Abonneer Log in

De crisis van de sociaaldemocratie

Samenleving & Politiek, Jaargang 19, 2012, nr. 6 (juni), pagina 59 tot 67

Dit essay werd geschreven naar aanleiding van een bijeenkomst De crisis der partijen in Vlaanderen en Nederland’, georganiseerd door de Stichting Gerrit Kreveld en de Bart Tromp Stichting. Voorzet voor de discussie werd een briljant essay van Nederlands socioloog, politicoloog en PvdA-ideoloog Bart Tromp, getiteld ‘De crisis der partijen en enkele voorstellen deze te overwinnen’ (in: Politieke partijen op drift. Het vierentwintigste jaarboek voor het democratisch socialisme, Wiardi Beckman Stichting, Amsterdam, 2003). Deze dwarse, linkse denker overleed in 2007. Het essay, bijna 10 jaar geleden geschreven maar visionair en verbazend actueel, is een mooie aanleiding om na te denken over de crisis der partijen, die veel partijen treft, maar die heel pijnlijk het hart van de sociaaldemocratie raakt.

HET PLEBISCITAIR SYNDROOM

Onderstaand citaat uit dat essay biedt een kernachtige samenvatting van de analyse die Tromp maakt van de plebiscitaire tendensen binnen de hedendaagse Europese democratie en sociaaldemocratie, alsook van het oordeel dat hij daarover velt:

‘De logica in het verhaal... is de logica van wat ik het plebiscitair syndroom zou willen noemen. In dit syndroom versterken de vectoren van de vier daarin bijeengebrachte elementen (campagnepartij, plebiscitaire democratie, ‘first past the post’-kiesstelsel en ontideologisering) elkaar omdat ze alle vier in precies dezelfde richting gaan: de ontmanteling van de autonome en programmatische politieke partij, met als alternatief wat Perger ‘het populisme van de sterke man’ noemt, de vervanging van het politieke programma op lange termijn door het ene luidruchtig gelanceerde ideetje na het andere, volgens het door Bos omhelsde ‘Nokia-procédé’ en de transformatie van partijleden in klapvee (‘donateurs’). Het logische sluitstuk van deze ontwikkeling is de vervanging van de parlementaire democratie door een presidentieel stelsel.’

Bart Tromp, die nooit verlegen zat voor een scherpe opmerking, voegt daar nog aan toe dat die plebiscitaire bocht ook electoraal een miskleun werd. Als dimensies of nevenverschijnselen van het plebiscitaire syndroom had hij trouwens ook nog kunnen verwijzen naar de lippendienst die aan directe democratie wordt bewezen, de naïviteit waarmee van de ‘gewone mensen’ de oplossing van moeilijke maatschappelijke en politieke problemen wordt verwacht, maar ook het heel reële succes dat populistische partijen boeken van zodra ze hun populisme koppelen aan anti-immigratiestandpunten, moslimscepsis of Eurofobia.

UITGANGSPUNTEN

Met het negatieve oordeel van Bart Tromp over die plebiscitaire tendens ben ik het grotendeels eens. Eens ben ik het ook met zijn stelling dat er geen maatschappelijke evolutie richting individualisering bestaat, die een dergelijke aanpassing of bijsturing van het politieke systeem vereist of wenselijk maakt (met het argument van een onstuitbare individualisering stuurde Giddens een groot aantal nietsvermoedende sociaaldemocraten de doodlopende Derde Weg op). Dat neemt echter niet weg dat de traditionele partijen nu in een wereld leven waarin ze voor communicatie volkomen afhankelijk zijn van de massamedia, zowel van de al enigszins vertrouwde oude media, als van de zogeheten nieuwe media waarvan de effecten nog minder goed gekend zijn en die daarom het voorwerp van mythevorming worden (Facebook en Twitter zouden voor een Arabische lente zorgen… waren we even die zeer oude software ‘islam’ vergeten, die in vergelijking met Facebook en Twitter voor veel meer verbondenheid, mobilisatie en vastberadenheid blijkt te kunnen zorgen).

