Abonneer Log in

Hoe de Belgische arbeidsmarkt de crisis overleeft

Samenleving & Politiek, Jaargang 19, 2012, nr. 8 (oktober), pagina 4 tot 16

In deze bijdrage bekijken we hoe België de recente crisisperiode doorgekomen is, welke instrumenten hierbij een rol gespeeld hebben en welke pijnpunten er anno 2012 zijn. Rode draad hierbij is de marginale positie van de laaggeschoolden en specifieke kansengroepen. De verschillen tussen de gewesten worden geduid op basis van (een set) sociale indicatoren waaruit duidelijk blijkt dat er geen homogene Belgische arbeidsmarkt bestaat. Hier past een kanttekening bij de veronderstelde ‘rigiditeit’ van de Belgische arbeidsmarkt. Ten slotte blijkt er op de (middel)lange termijn vooral door de sterke immigratie nog geen sprake te zijn van een globaal kwantitatief tekort. Het arbeidsaanbod blijft ‘groot genoeg’, maar is het ook ‘goed genoeg’?

INLEIDING

Een reflectie over de Belgische arbeidsmarkt vergt veel nuance. Vooreerst is het moeilijk om over een Belgische arbeidsmarkt ‘as such’ te spreken omdat de drie regio’s zeer verschillend presteren. Daarnaast zijn de gehanteerde indicatoren en het tijdskader van doorslaggevend belang. Zo komt de Belgische arbeidsmarkt sinds de crisis van 2008 steevast als ‘crisisbestendig’ naar voor met een beperkte stijging van de volledige werkloosheid, maar hierbij ‘vergeet’ men de belangrijke vluchtweg van de tijdelijke werkloosheid die ook gedurende 2012, in een nieuwe periode van herstructureringen, zeer hoog blijft. Globaal blijft de arbeidsvraag echter vrij robuust en zijn er relatief goede jobkansen, behalve voor de laaggeschoolden. Dit blijkt ook uit VDAB-onderzoek naar de impact van de crisis op de jobkansen van schoolverlaters.

Op basis van sociale indicatoren verzeilt België eerder in de middenmoot, het Vlaamse Gewest presteert zeer goed. Ondanks de structurele pijnpunten, vooral de zeer lage werkzaamheid van laaggeschoolden (alsook specifieke kansengroepen) en de hardnekkige rekruteringsproblemen, is de Vlaamse arbeidsmarkt in internationaal perspectief vrij performant. Het Waalse en Brusselse Hoofdstedelijk Gewest kampen met een torenhoge structurele werkloosheid waardoor beide regio’s steevast slecht scoren in internationaal perspectief.

HOE BELGIË DE CRISIS GOED DOORKWAM

In de jongste projectie1 bevestigt de Nationale Bank van België dat de Belgische economie vrij goed de crisis van 2008-2009 doorstaan heeft. Over de periode 2008-2011 bedroeg de gecumuleerde BBP-groei ongeveer 1%, hoger dan bij de buurlanden Duitsland, Frankrijk en Nederland. Ook de Belgische arbeidsmarkt kan een relatief goed rapport voorleggen. Enkel in 2009 was er een beperkte daling van de werkgelegenheid. In 2010-2011 steeg de werkgelegenheid zelfs met 100.000 eenheden. In de periode 2012-2013 zou de jobgroei beperkt zijn tot ongeveer 30.000. Een constante sinds vele jaren: door de sterkere toename van de beroepsbevolking blijven zowel de werkzaamheidsgraad (67%) als de werkloosheidsgraad (bijna 8%) vrijwel onveranderd gedurende de periode 2009-2013.

De Centrale Raad voor het Bedrijfsleven (CRB)2 stelt vast dat de Belgische werkgelegenheid, zowel in personen als in arbeidsuren, in 2009 niet zo sterk gedaald is en reeds in de loop van 2010 toeneemt. Op het dieptepunt van de crisis (midden 2009) bedraagt de daling in personen ongeveer 1,5% en in arbeidsvolume ongeveer 3%. Midden 2011 is er reeds een toename met respectievelijk bijna 2% en 3% waardoor België het globaal even goed doet als Duitsland, en zelfs beter dan Frankrijk en Nederland.

De CRB geeft een drietal verklaringen voor de goede prestaties van de Belgische arbeidsmarkt. Vooreerst is het gevoerde werkgelegenheidsbeleid sterk gericht op de vermindering van de arbeidsduur en het ‘goedkoper’ aanwerven van nieuwe werknemers. Ondanks de nieuwe crisismaatregelen zijn het vooral de reeds lang bestaande stelsels van ‘tijdelijke werkloosheid’ en het ‘Win-Winsysteem’, de opvolger van ‘Activa’ met sterke loonkostvermindering voor de aanwerving van bepaalde doelgroepen, die het meest toegepast worden. Een tweede factor is een verdere uitbreiding van het eveneens succesvolle systeem van ‘dienstenchequebanen’, terwijl ook de ‘tijdskrediet’-stelsels sterk blijven groeien. Een derde element is de bijna permanente spanning op de arbeidsmarkt die, zeker in Vlaanderen, ook in crisistijd blijft voortduren. Geconfronteerd met eerdere rekruteringsproblemen bij een heropleving zijn werkgevers blijkbaar minder vlug geneigd om tijdelijk overtollige werknemers te ontslaan maar zoeken ze uitwegen om hen tijdelijk niet of minder te laten werken. Het Belgische sociale overlegmodel, dat ‘naakte’ ontslagen maximaal probeert te vermijden, speelt hier ongetwijfeld ook een ‘milderende’ rol. Hoewel de CRB zich hierover niet uitspreekt, kan men aannemen dat de fel gecontesteerde automatische loonindexering een positieve invloed heeft op de particuliere bestedingen en voor een stevige bodem zorgt onder de groei en de werkgelegenheid.

