Abonneer Log in

Winst zonder geld

Samenleving & Politiek, Jaargang 19, 2012, nr. 6 (juni), pagina 22 tot 29

In dit artikel staan we stil bij de mogelijkheden die complementaire munt- en beloningssystemen kunnen bieden om de problemen die zich voordoen in ons klassiek muntsysteem te verhelpen. We bespreken achtereenvolgens de mogelijkheden om via complementaire business-to-business munten een kredietschaarste te overwinnen, de optie om via nationale complementaire munten voor landen als Griekenland en Spanje binnen de eurozone toch intern te kunnen devalueren en de kansen die regionale of lokale beloningssystemen kunnen bieden om onbenut talent aan te spreken voor het lenigen van onbeantwoorde behoeften. Winst zonder geld dus, of hoe economie en samenleving met complementaire munt- en waarderingssystemen terug veerkracht kunnen winnen.1

De wereld van het geld is hoe langer hoe minder in staat om de essentiële noden van onze samenleving te lenigen. De schuldencrisis en de begrotingsdiscipline die eruit voortvloeit, veroorzaakt een negatieve spiraal van afnemende activiteiten die Europa regelrecht in een recessie stort. Burgers durven hun geld niet meer uitgeven uit schrik hun job te verliezen. Ondernemingen durven niet langer investeren uit schrik de voortgebrachte producten niet meer aan de man te krijgen. En de overheid mag van de begrotingsfetisjisten de wegvallende investeringen van gezinnen en bedrijven niet compenseren. Ze moet het mes zetten in de eigen uitgaven, ook al zorgt dit voor verder dalende economische activiteit en nog een grotere daling van de overheidsinkomsten en dus van een groeiend begrotingstekort. De bodem is niet in zicht. Het wantrouwen regeert. Zeker in de Zuid-Europese eurolanden wordt de situatie uitzichtloos. Daar maakt een dodelijke jaren 1930 cocktail van dalende activiteiten, torenhoge werkloosheid (meer dan 50% van de jeugd in Spanje) en gebrek aan perspectief, de baan vrij voor populisme en misschien erger. De ‘gevangenschap’ in de eurozone, maakt voor deze landen een klassieke muntdevaluatie als oplapmiddel voor het herstel van de productiviteit en competitiviteit onmogelijk. Maar zelfs in (kern)landen die het economisch meer voor de wind gaat, kraakt de verzorgingsstaat in haar voegen. De enorme zorgvraag van de vergrijzende bevolking en de nood aan bijkomende scholen en kinderopvang door de vergroening van de bevolking langs de onderkant, leveren facturen op die nog moeilijk op een normale manier financierbaar zijn.

COMPLEMENTAIRE B2B MUNTEN

De financiële crisis die eind 2008 als een tsunami wereldwijd de bankenwereld heeft overspoeld, treft ons vandaag met haar second wave. De massale overheidsinterventies waarmee de banken moesten worden gered, hebben geleid tot een schuldencrisis die de landen verplicht de vinger aan de knip te houden en vele landen nu in een economische recessie stort. Die zorgt ervoor dat de terugbetaling van kredieten aan banken stokt zodat deze zich verplicht zien om terug activa af te boeken en hun kredietverlening verder te beperken. Dat heeft op zijn beurt weer een negatief effect op de reële economie. Die neerwaartse spiraal kan in een langdurige recessie of zelfs in een depressie eindigen. Het huidige monetair systeem heeft de neiging om op- en neergaande fases in de economische cycli te versterken. Op hetzelfde moment verschaffen of beperken banken hun kredieten aan dezelfde sectoren in dezelfde landen en doen zo bellen en inzinkingen ontstaan.