Een samenleving waarin massamedia de communicatie beheersen, stuwt de democratie en zijn actoren (waaronder partijen) richting personalisering, populisme en dramademocratie. Bart Tromp onderschat die druk en schrijft de plebiscitaire tendensen te veel, haast exclusief, op rekening van individuele politici. In het essay moet vooral Wouter Bos (PvdA) het ontgelden.

GEMEDIATISEERDE POLITIEK

Onnoemlijk veel mensen worden bereikt door de media en zij spenderen daar behoorlijk wat tijd aan, gemiddeld over een week bekeken, zowat een flinke halftijdse job. Mensen geboren na de Tweede Wereldoorlog zullen op het einde van hun leven veel meer tijd hebben doorgebracht voor het televisiescherm dan ze ooit zullen hebben gewerkt. Dat is niet zonder effecten, maar het belang van de media is vooral het gevolg van het verdwijnen van de krachten die vroeger het denken, doen en voelen van de mensen stuurden. Zeker in Europa en onder de zogeheten autochtone bevolkingen is de invloed van religie en ideologie sterk afgenomen, nagenoeg verdwenen. Zeldzaam, zonderling zelfs, zijn de mensen die streng de leer van godsdienst of ideologie volgen. Gezag dat steunt op integer geloof, religieus of ideologisch, boezemt geen ontzag meer in, is zelfs een beetje lachwekkend geworden. Gehoorzaamheid en zelfdwang zijn niet langer deugden, maar tekenen van een stroeve, ouderwetse persoonlijkheid. Het sturen van het gedrag - een universeel verschijnsel - is ook niet en was nooit of zelden een kwestie van louter dwang en naakte machtsuitoefening. Echte macht is al altijd in de eerste plaats een kwestie van betekenissen geweest, gebouwd ‘op de zachte vezels van de hersenen’ zoals Michel Foucault dat fraai formuleerde. Kortom, het is een kwestie van het sturen van de selectieve perceptie en interpretatie van de werkelijkheid. Die taak werd, althans in het Westen en zeker in Europa, uit handen van religie en ideologie genomen en bijna exclusief aan de media toevertrouwd. Het gaat daarbij om een globaal proces dat lokaal specifieke gevolgen heeft. In de Arabische wereld bijvoorbeeld, wordt de media-invloed geconfronteerd met levendig geloof, in het noordwesten van Europa met verdwenen geloof. Ondanks die variaties is het niet overdreven te stellen dat de nieuwe wereldorde meer en meer berust op de communicatieprocessen van massamedia (waartoe ik ook de zogeheten individualiserende media reken). De namen van een aantal belangrijke spelers en spelverdelers van dat proces klinken vertrouwd - CBS, Yahoo, TimeWarner, Viacom, NBC, Google, Walt Disney, Microsoft, Bertelsmann… Zij geven betekenis aan het leven en de wereld. We kunnen taalspelletjes spelen en zeggen dat de massamedia worden vervangen door geïndividualiseerde media, dat massacommunicatie omslaat in ‘zelf-communicatie’. Maar dat is allemaal woordkramerij, propaganda van de concerns die een nooit eerder geziene bekwaamheid hebben om de perceptie, interpretatie en betekenis van de wereld te bepalen.

Het komt me voor dat Bart Tromp in zijn overigens visionair en moedig essay het belang van die ontwikkeling heeft onderschat. We kunnen samen met Tromp de plebiscitaire tendens betreuren, maar kunnen niet ontkennen dat deze een voedingsbodem vindt in de huidige samenleving en de hedendaagse cultuur; niet in de individualisering, verre van, maar in de nieuwe vormen van sturing en sociale controle. Dat betekent natuurlijk niet dat men er zich niet kan of hoeft tegen te verzetten. Dat is wat Bart Tromp heeft gedaan. Hij pleit er voor geen wijzigingen aan de spelregels van de democratie te aanvaarden die in de richting van de personalisering, de Westminsterachtige winner-take-all systemen, directe democratie of plebiscitaire democratie gaan. In mijn boek, De dramademocratie (2002), kwam ik tot eenzelfde besluit: probeer niet de media te veranderen (daar verbrand je gegarandeerd je vingers aan; voor je er erg in hebt, word je ervan beschuldigd censuur te bepleiten). Verander daarentegen de spelregels van het politieke systeem: geen directe verkiezing van uitvoerende ambten, weg met de persoonlijke voorkeursstem, liefst geen directe democratie (of enkel voor constitutionele aangelegenheden), enzovoort. De dramademocratie was niet direct een pleidooi voor ‘smoked filled rooms’, maar vroeg wel begrip voor een politiek die zich af en toe ten dele aan de openbaarheid onttrekt. Het is overigens altijd goed enig begrip te hebben voor dingen die toch heel dikwijls gebeuren.