De mix van institutionele regelingen, vooral de tijdelijke werkloosheid, het tijdskrediet en de dienstencheques, zorgen voor een daling van de arbeidsduur, die een sterke rem zet op het jobverlies van ‘vaste’ werknemers. De CRB wijst erop dat werknemers in tijdelijke en uitzendbanen (vooral jongeren) het grootste slachtoffer zijn van de crisis, waardoor ook de jeugdwerkloosheid het sterkst toeneemt. Dit beeld komt ook duidelijk naar voor in andere lidstaten, zoals de zuiderse landen, waar de werkloosheid veel sterker is toegenomen. In België daalde het gemiddeld aantal uitzendkrachten in volle crisisperiode, tussen 2008 en 2009, met meer dan 20.000 voltijdse equivalenten. Het inzakken van deze flexibele buffer is grotendeels verantwoordelijk voor het werkgelegenheidsverlies.

DE CRISIS LAAT GEEN SPOREN NA OP LANGERE TERMIJN

De crisis heeft echter geen impact op de jobkansen van hooggeschoolden, hetgeen het belang van voldoende kwalificaties en competenties voor een duurzame arbeidsintegratie aantoont. Een onderzoek van VDAB3 naar het effect van de crisis op langere termijn (3 tot 4 jaar) bevestigt dit en levert nog andere interessante inzichten. Hierbij wordt voor twee cohorten Vlaamse schoolverlaters (2007 en 2008) nagegaan welke het restpercentage nog werkzoekenden is op bepaalde tijdstippen na het afstuderen. De cohorte 2007 stroomde in op de arbeidsmarkt in een periode van sterke economische groei, deze van 2008 bij het begin van de crisisperiode.

Het restpercentage werkzoekenden bedraagt na 1 jaar 10% voor de cohorte 2007, maar loopt op tot 15% voor de cohorte 2008. Het verschil van 5 procentpunten is vooral te wijten aan het moment van instromen op de arbeidsmarkt, in hoog- of laagconjunctuur. Maar reeds twee jaar na afstuderen ligt het restpercentage voor beide cohorten op 10% en is er geen ‘conjunctuurkloof’ meer. De intrede op de arbeidsmarkt vertraagt in crisistijd slechts tijdelijk, voor schoolverlaters is er geen blijvend negatief effect. Het moet benadrukt dat de jongeren ook in crisistijd toch vrij sterke jobkansen hebben. Een grote meerderheid (minstens 80%) is reeds na 6 maanden niet meer werkzoekend maar daarom nog niet ‘vast’ aan het werk.

De laaggeschoolde schoolverlaters doen het veel slechter. Een jaar na afstuderen bedraagt het restpercentage meer dan het dubbele van het gemiddelde: 23% voor de cohorte 2007 en 33% voor de cohorte 2008 die het eerste jaar zeer moeilijk uitstroomt. Beide percentages vallen ook na 2 jaar samen op ongeveer 27%, zodat ook bij hen geen blijvend crisiseffect vastgesteld wordt. Na 3 jaar is wel nog altijd één op vijf laaggeschoolden werkzoekend. Bij de hooggeschoolden daalt het restpercentage heel snel, met nog 5% tot 7% werkzoekenden na 1 jaar. De kleine conjunctuurkloof verdwijnt ook helemaal na 2 jaar, de zeer lage percentages nog werkzoekenden wijzen op een quasi-volledige tewerkstelling. De restpercentages bij de middengeschoolden nemen een tussenpositie in.

BELGIË BINNEN DE EU: LAGE PARTICIPATIE, WERKZAAMHEID EN WERKLOOSHEID

Wekelijks verschijnt er wel een internationale rangschikking waarin landen en regio’s met elkaar vergeleken worden op basis van één of andere indicator. Voor elk wat wils bij deze ‘benchmarking’: nu eens verschijnt België als koploper, dan weer draagt het de rode lantaarn. Idem voor Vlaanderen, soms uitgeroepen als topregio, dan weer verdwijnend in de middenmoot. Op basis van de ‘enkelvoudige’ kernindicatoren van de arbeidsmarkt komt het volgende beeld naar voor.

De Belgische werkzaamheidsgraad4 ligt relatief laag: iets meer dan twee op drie personen (67,3%) verrichten in 2011 betaalde arbeid, iets minder dan het EU27-gemiddelde (68,6%). Het Vlaamse Gewest doet met 72% een stuk beter maar zit onder een vijftal grote lidstaten (o.a. Denemarken, Duitsland en Nederland) met een werkzaamheid van 75% en meer.