Maar bedrijven kunnen ook zelf strategieën ontwikkelen om de crisis op te vangen. Zo kwamen tijdens de vorige grote crisis in de jaren 1930 in Zwitserland zestien bedrijfsleiders samen om een oplossing te vinden voor de toenmalige bankencrisis. Ze besloten een onderling business-to-business kredietsysteem te ontwikkelen. Bedrijven die tot het coöperatieve B2B-systeem toetraden, gaven elkaar krediet. Ze ontwikkelden op die manier - en destijds tot grote woede van de Zwitserse banken - een complementair muntsysteem dat ze de WIR noemden, een afkorting van Wirtschaftsringe, verwijzend naar een economisch B2B-netwerk. Eén WIR was één Zwitserse frank waard, met het verschil dat er op WIR’s geen interest werd geheven. Als bedrijf A goederen kocht van bedrijf B, kreeg A krediet en B het overeenkomende debet. Het vereffenen van schulden gebeurde door het leveren van goederen aan andere firma’s in het systeem, of via een terugbetaling in de nationale munt. Drie maanden na de opstart namen al 1700 bedrijven deel aan het WIR-systeem, na een jaar waren het er 3000. Bij de coöperatieven konden nu ook WIR’s geleend worden aan een lage interest van één tot anderhalf procent, met assets van de lener als onderpand. Het systeem werkt vandaag nog steeds en heeft ruim 60.000 leden die jaarlijks het equivalent van enkele miljarden Zwitserse frank onderling verhandelen.

De economist James Stodder bestudeerde zestig jaar WIR in Zwitserland en kwam tot de vaststelling dat de merkwaardige economische stabiliteit van Zwitserland het gevolg is van deze bescheiden complementaire munt. Uiteraard verkiezen Zwitserse bedrijven te werken in Zwitserse frank, euro of dollar. In gunstige economische tijden daalt het WIR-verkeer dan ook. Maar telkens als er moeilijkheden zijn, neemt de economische activiteit in WIR toe. De WIR werkt dus als een schokdemper, die de ergste gevolgen van een economische dip opvangt en verhindert dat er economische en sociale catastrofes ontstaan.

Een variant op WIR zien we in Duitsland met de systemen van Regiogeld die eveneens tot doel hebben lokale economieën te ondersteunen en te beschermen tegen de nadelige aspecten van de globalisatie. Het meest gekende voorbeeld is de Chiemgauer in Beieren dat enkele duizenden gebruikers telt en een omzet vertegenwoordigt van enkele miljoenen euro’s. Het Duitse regiogeld verliest zijn waarde met de tijd wat tot nieuwe aankopen stimuleert en de circulatie van de munt versnelt. Op het ogenblik dat de klassieke munten worden opgepot of elders (met groter rendement) worden geïnvesteerd of voor speculatieve doeleinden worden ingezet, kunnen deze alternatieve munten met negatieve rente toch nog voor de nodige ‘bloedsomloop’ zorgen.

Een Belgisch voorbeeld van complementaire muntsysteem is RES dat, net zoals WIR en Regiogeld, ondersteuning wil geven aan lokale handelaars en kmo’s. De deelnemende handelaars (circa 5000) aanvaarden een deel tot het volledige bedrag van aankopen in de RES-munt die rechtstreeks gekoppeld is aan de euro. De deelnemende particulieren kunnen betalen met een getrouwheidskaart waarvan er ondertussen zo’n 100.000 in omloop zijn. Particulieren krijgen een bonus in RES-munten bij iedere herlaadbeurt. Deelnemende handelaars trekken op die manier nieuwe klanten aan en kunnen ook renteloos RES-kredieten aangaan.

NATIONALE COMPLEMENTAIRE MUNTEN VOOR EEN INTERNE DEVALUATIE BINNEN EENZELFDE MUNTUNIE

In een opiniestuk in De Tijd (03/05/2012) pleitte Stefan Duchateau, hoogleraar aan de HUB, voor de invoering van een complementaire munt in Spanje om het land toe te laten binnen de eurozone toch te devalueren. In zijn voorstel zouden de Spaanse lonen dan voor een deel in zo’n complementaire munt worden uitbetaald. De munt zou voor 100% kunnen worden aangewend voor de aankoop van lokale producten en diensten, maar slechts voor 75% van hun nominale waarden kunnen worden ingewisseld tegen euro’s. ‘Daardoor krijgt de Spaanse economie de tijd om geleidelijk haar internationale positie te herstellen, zonder dat dit leidt tot een algemene verarming van de bevolking, wat nu manifest het geval is’, zo besluit Duchateau. ‘Zo’n systeem opzetten is niet moeilijker dan ons stelsel van diensten-, eco- of maaltijdcheques. Het creëert bovendien nuttige werkgelegenheid. Het herstel van de competitiviteit en de stabilisering van de financiële context die daaruit volgen bieden de Spaanse bevolking een realistisch perspectief.’