EINDE VAN DE GESCHIEDENIS, EINDE VAN DE IDEOLOGIE… KORTOM, EINDE?

Men moet vaststellen dat dergelijke pleidooien niet op veel enthousiasme zijn onthaald. Canapé-politiek heeft een slechte pers. Populistische retoriek doet het daarentegen prima. Pleidooien voor directe democratie zijn niet verdwenen en werden aangevuld met experimenten in zogeheten deliberatieve democratie die, zelfs als ze patent onzinnig zijn, kunnen rekenen op heel veel welwillende mediabelangstelling… tot ze ten gevolge van hun superlatieve wereldvreemdheid een stille dood sterven. Het volstaat dus niet aan te tonen dat een bepaalde politieke ontwikkeling heel wat nadelen en gevaren inhoudt, om deze te keren, toch niet als die politieke ontwikkeling gedragen en gestuwd wordt door een bredere maatschappelijke veranderingsgang.

Met die laatste heeft Bart Tromp onvoldoende rekening gehouden. Dat blijkt bijzonder duidelijk uit de ambivalente wijze waarop hij omspringt met de stellingen van het ‘einde van de geschiedenis’ en het ‘einde van de ideologie’. In de aanhef van zijn essay gebruikt hij deze als uitgangspunt van zijn maatschappijdiagnose en verbindt hij ze met individualisering. Verder in zijn essay geeft hij aan dat hij geen geloof hecht aan het bestaan van individualisering. Hij spreekt van het einde van de grote verhalen, maar wijst later op de sterke dominantie van het neoliberalisme. Is dat dan geen groot verhaal, is dat geen ideologie?

Misschien is het oplossen van die contradicties een voorwaarde om te kunnen nadenken over de crisis der partijen en de middelen om deze op te lossen.

De versie van de these van het einde van de geschiedenis waarmee ik het best vertrouwd ben, is die van Max Weber. In het slot van zijn Protestantse Ethiek stelt hij dat de moderne mens de capaciteit heeft verloren om zijn gedrag te sturen door overtuiging (religieus of ideologisch geïnspireerd) en zich daarmee heeft opgesloten in de ijzeren kooi van een rationeel-utilitaire benadering van de werkelijkheid: streven naar efficiëntie zonder vragen te stellen over het doel. Dat is het nogal bleke beeld dat Weber zich vormt van de moderne mens. Sindsdien werd het duizend keer herhaald, onder meer door Horkheimer en Adorno in Dialectiek van de Verlichting en door Zygmunt Bauman in zijn boek over de Holocaust, alsook door Francis Fukuyama. Meer dan tachtig jaar nadat Weber zijn essay publiceerde herhaalt deze laatste de diagnose van het einde van de geschiedenis met heerlijk hedendaagse tropen: ‘Het einde van de geschiedenis wordt een trieste tijd. De strijd voor erkenning, de bereidheid zijn leven te geven voor een abstracte zaak, de wereldwijde ideologische strijd die beroep deed op durf, moed en verbeeldingskracht… dat zal allemaal worden vervangen door economische berekening, de zoektocht naar louter technische oplossingen, een beetje bezorgdheid over het milieu en het streven naar consumentensatisfactie’. Economische berekening, de zoektocht naar louter technische oplossingen, een beetje bezorgdheid over het milieu en het streven naar consumentensatisfactie… ben ik nu de enige die daarin het beste van de recente sociaaldemocratie erken, alsook het allerbeste van de andere traditionele partijen en beleidspartijen? In die zin beleven we inderdaad het einde van de geschiedenis, en wel een bijzonder trieste tijd, zozeer zelfs dat de mensen die nu op straat komen om te protesteren tegen deze geschiedenisloze en dus alternatiefloze vastgelopen samenleving, niet verder komen dan… verontwaardiging. ‘Ik ben verontwaardigd’. ‘U bent verontwaardigd’. ‘Zullen we dan maar samen in een tentje kruipen’. Waarschijnlijk had Max Weber zoiets voor ogen als hij het over de ‘ijzeren kooi’ had. Buiten die kooi is er dat tentje en onze verontwaardiging, maar blijkbaar geen alternatief voor een economische orde die Europa ten gronde richt.