Met een werkloosheidsgraad5 van 8,3% doet België het vrij goed binnen de EU en de eurozone waar gemiddeld (mei 2012) reeds meer dan 11% werkzoekenden zijn. Het Vlaamse Gewest telt ongeveer 5% werkzoekenden en zit hiermee in een kopgroep met slechts enkele lidstaten zoals Duitsland, Nederland en Oostenrijk. Andere grote lidstaten hebben een (veel) hogere werkloosheid en door de sterke toename sinds de crisis hebben ook Denemarken, Ierland en Zweden hun sterke positie verloren. Het is opmerkelijk dat deze ‘modellanden’ met een minder rigide arbeidsmarkt en/of een sterk activerend arbeidsmarktbeleid veel minder weerstand hebben kunnen bieden aan de (werkloosheids)crisis dan het zogenaamde rigide en weinig activerende België.6

De relatief lage werkzaamheidsgraad én de lage werkloosheidsgraad tonen echter ook een zwakte, met name de lage activiteitsgraad.7 In België is in 2011 iets minder dan 70% van de bevolking (15-64 jaar) aanwezig op de arbeidsmarkt, tegenover 77% gemiddeld in de EU. Deze lage activiteitsgraad is vooral te verklaren door de lange studietijd bij de jongeren (15-24), een Belgische ‘sterkte’, en de vroege uittrede bij de ouderen (55-64 jaar), een Belgische ‘zwakte’. Door de hoge productiviteit slaagt België er ook in om met relatief weinig beroepsactieve personen een hoog welvaartspeil te bereiken. Een land met geavanceerde technologie moet dus niet noodzakelijk ‘afgerekend’ worden op een iets lagere activiteits- en werkzaamheidsgraad. En ook de omvang van de ‘schaduweconomie’, traditioneel vrij groot in België, kan de vergelijking vertekenen.

Het ‘benchmarken’ op basis van enkelvoudige (arbeidsmarkt)indicatoren, zoals de werkzaamheids- of werkloosheidsgraad op een bepaald tijdstip, loopt mank omdat het geen rekening houdt met de evolutie, met andere sociaaleconomische indicatoren en helemaal niet met verklarende indicatoren. Zo is de hoge werkzaamheid in Nederland grotendeels te verklaren door het ‘anderhalf-model’ met hoofdzakelijk voltijds werkende mannen en een meerderheid (76%) deeltijds werkende vrouwen. Deze historisch gegroeide arbeidsverdeling zorgt op macroniveau wel voor een hoge werkzaamheid en arbeidsmarktranking, maar de ongelijkheid tussen de partners (mesoniveau) op vlak van arbeidsinkomen en armoederisico is heel groot. Het persoonlijke inkomen van mannen is in Nederland gemiddeld bijna twee keer zo hoog als dat van vrouwen die bijgevolg minder economisch zelfstandig zijn dan mannen. Bij nauwelijks de helft (47%) van de vrouwen bereikt het inkomen uit arbeid het niveau van de bijstandsuitkering van een alleenstaande.8

Om de performantie van de ‘welvaartstaten’ te meten en te vergelijken, is het aangewezen een samengestelde index te berekenen op basis van een set van sociale indicatoren die de mate van ‘sociale welvaart’ weergeven. Een studie van economen van de Luikse universiteit9 vergelijkt de sociale prestaties in de tijd op basis van een vijftal indicatoren die hetzelfde gewicht krijgen: de armoedegraad, de inkomensongelijkheid, het aandeel langdurige werkloosheid, de ongekwalificeerde uitstroom10 van 18-24 jarigen en de levensverwachting bij de geboorte. Op basis van het gemiddelde van de gestandaardiseerde waarden wordt dan een gemiddelde ‘performantie-index’ berekend.
Volgens deze methode bekleedt België op vlak van ‘sociale welvaart’ binnen de EU de elfde plaats, hetgeen een relatieve achteruitgang is tegenover enkele decennia geleden. De studie stelt op haar beurt zeer grote verschillen vast tussen de regio’s. Vlaanderen behoort tot de top binnen de EU, presteert zelfs iets beter dan Nederland en behaalt een veel hogere score dan Duitsland en Frankrijk. Gedurende de periode 2003-2009 is er ook een duidelijke verbetering geweest, terwijl Wallonië stabiliseert op een veel lager niveau.

(G)EEN RIGIDE BELGISCHE ARBEIDSMARKT

De sterk verschillende arbeidsmarktprestaties van de Belgische regio’s leiden ook tot de conclusie dat er eigenlijk geen Belgische arbeidsmarkt ‘as such’ bestaat. De verschillen in werkzaamheid en werkloosheid hangen samen met een heel eigen dynamiek van de regionale arbeidsmarkten en niet zozeer met ‘de rigide Belgische arbeidsmarkt’. Het is moeilijk aan te nemen dat de nog steeds ‘unitair Belgische’ sociale en arbeidsreglementering verantwoordelijk is voor de mindere prestaties van de Belgische arbeidsmarkt (in EU-perspectief), terwijl de gewesten zo extreem verschillend presteren. De werkloosheidsgraad bedraagt ongeveer 5% in het Vlaamse Gewest, 10% in het Waalse Gewest en 15% in Brusselse Hoofdstedelijk Gewest. Binnen de EU scoort België trouwens het hoogst op vlak van ‘spread’ van de regionale werkloosheidsgraden.