Enkele weken later vervoegde ook Thomas Mayer, hoofdeconoom van de Deutsche Bank, het rijtje van pleitbezorgers van een complementaire munt voor de probleemkinderen onder de eurolanden en meer in het bijzonder voor Griekenland (zie: Euro, Geuro oder Neue Drachme, Die Welt, 23/05/2012).

GEMEENSCHAPSMUNTEN

In zijn boek Het geld van de toekomst beschrijft de Belgisch monetair filosoof Bernard Lietaer hoe complementaire munt- of beloningssystemen wereldwijd door verschillende lokale overheden werden ingevoerd als ruilmiddel voor het leveren en genieten van gemeenschapsdiensten. Het gaat dan om ‘tijddollars’ die in verschillende staten in de Verenigde Staten worden toegepast, Itacha-uren die worden gebruikt in het stadje Itacha in de staat New York, de eigen munt die wordt gebruikt in de provinciehoofdstad Curitiba in Brazilië, de wederzijdse kredietmunten zoals LETS (wat staat voor Local Exchange/Employment Trading System), enzovoort. Voorbeelden uit het verleden zijn het Duitse Wara-experiment (tot 1931) en het zegelgeld van Wörgl (Oostenrijk, tot 1933).

Deze zogenaamde gemeenschapsmunten zorgen ervoor dat daar waar weinig betaald werk beschikbaar is, mensen toch een ruilmiddel hebben om elkaar werk te verschaffen. Ook in een goed uitgebouwde samenleving blijven nog vele maatschappelijke noden onbeantwoord. Taken zoals ouderenzorg, huiswerkbegeleiding bij (allochtone of kansarme) kinderen, taallessen, buurtonderhoud, babysit,… complementaire munteenheden kunnen de vraag en aanbod ervan op elkaar afstemmen zodat een uur gepresteerd ‘vrijwilligerswerk’ recht geeft op een uur door anderen geleverde diensten. Op die manier wordt welvaart gecreëerd die anders niet ontstaan zou zijn. Op die manier wordt ‘veerkracht’ verleend aan lokale gemeenschappen. De nulrente of negatieve rente voorkomt dat mensen deze ‘uren’ gaan oppotten of ermee gaan speculeren of dat een sluipende herverdeling plaatsvindt ten voordele van diegenen met overschoturen.

Bernard Lietaer verwijst ook graag naar het succesvol voorbeeld van de Fureai Kippu, een complementaire munteenheid die in Japan sterk opgang maakt. In het interview met Kathleen Van Brempt in haar boek Verder dan morgen legt hij uit hoe deze ‘zorgmunt’ werkt. Fureai Kippu, wat letterlijk ‘zorgzame relatiekaartjes’ betekent, is een vorm van tijdskrediet. Japanse zorgbehoevende bejaarden kunnen zorg en hulp van vrijwilligers in de buurt of de lokale gemeenschap ‘kopen’ met Fureai Kippu. Het gaat voor alle duidelijkheid om zorgdiensten die de nationale gezondheidsverzekering niet dekt. De waarde van het geld wordt gemeten in de tijd die aan de zorg wordt besteed. Als je dus gedurende een uur boodschappen doet of kookt voor je bejaarde buurvrouw, ontvang je Fureai Kippu’s en geen yen. Die Fureai Kippu’s kan je later zelf gebruiken als je zorg nodig hebt, of doorsturen naar je eigen bejaarde ouders als die ver weg wonen. De munt moet garanderen dat ondanks de sterk toenemende vergrijzing en dalende nataliteit de groeiende zorgbehoeften toch kunnen worden opgevangen, iets waar de reële economie niet toe in staat is.