WAAR BLIJFT DE ‘INSPIRERENDE KRACHT’?

In 1978, een viertal jaar voor Francis Fukuyama op het idee kwam, werd het einde van de geschiedenis al door Joop den Uyl afgekondigd, speciaal voor de PvdA:

‘ In onze tijd wordt nogal eens de klacht gehoord, dat er zo weinig utopie meer is, dat de inspirerende kracht van het geloof in een andere en betere wereld (…) thans ontbreekt. Daarin ligt voor mij geen reden tot ontmoediging of oorzaak van ontluistering. Integendeel. De wereld bewoonbaar en het bestaan leefbaar maken is een opdracht voor elke generatie (…)’.

In 1995 herhaalde Wim Kok dat citaat in zijn den Uyl-lezing, eigenlijk met de bedoeling het laatste greintje inspirerende kracht in de kiem te smoren. Terugblikkend nu, beseft men dat het een spijtig moment was voor de sociaaldemocratie der Lage Landen. Bart Tromp verwijst naar die lezing in zijn essay… als hij het heeft over de ‘gepluimde rode haan’.

Een einde van de ideologie is onmiskenbaar en omvat twee aspecten. Het ene is wat we het einde van de waarheid kunnen noemen. Politieke bewegingen kunnen nog de drager van waarden zijn, maar niet meer van een ideologie die pretendeert zowel waarden en doelen te formuleren als een theorie en analytisch werktuig te zijn dat toelaat de werkelijkheid te kennen en te bepalen wat men in die werkelijkheid moet doen om de vooropgestelde waarden en doelen te bereiken. De ideologie die pretendeert waarden en wetenschap te combineren staat al langer dan een halve eeuw bij het historisch huisvuil. Het werken met waarden is een taak voor bewegingen en partijen, het kennen van de werkelijkheid een taak voor de wetenschap. Mocht het einde van de ideologieën zich daartoe beperken, we zouden kunnen spreken van een ware vooruitgang. Zij heeft echter nog een andere betekenis. De verhalen die de waarden en doelen dragen, worden nog zelden gehoord en nog minder geloofd; de plekken (kansels, volkshuizen, partijbijeenkomsten) waar die verhalen worden verteld, liggen er verlaten bij of worden gebruikt om, zoals Bart Tromp het stelt, ideetjes te lanceren, up, weg on the air waves … en vergeten. De massamedia hebben de rol van kansels, volkshuizen en partijbijeenkomsten overgenomen, maar vertellen een ander verhaal waarin er weinig of geen plaats is voor de sociaaldemocratische waarden van doeltreffende solidariteit, voor een pleidooi voor gelijkheid én vrijheid, voor de noodzaak politiek op een redelijke wijze te beoefenen, voor het belichten van de behoefte aan een efficiënte en doeltreffende overheid, voor de ethiek van verbondenheid en zorgzaamheid. De nieuwe media wekken de indruk dat iedereen daar kan zeggen wat hij wil, maar wat men er als geventileerde opinies kan lezen getuigt van veel haat en frustratie.