Andere data wijzen zelfs op een relatief geringe rigiditeit van onze arbeidsreglementering. De ‘klassieke’ analyse van het World Economic Forum (en de OESO) rond de (in)efficiëntie van de Belgische arbeidsmarkt is hoofdzakelijk gebaseerd op het subjectieve oordeel van CEO’s die in het jaarlijkse ‘Global Competitiveness Report’ eerder de eigen perceptie dan de realiteit weergeven. De meer objectieve criteria van de Wereldbank in hun rapport ‘Doing Business’ geven een heel ander beeld. Slechts één voorbeeld onder meerdere: voor het item ‘difficulty of hiring and firing’, een belangrijke indicator van mogelijke rigiditeit, scoort België zeer slecht volgens de GC Index, maar zeer goed (en zelfs beter dan de buurlanden) volgens de meetbare en vergelijkbare criteria van de Wereldbank.
Nog los van deze discussie is het zeer de vraag hoe en in welke mate de werkloosheid fundamenteel aangepakt kan worden met een soepelere arbeidsreglementering. Men verwijst dan onder meer naar de doorgevoerde hervormingen in Duitsland waar de laaggeschoolden ook nauwelijks vooruitgang hebben geboekt en de armoede toegenomen is. Een belangrijke architect van de Duitse hervormingen heeft trouwens zelf toegegeven11 dat er misrekeningen zijn gebeurd, zoals de stimulering van jobs met lage lonen en uitzendarbeid die een verdringingseffect hebben, door het vervangen van vaste werknemers door mensen met lage lonen. En als België dan toch een rigide arbeidsmarkt zou hebben, dan heeft deze zeker niet verhinderd om de werkloosheidsgroei tijdens de zware crisis binnen de perken te houden. Het systeem van tijdelijke werkloosheid biedt de Belgische bedrijven een enorm soepel instrument om tijdelijk overtollige werknemers te ‘parkeren’.

DE SOCIAALECONOMISCHE ‘PIJNPUNTEN’

In een nota aan de federale regering lijstte de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven (CRB) twaalf pijnpunten van het Belgische sociaaleconomische model op. Het overzicht bevat vrij recente ‘handicaps’, zoals de te hoge kerninflatie en elektriciteitsprijs, maar de drie arbeidsmarktgerelateerde pijnpunten zijn reeds lange tijd gekend: te veel jongeren verlaten te vroeg en ongekwalificeerd het onderwijs, hieraan gekoppeld is er de hoge jeugdwerkloosheid, en er werken te weinig mensen tussen 20 en 64 jaar. Het hoge armoederisico in het ‘vermogende’ België is gebaseerd op inkomensindicatoren en grotendeels het gevolg van onvoldoende arbeid en/of arbeidsinkomen.

Uiteraard is het lijstje met ‘Belgische onevenwichten’ een evenwichtsoefening. Nog los van de discussie of er wel een ‘Belgische arbeidsmarkt’ bestaat zou de ‘knelpunteconomie’ ongetwijfeld hoog scoren op een Vlaams lijstje: de rekruteringsproblemen van veel bedrijven en organisaties voor diverse beroepsprofielen op alle kwalificatieniveaus zijn structureel. Zeker in Vlaanderen verloopt de matching tussen vraag en aanbod moeizaam. De oorzaak ligt niet in institutionele rigiditeiten maar in structurele, kwantitatieve tekorten die vooral te maken hebben met een te geringe uitstroom uit het onderwijs, zeker voor de gekwalificeerde beroepsgroepen, en de weinig aantrekkelijke arbeidsvoorwaarden in de onderste segmenten. Maar een belangrijke factor is ook de samenstelling van de arbeidsreserve met een zeer groot aandeel ‘kansengroepen’ (vooral allochtonen en 50-plussers, doorgaans laaggeschoold) die onvoldoende (snel) inzetbaar zijn voor de vele ‘kansenberoepen’. Uit een analyse van VDAB blijkt ongeveer 80% van de officiële arbeidsreserve uit kansengroepen te bestaan.12

Een grote uitdaging is het inpassen van het niet-werkende aanbod (de officiële arbeidsreserve maar ook inactieven), maar vooral het ‘nieuwe’ arbeidsaanbod, zowel allochtonen van de laatste migratiegolven (integratie) als de oudere werkzoekenden en werknemers (retentie). Maar ook dit zal wellicht niet volstaan om de structurele knelpunten in de sterk gekwalificeerde segmenten (o.a. ICT, industriële technici, medisch en verzorgingspersoneel) aan te pakken, zodat een doordacht migratiebeleid hier een sluitende oplossing zou moeten bieden.