E-PORTEMONNEE IN LIMBURG

Ook in Vlaanderen wordt er geëxperimenteerd met complementaire muntsystemen. In 2001 werd een samenwerking opgezet tussen de Vlaamse milieukoepel Bond Beter Leefmilieu (BBL) en de Limburgse afvalintercommunale. Het plan werd opgevat om een digitale pas - vergelijkbaar met een bankkaart - uit te geven waarmee inwoners punten zouden kunnen verdienen voor het aan de dag leggen van een afvalarm gedrag. Ondertussen is het project overgenomen door Limburg.net (de nieuwe naam van de eengemaakte afvalintercommunales van Limburg) en uitgezet in voorlopig acht Limburgse gemeenten. Daar kan elke inwoner een zogenaamde ‘e-portemonnee’ krijgen, waarmee hij punten kan verdienen voor duurzaam consumentengedrag en deze nadien kan verzilveren door er allerlei producten en diensten mee aan te kopen. Zo kunnen mensen door duurzaam te handelen zichzelf belonen én die beloning zelf kiezen. ‘De ‘e-portemonnee’ is dus een gemeentelijk spaar- en beloningssysteem waarbij de punten lokaal complementair geld zijn’, aldus Kris Somers, directeur van Limburg.net. ‘Momenteel lopen meer dan 50 verschillende verdienacties in 8 gemeenten’. Gezien de ‘e-portemonnee’ gelinkt is aan de elektronische identiteitskaart kan iedereen er op elk ogenblik van gebruik maken. Het succes wisselt van 1 tot 16 % van de gezinnen die effectief gebruik maakt van de ‘e-portemonnee’. Het succes is nog te beperkt door een te grote focus op afval(preventie). Eén van de verbeterpunten die Kris Somers aangeeft is dat ook andere thema’s rond duurzaamheid kunnen worden betrokken, zoals armoede, onderwijs, (sociale) zorg, energiebesparing, en dergelijke meer.

A-KAART IN ANTWERPEN

In Antwerpen werd door de huidige bestuursploeg de A-kaart ingevoerd, een spaar- en voordeelkaart die via getrouwheidspunten de participatie aan het sport- en cultuuraanbod binnen de stad tracht te bevorderen. Eén jaar na de invoering hebben al meer dan 92.000 Antwerpenaren de kaart op zak. Deze Antwerpenaren krijgen bij een bezoek aan het zwembad, de bib, het stedelijk museum, het Ecohuis of bij het volgen van een voorstelling in het cultuurcentrum, A-punten op hun kaart geplaatst. Die kunnen ze omruilen voor een voordeel. Volgens Frederik Bastiaensen van de stad Antwerpen stimuleert de A-kaart vandaag cultuur- en sportparticipatie bij alle lagen van de bevolking, maar dan vooral vanuit het oogpunt om moeilijker bereikbare en minder gegoede sociale groepen de kans te geven om deel te nemen. Die krijgen met eenzelfde A-kaart grotere kortingen, zonder dat dit voor derden zichtbaar is en kan leiden tot stigmatisering. De A-kaart is zo ontwikkeld dat ze op termijn niet alleen de ‘consumptie’ van gemeenschapsdiensten bevordert, maar elke Antwerpenaar ook kan stimuleren om zelf actief gemeenschapstaken op te nemen. Burgers die participeren binnen Opsinjoren (bewoners-initiatieven die zich inzetten voor een schone woonomgeving), de milieuraad, jeugdraad of een van de andere stedelijke adviesraden, die zich inzetten als leesmoeder of -vader, helpen bij het maken van huiswerk, een speelstraat organiseren, op kinderen passen, bejaarden bezoeken, er inkopen voor doen of er mee gaan wandelen,… kunnen daarvoor met A-punten beloond worden. Met de verdiende punten kan je vervolgens betalen voor een tramrit, een zwembeurt, een abonnement bij een sportclub, sportmanifestaties, een culturele activiteit van de Zomer van Antwerpen, huisvuilzakken,… Dergelijke pas ondersteunt niet alleen het bestaande vrijwilligerswerk in Antwerpen - dat al in geruime mate aanwezig is - het moedigt ook nieuwe vrijwilligers aan. Op die manier stimuleert het complementair muntsysteem sociaal, gemeenschapsversterkend gedrag en ‘activeert’ het mensen die niet aan het werk geraken in de gewone economie of die zich na hun dagtaak nog nuttig willen maken. Kortom: de pas kan ervoor zorgen dat de onbenutte talenten in de stad worden ingezet voor het inlossen van de onbeantwoorde behoeften. En die behoeften zullen met de toenemende ‘vergrijzing’ en ‘vereenzaming’ alleen maar stijgen.