Is het neoliberalisme dan de laatste levende ideologie? Het is in elk geval de ideologie die perfect past bij het einde van de geschiedenis: de ideologie die pretendeert de menselijke natuur te vatten en die het formuleren van doelen verwerpt om enkel te kijken naar efficiëntie, ongeacht het doel. Zij past perfect bij een wereld die bestaande machtsverhoudingen niet in vraag stelt en die mensen optimaal wil instrumentaliseren in functie van die machtsverhoudingen. In die zin is het geen ideologie, toch niet als men van een ideologie ook een alternatief voor het bestaande verwacht, een visie op hoe de samenleving rechtvaardig en duurzaam kan zijn. Het neoliberalisme biedt dat niet. Het is een steeds minder geloofwaardige verantwoording van bestaande toestanden. De interpretatiekaders waarop het neoliberalisme steunt, worden verspreid via de neoklassieke economie, nutstheorieën allerhande, rational choice benaderingen enzovoort, allemaal als wetenschap verklede verantwoordingen van de bestaande en, zo blijkt nu, destructieve machtsverhoudingen.

WAT IS SOCIAALDEMOCRATIE?

De kernaanname van die ideologie die als wetenschap poseert, is dat mensen uit eigenbelang handelen en dat op een rationele wijze doen als ze daar niet te dom of te onwetend voor zijn. Op die aanname steunt het liberalisme in al zijn vormen. Ook veel sociaaldemocraten hebben dat interpretatiekader overgenomen en geloofd dat mensen sociaaldemocraat stemden om hun belangen te verdedigen (om het argument enigszins plausibel te maken in de context van de verdediging van de welvaartsstaat werd wel van ‘welbegrepen eigenbelang’ gesproken - en daarmee werd bedoeld: begrepen zoals de gebruiker van die uitdrukking dat begrijpt). Dat welbegrepen eigenbelang, zo geloofden velen, deed de mensen kiezen voor de welvaartsstaat. Het door de sociaaldemocratie gekanaliseerde politieke streven, was het streven naar betere onderwijskansen voor de kinderen, een decent pensioen, toegang tot medische zorgen, vervanginkomens bij werkloosheid, betere huisvesting, kortom ‘de kwaliteit van het bestaan’ zoals den Uyl het formuleerde. Maar stemden die mensen sociaaldemocraat om die belangen te behartigen, of stemden ze sociaaldemocraat omdat zij met de sociaaldemocratie een verhaal deelden dat hen toeliet hun belangen, zorgen en verzuchtingen te beschouwen als onmisbare bouwstenen van een nobel streven naar een betere, meer rechtvaardige samenleving. De mensen stemmen nu niet meer sociaaldemocraat, niet omdat hun belangen zouden veranderd zijn, niet omdat de sociaaldemocratische partijen die belangen niet meer zouden behartigen, maar omdat het verhaal dat aan het behartigen van die belangen een historische, nobele, beschaving-scheppende betekenis gaf, verschraald en verdwenen is.

Daarom denk ik niet dat de crisis der partijen kan worden opgelost door te sleutelen aan de spelregels van de democratie. Op dat punt ben ik het grondig oneens met het essay van Bart Tromp, alsook met mijn eigen conclusies in het laatste hoofdstuk van mijn boek De dramademocratie (2002). De situatie is nu haast wanhopig; in elk geval veel te ernstig om met spelregels bezig te zijn. De geschiedenis moet terug op gang worden getrokken.

GESCHIEDENIS MAKEN

Dat is een zware klus. Het veronderstelt mobiliseren. Voldoende om niet alleen een plein te vullen, maar ook nog een verkiezing te winnen. Het hedendaagse succes van het populisme biedt misschien inspiratie. Er is heel veel boeiend werk over populisme verricht, maar dat handelt bijna uitsluitend over het succes van partijen die (terecht of ten onrechte) als populistisch worden beschouwd. Die aanpak heeft het nadeel dat men de aantrekkingskracht van het populisme van die partijen niet kan onderscheiden van de aantrekkingskracht die dergelijke partijen ontlenen aan hun andere standpunten (minder belastingen, minder moslims, minder Europa, minder politiek en meer veiligheid en meer repressie). Om de drijfveren van populisten te kennen, moet men populisme als een houding, los van partijvoorkeur bestuderen. Dat wordt zelden gedaan. Naast de eigen pogingen in 2006 en 2010 kwam ik er tot nog toe maar twee andere op het spoor (eentje in de V.S. en eentje in Slovenië). Uit onze analyse (het gaat om een artikel dat samen met Bram Spruyt werd geschreven en dat heel binnenkort in het Nederlandse tijdschrift Sociologie zou moeten verschijnen) blijkt dat populisten gedreven worden door drie factoren.