De lage werkzaamheid situeert zich dus vooral bij de laaggeschoolden.13 Door de nog steeds zeer hoge ongekwalificeerde uitstroom uit het onderwijs komen er in Vlaanderen jaarlijks nog meer dan 10.000 jongeren laaggeschoold op de arbeidsmarkt. Het bestrijden van de ongekwalificeerde uitstroom, de voedingsbodem van een groot deel van de structurele werkloosheid, is een belangrijk beleidsspoor. Daarnaast is er nog de problematiek van de weinig arbeidsmarktgerichte studiekeuze waardoor ook middengeschoolden een hoger werkloosheidsrisico lopen. De te geringe belangstelling voor technische onderwijsrichtingen is een belangrijke factor van de krapte voor het segment van o.a. technisch-industriële en ICT-beroepen. Het jongste Loopbaanakkoord (2012) tussen de Vlaamse regering en de sociale partners wil de ongekwalificeerde uitstroom preventief en curatief aanpakken.
De preventie van de ongekwalificeerde uitstroom is gericht op meer en flexibelere doorstroommogelijkheden, zowel tussen verschillende opleidingsniveaus als onderwijs- en opleidingsverstrekkers. Een goede begeleiding bij de leer- en studiekeuze van jongeren is cruciaal om jongeren naar de leertrajecten te leiden die aansluiten bij hun talenten en om de eindmeet van een opleidingstraject te halen. Het ‘neerwaartse watervaleffect’, waarbij jongeren afzakken naar andere opleidingsvormen, moet plaats maken voor het ‘opwaartse zalmeffect’ waarbij jongeren begeleid worden naar en tijdens het juiste opleidingstraject. Daarnaast moeten de arbeidsmarktrelevantie van (nieuwe) studierichtingen en de ‘succesratio’s’ per studierichting ook een belangrijk richtsnoer worden.
De remediëring voor jongeren met onvoldoende startcompetenties zal gebeuren via een collectieve aanpak, startend tijdens de wachttijd. Door de stedelijke concentratie van de problematiek worden de jongeren opgenomen in lokaal ingebedde trajecten met o.a. bemiddeling, opleiding, werkervaring of begeleid vrijwilligerswerk, die uiteindelijk moeten leiden tot een competentieprofiel.

VOLLEDIGE WERKGELEGENHEID IS MEER DAN EEN LAGE WERKLOOSHEID

Een ander pijnpunt voor België en vele andere lidstaten is het enorme onevenwicht tussen gemiddeld vermogende burgers en bedrijven14 en een continu besparende overheid die de noodzakelijke middelen niet heeft om een inclusief sociaal beleid te voeren. Men is het erover eens dat dit het best gebeurt via het nastreven van volledige werkgelegenheid omdat duurzame loonarbeid een garantie op volwaardige integratie en de nodige bescherming biedt tegen uitkeringsafhankelijkheid en armoede. Door de crisis lijken de ambitieuze doelstellingen van ‘Lissabon 2010’, gevolgd door het EU2020-pact, verder weg dan ooit. De Europese werkzaamheid ligt op het niveau van 2005, de werkloosheid op het niveau van 1998.
Het enorme tekort in de (mondiale) arbeidsvraag, zeker aan de onderkant van de arbeidsmarkt, kan niet langer aangepakt worden met een opeenvolging van selectieve, soms dure maatregelen waarmee enkel een (tijdelijke) daling van de hoge, zichtbare werkloosheid beoogd wordt. Een schoolvoorbeeld is het systeem van dienstencheques dat, via de activering van de werkloosheidsuitkeringen, poogt reguliere arbeid te creëren voor laaggeschoolden. Hoe succesvol ook voor de betrokken werknemers, het systeem zorgt vooral voor sterk gesubsidieerde huishoudhulp voor de middeninkomens, maar slaagt er totnogtoe niet in de globale arbeidsmarktsituatie van laaggeschoolden te verbeteren.

Niet enkel in België, waar de belastingdruk op arbeid ondraaglijk hoog ligt, maar in de meeste lidstaten met een geringe werkzaamheid bij laaggeschoolden15, is een massale jobcreatie een absolute prioriteit. Het biedt ook een derde weg in de huidige discussie binnen de EU over de keuze tussen strenge begrotingsdiscipline of een groeistrategie via investeringen in infrastructuur en mobiliteit. Het drastisch terugdringen van de werkloosheid en inactiviteit creëert vertrouwen en werkt positief in op de economie, maar er zijn ook terugverdieneffecten voor de overheid door minder uitgaven en meer inkomsten. Naast het verminderen van de loonkosten voor bedrijven en organisaties, kunnen de quartaire sectoren en de sociale economie de motoren zijn van een nieuwe werkgelegenheidsdynamiek richting EU2020.

Het daadwerkelijk nastreven van volledige werkgelegenheid vraagt inzicht in en ‘meevoelen’ met de ‘sociale kwestie’, de enorme achterstelling en marginalisering van vooral maar niet alleen de laaggeschoolden of, in ruimere zin, (kansarme) personen die onvoldoende of niet de juiste competenties bezitten om een duurzame arbeidsloopbaan uit te bouwen. De ondertewerkstelling deint in de EU ook gestaag uit naar beter geschoolden, zeker in lidstaten met een werkloosheidsgraad van 15% en meer. Maar zoals eerder gesteld, de werkloosheidsgraad is niet de enige en nog minder de aangewezen indicator om de sociale prestaties te meten en lidstaten te benchmarken. Het getuigt van enige ‘wereldvreemdheid’ wanneer men de relatief lage werkloosheidsgraad in bijvoorbeeld Duitsland gelijkstelt met quasi volledige werkgelegenheid16 terwijl er ook in dit land slechts 57% van de laaggeschoolden een job hebben. De werkloosheidsgraad verbergt immers de massale inactiviteit van vooral laaggeschoolden die geen werk (meer) zoeken. Zelfs in de lidstaten met een zeer lage werkloosheidsgraad gaat een relatief lage werkloosheidsgraad gepaard met een sterke ondertewerkstelling (en hoger armoederisico) van vooral laaggeschoolden, die de legitimiteit van een sociale welvaartstaat steeds sterker ondermijnt.
Enkele sprekende cijfers: in de EU zijn er in 2011 slechts 53% van de laaggeschoolden (20-64 jaar) aan het werk, in 2007 was dit nog 57%. Bij de middengeschoolden is 70% aan het werk, bij de hooggeschoolden 82%. De veel sterkere daling bij de laaggeschoolden staat voor vele miljoenen extra werklozen. Welk Europees groeiplan kan deze populatie terug aan een duurzame job helpen?