TOREKES IN GENT

Het Gentse ‘Torekes’ in de Rabotwijk focust voornamelijk op deze sociale dimensie. Het wil de buurtbewoners aanzetten tot zorg voor hun eigen buurt, voor het milieu en hun omgeving en voor elkaar. Torekes krijg je als waardering voor vrijwilligerswerk op het publieke domein, georganiseerd door buurtorganisaties. De munt kan worden ingezet bij lokale en duurzame aankopen. In het eerste (proef)jaar hebben de inwoners van de wijk Rabot 50.259 zogeheten Torekes verdiend door hun wijk aangenamer en groener te maken. Tien Torekes zijn één euro waard. Met het geld kunnen de bewoners lijnkaarten en cinematickets kopen of een volkstuintje huren. Ook heel wat lokale handelaars aanvaarden Torekes. Coördinator Wouter Van Thillo van Samenlevingsopbouw is tevreden. ‘We telden in het eerste jaar zo’n 380 unieke gebruikers. Dat is geen cijfer om van achterover te vallen, maar het is een goed begin. We voelen dat er nog veel wantrouwen bestaat over de munt. Mensen geloven nog niet dat het écht geld is, maar dat zal wel veranderen als de munt bekender wordt. Positief is dat veel gebruikers de munten op regelmatige basis gebruiken, want dat betekent dat ze zich vaak inzetten voor de wijk. Bovendien bereiken we veel kwetsbare groepen zoals allochtone vrouwen en daklozen. In de buurt zijn ook al enkele veranderingen merkbaar, zoals het Witte Kaproenenplein dat helemaal werd heraangelegd door buurtbewoners in ruil voor Torekes’.

LOKALE UITBOUW VAN COMPLEMENTAIRE MUNTSYSTEMEN

Het lokale karakter is belangrijk voor de succesvolle uitbouw van complementaire muntsystemen. Men kan de voorwaarde om (eventueel gedeeltelijk) met ‘gemeenschapspunten’ te laten betalen, opleggen in de bestekken of contracten die men afsluit met organisatoren van culturele of sportieve manifestaties. Men kan beroep doen op de gemeenschapszin en maatschappelijke verantwoordelijkheid van private bedrijven om bijvoorbeeld in het restaurant of de bioscoopzaal een deel van de rekening met ‘gemeenschapspunten’ te laten betalen. De ‘publieke diensten’ waar men met de gespaarde punten voor kan betalen, tenslotte, worden weliswaar gekenmerkt door hoge vaste kosten, maar lage ‘marginale’ kosten. Die extra bezoeker van het stedelijk museum, het cultureel centrum of het stedelijk zwembad kost verhoudingsgewijs zeer weinig. Het aanvaarden van gespaarde punten voor de betaling van een bus- of tramticket, kan door een nieuwe variant van het ‘derdebetalersysteem’ in te voeren. De stad vergoedt dan niet sowieso de vervoerskosten van bepaalde categorieën van burgers aan De Lijn (wat momenteel kan om bijvoorbeeld studenten gratis te laten rijden), maar wel de vervoerskosten van burgers die daarvoor betalen met uit gemeenschapsdiensten verdiende punten. Eigenlijk is dit een stap voorbij het ‘gratis verhaal’. Burgers krijgen publieke diensten niet zomaar ‘gratis’ aangeboden, maar wel als ze aan de gemeenschap hebben bijgedragen. Als je iets doet voor de gemeenschap, krijg je van diezelfde gemeenschap ook iets terug.

BESLUIT

Complementaire munt- en beloningssystemen zijn geen panacee voor alle problemen waar onze samenleving mee kampt. De voordelen zullen niet altijd opwegen tegen de nadelen (zoals de hogere transactiekosten). Complementaire muntsystemen mogen ook geen voorwendsel worden om de problemen binnen de reële economie en het bestaand monetair stelsel aan te pakken. Ze ontslaan ons niet van de taak om het regulier financieel systeem beter te reguleren of om werk te maken van een eerlijker fiscaliteit en een alternatieve financiering van onze sociale zekerheid. Activiteiten die via complementaire muntsystemen worden vergoed, mogen uiteraard niet in de plaats komen van betaald werk in de reële economie. Gemeenschapsmunten of -zorg mogen al helemaal geen vrijgeleide worden voor de overheid om haar zorgaanbod af te bouwen, zoals in het Verenigd Koninkrijk met het Big Society-concept van David Cameron.