Ten eerste, het gevoel onrechtvaardig behandeld te worden in deze samenleving, niet te krijgen waar ‘men recht op heeft’ (wat een mooi motief voor sociaaldemocratische kiezers zou zijn, maar het drijft de mensen vandaag naar het populisme, eventueel ook naar links populisme). Ten tweede, een combinatie van een relatief laag opleidingsniveau met een populaire mediavoorkeur (nogal kenmerkend voor de ‘traditionele’ achterban van socialistische partijen). Ik heb de indruk dat men dit moet interpreteren als een ‘democratisering van de waarheid’: wij en al die buitengewoon gewone mensen die in die populaire reality shows worden opgevoerd, zullen het toch zeker even goed weten als die politieke insiders, specialisten, experts, professoren en andere hooggeschoolde knoeiers en ‘opinieschijters’ (zoals een van mijn informanten het bijzonder grafisch uitdrukte). Ten derde, en dit is de meest belangrijke, doorslaggevende factor, vooral mensen die vinden dat het slecht gaat met de samenleving worden populist. Het gaat niet om mensen die ontevreden zijn met hun persoonlijke leven (integendeel), maar om mensen die vinden dat het steil bergaf gaat met de samenleving. Het Nederlandse Sociaal Cultureel Planbureau heeft ook al verschillende keren vastgesteld dat dit ook in Nederland een grote groep is: best tevreden met het eigen leven, heel ontevreden met de gang van zaken in de samenleving. Het is bovenal die onvrede met de gang van zaken in de samenleving, die mensen naar het populisme drijft. Zij blameren de ‘elite’ en de beleidspartijen die ze trouwens met de elite identificeren, en hopen dat het met het gezonde verstand van de gewone mensen als richtsnoer veel beter zou gaan.

Verschillende meer concrete gronden van onvrede liggen aan de basis van die sociale malaise. Sommige daarvan zijn uit de lucht gegrepen, of toch gedeeltelijk of grotendeels, zo bijvoorbeeld de idee dat sociale samenhang en verbondenheid en participatie en solidariteit, vroeger veel beter en solider waren dan nu; in de schrale jaren 1950 zelfs hoge toppen scheerden. Historisch klopt dat niet, maar het is waarschijnlijk wel zo dat mensen vandaag geconfronteerd worden met veel meer storende drukte, gebrek aan respect en schofterigheid.

En dan zijn er de klachten die heel terecht lijken. Ik vat ze kort samen in de terminologie die doorgaans in publicaties als deze wordt gehanteerd, maar die sterk verschilt van de minder aseptische taal waarin de mensen deze klachten formuleren:
- economische globalisering, verhoogde concurrentiedruk, de noodzaak meer en langer te moeten werken, waarschijnlijk voor minder geld; de vrees geen werk te hebben omdat de wereld niet meer zit te wachten op wat wij kunnen maken en leveren;
- het verlies aan politieke soevereiniteit van het land, de daarmee gepaard gaande machteloosheid van de politiek en de politici, het groeiende belang van het niet transparante, ongrijpbare Europa;
- het mislukken van de multiculturele samenleving, de problemen die daardoor worden veroorzaakt in de scholen en de buurten, de druk op het sociale zekerheidsstelsel dat daardoor ontstaat, de hoge criminaliteit van de ‘vreemden’ en de met moslims en andere vreemdelingen gevulde gevangenissen die daar het gevolg van zijn.

