ten aanzien van hun hoofdstad verplicht zijn. Deze overheden mogen trouwens, steeds in overleg met het Hoofdstedelijk College van Burgemeester en Schepenen, investeren in hun hoofdstad.

Het Hoofdstedelijk OCMW heeft de volle bevoegdheid die in de OCMW-wetgeving bepaald is. Het kan dienaangaande steunen op een ‘gedeconcentreerd welzijnsbureau’ in elk district. Ook in deze organen geldt dezelfde taalwetgeving.

DE ZOGENAAMDE ‘METROPOOL’

De sociaaleconomische impact van de hoofdstad strekt zich natuurlijk uit tot ver buiten de grenzen van de hoofdstad, wellicht over heel het territorium van de vroegere provincie Brabant. Maar dit moet geenszins leiden tot een nieuwe structuur die de schijn heeft een uitbreiding van Brussel te beogen. Niets belet de Hoofdstad ‘samenwerkingsverbanden’ te sluiten met de nabijgelegen Vlaamse gemeenten, de provincies Vlaams- en Waals-Brabant en de Vlaamse en Waalse deelstaat, onder meer inzake ruimtelijke ordening, openbare werken en wegenbouw, migratie, mobiliteit, economische ontwikkeling, gezondheidszorg en tewerkstelling.

Deze federalistisch geïnspireerde coöperatie is te vergelijken met de EU-regio’s Rijsel-Kortrijk-Doornik en Aken-Maastricht-Genk-Luik. Op dezelfde manier en om gelijkaardige sociaaleconomische redenen zijn de ‘samenwerkingsverbanden’ tussen de Hoofdstad en haar omgeving niet alleen nuttig, maar zelfs noodzakelijk. Ze moeten als zodanig wettelijk geregeld worden, zonder de grenzen van de Hoofdstad te wijzigen.

BESLUITEN

1. De hoofdstad Brussel mag de band met de deelstaten, waarvan zij de gemeenschappelijke hoofdstad is, niet verliezen.
De Vlaamse en de Franse Gemeenschap hebben elk een eigen verleden en toekomstproject. Ze zijn beide broodnodig voor het ontwikkelingsproces van hun hoofdstad. In dit verband moet worden onderstreept dat de taalwetgeving niet mag gewijzigd of afgezwakt worden. Zij is immers van algemene orde en dus van wezenlijk belang voor een coherente samenleving. Het respect voor de ‘bestaande’ taalwetgeving en voor de ‘bestaande’ territoriale grenzen is een wezenlijke voorwaarde voor het behoud van een harmonieuze samenleving in de hoofdstad en in heel de confederatie.

2. De ontwikkeling van het Brussels samenlevingsproces kan niet lukken vanuit een positie als ‘afzonderlijk gewest’.
De Brusselaars hebben bijvoorbeeld geen nood aan een ‘Brussels onderwijs of een Brusselse cultuur’. Wel aan een Nederlandstalig en een Franstalig onderwijs dat de leerlingen van diverse culturen tot meertaligheid opleidt. Niets belet de tweetalige (NL en FR) hoofdstad creatieve maatregelen te treffen om tegemoet te komen aan de vele anderstalige inwoners.

3. Het statuut van ‘gemeenschappelijke hoofdstad’ sluit in geen geval overleg en samenwerking uit.
Een constructieve dialoog in een geest van wederzijdse waardering tussen de diverse overheden binnen de hoofdstad en de confederatie maar ook tussen de culturele actoren en de welzijns- en onderwijsinstellingen is meer dan gewenst.

4. De twee grote deelstaten hebben elk een immense verantwoordelijkheid ten overstaan van de verschillende culturen die in hun gemeenschappelijke hoofdstad aanwezig zijn.
Met de ondersteuning van de confederatie en de deelstaten zal Brussel, vanuit haar grondwettelijke functie van hoofdstad, in staat zijn om, in een interculturele dialoog gebaseerd op openheid, gelijkheid en respect en niet in een geest van concurrentie en confrontatie, de uitdagingen van een internationale en Europees erkende Hoofdstad aan te gaan. Dan zal deze ‘stad’ in staat zijn - zoals de auteurs van het Cultuurplan het wensen - zich als een ‘cultuurstad’, in de brede zin van het woord, aan de wereld aan te bieden. Dan kan deze hoofdstad zowel aan de wensen van de Vlamingen als aan de verlangens van de Franstaligen beantwoorden. Om deze belangrijke hoofdstedelijke taak met allure en succes te vervullen, heeft Brussel nood aan een positieve opstelling en waardering van alle overheden en inwoners, zowel van de confederatie als van de deelstaten. Dit betekent eveneens dat elke agressie, minachting of vijandigheid van de Gemeenschappen, ten overstaan van elkaar en het Belgisch samenwerkingsverband, moet ophouden. Zonder constructieve wil tot samenleven, zonder respect voor de basisregels van een harmonieuze coöperatie kan geen enkele constructie overleven.

Deze optimale constellatie veronderstelt ook een gewijzigde houding m.b.t. de zogenaamde financiële stroom naar Brussel. Het is evident dat de confederatie, de deelstaten en de Europese Unie financieel bijdragen aan de uitoefening van de hoofdstedelijke functie. Brussel is immers de gemeenschappelijke’ hoofdstad. Deze vereiste financiering omvat niet alleen bijdragen met betrekking tot de ontwikkeling van de persoonsgebonden aangelegenheden: cultuur, onderwijs, welzijn en gezondheidszorg, maar ook bijdragen op het vlak van de plaatsgebonden materies: de uitbouw van het openbaar vervoer, de regeling van de mobiliteit en de verkeersveiligheid, de organisatie van de politie en het gerecht, de structuren ter bevordering van de integratie en het wederzijds respect voor de vele culturen, de restauratie van achtergestelde wijken, de hoge vereisten inzake huisvesting, tewerkstelling en opleiding van kansarme jongeren, als gevolg van de demografische groei.

Voor deze verschillende problemen moet de Brusselse overheid dringend ‘meerjarenplannen’ opstellen, zowel inhoudelijk als budgettair. Het is aan de deelstaten, de confederatie en de Europese Unie om te zorgen voor de nodige financiering van deze projecten. Wellicht zal het globale bedrag dat hiervoor jaarlijks vereist is het half miljard euro overschrijden.

We staan voor een immense opdracht die ons geen keuze laat. Er is geen alternatief. Ook niet voor de toekomst van de hoofdstad. Ofwel ontwikkelt Brussel zich tot een sterke meervoudige hoofdstad die in staat is de tegenstellingen tussen de verschillende culturen te overstijgen en hen met elkaar te verbinden. Ofwel verliest Brussel haar internationaal karakter met alle nadelige gevolgen voor elke Gemeenschap.

Vic Anciaux
Erevolksvertegenwoordiger

Gewezen staatssecretaris van de Belgische en de Brusselse Hoofdstedelijke Regering
Oud-voorzitter van de Volksunie

staatshervoming - Brussel - gewesten - gemeenschappen

Samenleving & Politiek, Jaargang 19, 2012, nr. 4 (april), pagina 4 tot 14