WAT IS ER VAN DE ‘KNELPUNTECONOMIE’?

Op de langere termijn is de verdere toename van de beroepsbevolking een ‘destabiliserende’ factor op de arbeidsmarkt, met een blijvend hoge werkloosheid. Op de langere termijn zou België ‘ontvolken’ maar vooral de immigratie zorgt voor een blijvende bevolkingsgroei (meer dan 12 miljoen inwoners tegen 2060), maar ook voor de nodige ‘verjonging’. Dit is geen pijnpunt van de Belgische arbeidsmarkt, maar eerder een troef die voorlopig niet ingezet wordt. Ook de grote migratie-instroom biedt vooralsnog geen oplossing voor de kwalitatieve aansluitingsproblemen. In het Vlaamse Gewest is bijna de helft (46%)van de ‘recente’ immigranten17 uit niet-EU landen laaggeschoold, terwijl de werkende bevolking (25-49 jaar) nog amper 15% laaggeschoolden telt. En naast deze loutere onderwijsachterstand zijn er nog vele andere factoren die de integratie van allochtonen op de arbeidsmarkt in álle Belgische regio’s sterk bemoeilijkt. Met een werkzaamheidsgraad van 33% (Waals Gewest) tot 44% (Vlaams Gewest) bekleden de Belgische regio’s de laatste plaatsen in de EU-rangschikking.18 Met de regelmatig opduikende verhalen over discriminatie van allochtonen door uitzendkantoren, weliswaar op vraag van de klanten-bedrijven aan de ene kant en de statistische ondervertegenwoordiging van allochtonen zelf met een hoge scholing aan de andere kant, kan men zich afvragen in hoeverre sommige kraptes op de arbeidsmarkt realiteit zijn. Bedrijven en sectoren klagen dagelijks over tekorten maar blijven weinig happig om kansengroepen, zoals allochtonen en 50-plussers, reële arbeidskansen te geven. Maar niet enkel kansengroep-werkzoekenden worden achteraan in de rij gezet. Het bericht dat nog steeds 40% van de ontslagen Opel-werknemers, doorgaans goed opgeleide en ervaren technici, een knelpuntcluster bij uitstek, na anderhalf jaar nog zonder werk zit19, doet vragen rijzen over de omvang van de reële krapte. Kort na de sluiting van Opel was de overtuiging dat de grote meerderheid van de goed opgeleide werknemers vlug terug aan de slag zou geraken in de vele bedrijven die ‘schreeuwen om technisch opgeleide en ervaren arbeidskrachten’. Het tegendeel is gebleken.

Hoewel de meerderheid van de beroepen als ‘knelpuntberoep’ geduid wordt, becijferde VDAB in een analyse van de knelpuntvacatures20 dat 22% van de ontvangen vacatures knelpuntvacatures zijn en 11% kritieke knelpuntvacatures. Slechts een minderheid van 1,5% van de vacatures wordt geannuleerd wegens ‘gebrek aan geschikte kandidaten’. Dit cijfer is wellicht een onderschatting maar toont toch aan dat het probleem niet overroepen mag worden.

Ook enquêtes van de Nationale Bank van België tonen aan dat de rekruteringsproblemen van Belgische bedrijven toch relatief beperkt zijn.21 De ‘belemmeringen voor de activiteit wegens een tekort aan geschoolde arbeidskrachten’ zijn sterk conjunctureel bepaald en nauw verbonden met de aanwervingsdynamiek bij economische groei. Dit is het duidelijkst voor de dienstensectoren, met doorgaans kleinere bedrijven (zoals horeca en distributie), waar het aandeel bedrijven met belemmeringen tot iets meer dan 40% geklommen is in de topjaren 2007-2008 om dan op een jaar tijd weer naar het lage niveau (6 à 7%) van 2003 te duiken.
In de verwerkende nijverheid speelt de conjunctuur ook een rol maar het aandeel ‘belemmerde bedrijven’ beweegt zich op een veel lager niveau, in een band tussen 5% en 10%. Ook voor deze sector is het aandeel belemmerde bedrijven in de loop van 2009 diep weggezakt, zelfs beneden 5%. Het meest opvallend is echter het zeer lage aandeel in de bouwsector: sinds 1995 signaleren nauwelijks enkele procenten van de bouwbedrijven belemmeringen in de activiteit door een gebrek aan geschoolde arbeidskrachten. Enkel in de periode 2006-2008 was er een beperkte toename maar bleef het aandeel beneden 5%.