Die klachten werden opgetekend voordat de bankcrisis van 2008 en de daaruit voorvloeiende Lange Recessie waren uitgegroeid tot het sociale en economische drama dat we nu, vooral in de perifere landen van Europa beleven. Waarschijnlijk is het oordeel over de gang van zaken in de samenleving daardoor nog negatiever geworden.
Men hoort geregeld beweren dat het eigenaardig en ontmoedigend is dat links en in het bijzonder de sociaaldemocratie niet meer aanhang kreeg naar aanleiding van deze crisis. De overwinning van de socialistische presidentskandidaat in Frankrijk, de successen van de sociaaldemocraten in de Duitse deelstaten, de linkse overwinning in de regionale verkiezingen in Andalusië, zorgen inmiddels voor een wat minder zwartgallige stemming, maar de diagnose blijft overeind. De sociaaldemocratie beschikt over de ervaring om Europa uit deze crisis te loodsen en haar Keynesiaanse reflexen passen uitstekend bij dit tijdsgewricht. Toch hebben de kiezers zich sinds 2008 in verschillende landen van de sociaaldemocraten afgewend. Echt verbazend is dat niet. De sociaaldemocratie is er tot nog toe niet in geslaagd haar antwoorden duidelijk te formuleren; zij wist geen perspectief te bieden. Het bestrijden van de crisis van de sociaaldemocratie, en van het rechtse én linkse populisme, veronderstelt dat onder meer over de opgesomde problemen, die door grote delen van de bevolking als belangrijk en prioritair worden ervaren, duidelijke standpunten worden ingenomen. Zeggen hoe we die problemen gaan aanpakken en dat zeggen op een manier die geloofwaardig en realistisch is, zou de sociaaldemocratische politici nu dag en nacht moeten bezighouden. Het werd inmiddels heel duidelijk wat van hen wordt verwacht.

Of de crisis van de sociaaldemocratie op die manier effectief kan worden aangepakt, hangt af van twee andere voorwaarden. Ten eerste, de ingenomen standpunten moeten voldoende mensen aanspreken, voldoende mensen toelaten hun persoonlijke zorgen en verzuchtingen te erkennen in het verhaal van de sociaaldemocratie en in dat verhaal de weg naar een meer rechtvaardige en duurzame samenleving te onderkennen. Ten tweede, het verhaal dat met die standpunten wordt opgebouwd, moet verbazend, grensverleggend, schokkend genoeg zijn om in de massamedia te weergalmen en te blijven galmen, en voor eens en altijd komaf te maken met de overigens pertinente bewering dat de sociaaldemocratie vandaag geen overtuigend verhaal heeft, de laatste kwarteeuw dikwijls blind is geweest voor ‘de echte problemen van de gewone mensen’, en deze nu slechts met mondjesmaat erkent: met tegenzin millimeters opschuift, daar waar een omwenteling nodig is. De retoriek van populistische partijen doet me de uitdrukking ‘de echte problemen van de gewone mensen’ tussen ironiserende aanhalingstekens plaatsen. De retoriek van de populisten werkt inderdaad op de lachspieren en nodigt uit tot ironie, maar dat mag ons niet doen vergeten dat er heel veel gewone mensen zijn en dat die vandaag veel problemen hebben die worden veroorzaakt door een relatief kleine groep van onverantwoordelijke en immorele superrijken.

En, oh ja, als een post scriptum zou ik daar nog aan toevoegen: we hebben ook nog een vijand nodig. Wie is de slechte in ons verhaal? Tijdens de laatste kwarteeuw leek het wel alsof de sociaaldemocratie geen vijanden heeft. Iedereen was mooi en lief, behalve misschien dan die van extreemrechts. Zij werden voorgehouden als de vijand, terwijl zij met hun electoraal succes links in de regering hielden en geenszins verantwoordelijk kunnen worden gesteld voor de crisis die nu de verworvenheden van de Europese sociale beschaving bedreigt. Sociaaldemocratische politici moeten dus dringend op zoek naar nieuwe vijanden. Een politieke beweging zonder vijanden heeft weinig vrienden en nog minder trouwe vrienden.

Mark Elchardus
Hoogleraar Sociologie, Vrije Universiteit Brussel

sociaaldemocratie - ideologie - media en politiek

Samenleving & Politiek, Jaargang 19, 2012, nr. 6 (juni), pagina 59 tot 67