Maar complementaire munt- en beloningssystemen kunnen wel een antwoord bieden op enkele inherent structurele tekortkomingen binnen ons huidig financieel stelsel en rapen de steken op die onze huidige verzorgingsstaat laat vallen. Ze werken anticyclisch, leiden niet tot oppotten of tot grote ongelijkheid en zorgen voor een herwaardering van het sociaal kapitaal dat in ons klassiek muntsysteem niet meetelt.

Om die reden verdienen experimenten met complementaire muntsystemen alle steun. Om eruit te leren, om te weten waar je ze kan inzetten voor welke doeleinden. Om de technologische (software-platform, informatiedragers, enz.), juridische (vrijwilligerswetgeving, wetgeving m.b.t. aanvullende inkomens, wetgeving m.b.t. uitgifte van converteerbare munten, enz.) en organisatorische (architectuur van het systeem, omkadering, de evangelisatie, enz.) aspecten onder de knie te krijgen. Het Vlaams innovatiebeleid heeft dat ook begrepen. Het coördineren van de vele varianten van sociale innovatie is één van de prioriteiten binnen het innovatiebeleid van minister Ingrid Lieten. ‘We spreken van sociale innovatie wanneer de innovatie structureel tot doel heeft om sociale noden of maatschappelijke uitdagingen aan te pakken en wanneer nieuwe producten, goederen, diensten, processen, marketingmethoden en/of organisatiemodellen betrokken zijn’, zo stond te lezen in de slotspeech van minister Lieten op het Mikado-symposium over complementaire muntsystemen (11 mei). Sociale innovatie moet dus sociaal zijn in doelstelling en in methode. Hierbij moet duidelijk zijn welke korte-, middellange- en langetermijndoelstellingen beoogd worden, hoe deze kunnen worden gemeten en op welke wijze verschillende actoren met verschillende achtergronden en expertises in een proces van co-creatie de vooropgestelde doelen kunnen realiseren. Binnen het traject Innovatief Aanbesteden van het IWT wordt onderzocht hoe complementaire muntsystemen in gans Vlaanderen kansen kunnen krijgen en kunnen worden omkaderd. De transitie naar een duurzame samenleving heeft een nieuw instrument gevonden om enkele systeemfouten in ons huidig economisch en monetair stelsel te corrigeren, om bijkomende welvaart te creëren en om de veerkracht van lokale gemeenschappen te versterken.

Bart Martens
Vlaams Volksvertegenwoordiger sp.a

Noot
1/ Dit artikel bouwt verder op een studienamiddag die Mikado (de sociaaldemocratische denktank die Milieuvraagstukken bestudeert in het Kader van een Duurzame Ontwikkeling) organiseerde op 11 mei 2012 in het Vlaams Parlement.

Referenties
- Bernard Lietaer, Christian Arnsperger, Sally Goerner and Stefan Brunnhuber. Money and sustainability: The missing link, Triarchy Press Ltd., juni 2012.
- Bernard Lietaer, Opties voor het beheren van een systeemcrisis bij de banken, Center for Sustainable Resources, University of California at Berkeley, oktober 2008.
- Jan de Zutter, De geuro of het begin van monetair multiculturalisme, De Morgen, 24/05/2012.
- Stefan Duchateau, Spanje is helaas Baron von Münchhausen niet, De Tijd, 03/05/2012.
- Bernard Lietaer, Het geld van de toekomst, Forum, Amsterdam, 2001.
- Mikado, Symposium ‘Innovatie door complementaire munt- en waarderingssystemen’, Vlaams Parlement, 11 mei 2012.
- IWT, Complementaire muntsystemen - Sociale innovatie door een breed toepasbaar complementair muntsysteem in Vlaanderen, Eindverslag, 2012.
- Bart Martens, Nieuw Land in Zicht, Garant, Antwerpen-Apeldoorn, 2009.
- Kathleen Van Brempt, Verder dan morgen, Houtekiet, Antwerpen-Amsterdam, 2008.
- Bernard Lietaer, Gwendolyn Hallsmith, De gids voor een gemeenschapsmunt, Muntuit, 2009.

economie - duurzame economie - complementaire munt

Samenleving & Politiek, Jaargang 19, 2012, nr. 6 (juni), pagina 22 tot 29