DE REMEDIËRING VAN DE TEKORTEN

De structurele tekorten - voor o.a. technisch-industriële en ICT-beroepen, verplegend en verzorgend personeel - zijn niet te ontkennen. De structurele onafgestemdheid tussen vraag- en aanbodzijde tendeert naar een ‘knelpunteconomie’ maar toch is deze toestand met ferm beleid door overheden en sociale partners remedieerbaar. Hierbij denken we aan een sterker activeringsbeleid, met meer effectieve tewerkstellingskansen voor bepaalde doelgroepen, meer investeringen in vorming en beroepsopleiding, de bestrijding van de ongekwalificeerde uitstroom uit het onderwijs, de aanmoediging van jobcreatie aan de ‘onderkant van de arbeidsmarkt’, de koppeling van tijdelijke werkloosheid aan verplichte vorming, de uitbouw van de sociale economie, etcetera.
Hierbij de bedenking dat de knelpunten voor lager gekwalificeerde beroepen (genre schoonmaak-, vervoer- en verkooppersoneel) toch ook zouden kunnen worden opgelost door de arbeidsvoorwaarden te verbeteren. Ongunstige arbeidsvoorwaarden zijn immers voor vele (laaggekwalificeerde) knelpuntberoepen een belangrijke oorzaak. Dit moet samen sporen met een beleid dat erop gericht is te investeren in niet onmiddellijk inzetbare arbeidskrachten, zoals kansengroep-werkzoekenden, en hen via de nodige begeleiding en opleiding duurzame perspectieven te bieden.

De komende jaren moet men proberen de (dreigende) aanbodtekorten te remediëren en/of te voorkomen. De grote uitdaging voor vele ‘vergrijzende’ sectoren is de massaal vertrekkende babyboomers tijdig te vervangen door kleinere cohorten schoolverlaters. Hoewel het federale Generatiepact (2005) en de recente ingrijpende pensioenhervorming (federaal Regeerakkoord 2011) vooral tot doel hebben via ‘meer bijdragen en latere uitkeringen’ de financiering van de Sociale Zekerheid te vrijwaren, zullen deze uiteraard een positieve invloed hebben op de werkzaamheid van vooral 55-plussers. Het Steunpunt WSE bekeek drie scenario’s met horizon 2020 om het potentiële, maximale tewerkstellingseffect van de jongste hervormingen te becijferen. Voor het Vlaamse Gewest is de EU2020-doelstelling, een werkzaamheidsgraad van 50% voor de 55-plussers, binnen bereik; voor België ziet het er minder goed uit, met in het meest optimistische scenario een werkzaamheidsgraad van 48%.22 Men waarschuwt er terecht voor dat de hervormingen in de huidige laagconjunctuur een negatief effect kunnen hebben op de tewerkstelling van jongere leeftijdsgroepen. Het toegenomen aanbod van langer werkende, oudere werknemers zorgt wellicht voor een substitutie-effect met minder jobkansen voor de jongeren. Ook het federaal Planbureau heeft hiervoor gewaarschuwd.

Dit ligt in de lijn van het historische onevenwicht tussen de (te lage) arbeidsvraag en het (te hoge) arbeidsaanbod, met per saldo een vrij hoge Belgische werkloosheid sinds de jaren 1970. Hoewel de conjuncturele fluctuaties de zichtbare golven veroorzaken, is er een bijna continue ‘onderstroom’ van extra arbeidsaanbod, die voor een structurele werkloosheid(groei) zorgt. We zien hierbij vier in elkaar overlopende fases met telkens een ander, sterk groeiend aanbodsegment. De babyboom van de jaren 1950 en 1960 zorgt voor een sterke instroom van grote cohorten jongeren en een toenemende jeugdwerkloosheid in de jaren 1970 en 1980. Terzelfdertijd begint, met de forse uitbreiding van de dienstensectoren, de vrouwelijke activiteitsgraad zeer sterk toe te nemen waardoor er in tijden van laagconjunctuur een overaanbod ontstaat met hoge werkloosheid bij de vrouwen. Vanaf de jaren 1990 versnelt de instroom van allochtonen die voor een nieuwe opstoot van de werkloosheid zorgen, met een steeds groter aandeel allochtonen in de arbeidsreserve. Voor de komende jaren zou de toename van het ouderenaanbod voor een minstens tijdelijke opstoot van de werkloosheid kunnen zorgen. Hoewel het Vlaamse Gewest het merkelijk beter doet met veel lagere werkloosheidsgraden, ligt ook hier volledige tewerkstelling nog niet in het verschiet.

Het Vlaamse Loopbaanakkoord wil eveneens de werkzaamheidsgraad van 50-plussers omhoog helpen door de 50-plus-premie te versterken en nog meer oudere werkzoekenden te activeren. De hoogte van de 50-plus-premie zal variëren op basis van de werkloosheidsduur en de leeftijd, met een hogere premie voor de werkgever naargelang de leeftijd en de werkloosheidsduur. Daarnaast is de systematische aanpak van 50-plussers vanaf 1 juni 2012 uitgebreid tot 58 jaar. De nieuwe werkzoekenden worden verplicht door de VDAB begeleid via aangepaste trajecten. Een leeftijdsbewust personeelsbeleid, aandacht voor een aangepaste arbeidsorganisatie, behoud van werkbaar werk en competentieontwikkeling moeten ook de uitstroom van werkende 50-plussers tegengegaan.

BESLUIT

België heeft met een aangepast instrumentarium de ‘Grote Crisis’ van 2008-2009 relatief goed doorstaan, waarbij het stelsel van tijdelijke werkloosheid (nog steeds) de reële omvang van de arbeidsuitstoot mildert. Op basis van diverse sociale indicatoren blijkt België binnen de EU een middenpositie te bekleden. Er zijn op vlak van de arbeidsmarkt dermate verschillen tussen de gewesten dat er moeilijk sprake kan zijn van een Belgische arbeidsmarkt ‘as such’. Ondanks de goede ranking op internationaal niveau, worstelt ook de Vlaamse arbeidsmarkt met uitdagende pijnpunten. Er zijn de hardnekkige rekruteringsproblemen voor vele beroepsprofielen, maar de evolutie naar een knelpunteconomie moet worden genuanceerd en kan worden gekeerd.
Een grotere uitdaging is de enorme onderwijskloof tussen hoog/middengeschoolden en laaggeschoolden op vlak van (arbeids)participatie, dé sociale kwestie die een sterke bedreiging is voor de sociale cohesie. De onderwijskloof blijkt het afgelopen decennium zelfs nog verder uitgediept te zijn, niet enkel in België maar ook in de volledige Europese Unie. De werkzaamheid van laaggeschoolden is in vele lidstaten (sterk) gedaald, bij de midden- en hooggeschoolden is ze vrijwel onveranderd gebleven. In België is 84% van de hooggeschoolden aan het werk, slechts 48% bij de laaggeschoolden.

De onderwijskloof is dé uitdaging, niet enkel van het arbeidsmarktbeleid, maar van elk sociaal inclusiebeleid dat gericht moet zijn op integratie van een toch omvangrijke minderheid in relatieve kansarmoede, omdat het ontbreken van betaalde arbeid de bestaanszekerheid aantast. Op alle niveaus worden de sociale doelstellingen wel sterk ‘beleden’, maar in de feiten zien we in de EU momenteel een verontrustende sociale achteruitgang met toename van werkloosheid en (kans)armoede. Het West-Europese sociale welvaartsmodel heeft de vorige decennia relatief goed stand gehouden en, via de ‘derde weg’ van de actieve welvaartstaat, lange tijd kunnen weerstaan aan de Angelsaksische lokroep van doorgedreven deregulering, flexibilisering en vooral ‘minder overheid’, die in de betrokken landen de armoede-onderklasse enkel maar vergroot heeft. Sinds de financiële crisis en de strenge begrotingsdiscipline begint de dam van sociale bescherming ook in vele Europese landen barsten te vertonen, met een neerwaartse druk op de middelen voor sociale uitkeringen en voorzieningen zoals huisvesting, onderwijs en gezondheidszorg. Ook in België ligt het armoederisico sinds enkele jaren op een hoog niveau (15%), de talrijke monitoring-rapporten en beleidsintenties ten spijt. De creatie van duurzame en ‘leefbare’ werkgelegenheid mag niet langer een intentie blijven!

Fons Leroy
Gedelegeerd bestuurder VDAB

Francis Holderbeke
Studiedienst VDAB

Noten
1/ Nationale Bank van België, Economische projecties voor België-Voorjaar 2012. Brussel, juni 2012.
2/ Centrale Raad voor het Bedrijfsleven. Technisch verslag over de maximale beschikbare marges voor de loonkostontwikkeling. Brussel, november 2011.
3/ VDAB, Crisis maakt jongeren niet kansloos. VDAB Ontcijfert, nr. 26. Brussel, 2011.
4/ De werkzaamheidsgraad geeft het aantal werkenden (betaalde arbeid) weer in procent van de totale bevolking tussen 15 (of 20) en 64 jaar.
5/ De internationale ILO-werkloosheidsgraad geeft het aantal beschikbare en actief werk-zoekende personen weer in procent van de beroepsactieve bevolking (werkenden plus werkzoekenden) tussen 15 en 64 jaar.
6/ Dit heeft geleid tot het in vraag stellen van het Deense ‘flexicurity’-model. Zie o.a.: H. Jørgensen, Danisch ‘Flexicurity’ in Crisis - Or Just Stress-tested by the Crisis?, International Policy Analysis, Maart 2011.
7/ De activiteitsgraad geeft weer welk aandeel van de bevolking tussen 15 en 64 jaar aanwezig is op de arbeidsmarkt, ofwel werkend ofwel werkzoekend.
8/ Centraal Bureau voor de Statistiek, Welvaart in Nederland. Inkomen, vermogen en bestedingen van huishoudens en personen. Den Haag, 2012.
9/ M. Lefebvre, S. Perelman, P. Pestieau, La performance de l’Etat-providence européen. Quel enseignement pour la Belgique? In: Regards Economiques, UCL, Décembre 2011, numéro 93.
10/ De ongekwalificeerde uitstroom is het aandeel jongeren (18-24 jaar) dat ten hoogste een diploma lager secundair onderwijs behaald heeft en geen opleiding meer volgt. Ondanks de leerplicht tot 18 jaar bedraagt dit aandeel (Eurostat-data) in België 11,9% (2010), en daalt heel traag (12,9% in 2005). Vlaanderen is met 9,6% de enige regio die de EU2020-doelstelling van 10% haalt, maar kent ook een te trage verbetering (10,7% in 2005).
11/ ‘Graag meer Duitsland, maar vooral meer Europa’. In: De Tijd, 18 april, p. 7.
12/ VDAB, Werkzoekenden, een stroom van diversiteit. VDAB Ontcijfert, nr. 25. Brussel, 2011.
13/ De onderwijskloof tussen de hoog- en laaggeschoolden, de verhouding tussen de werkzaamheidsgraad van hoog- en laaggeschoolden, is in België zeer sterk toegenomen, van 1,68 (2000) naar 1,77 (2011). De EU-gemiddelden bedragen 1,53 en 1,56. In het Vlaamse Gewest was de toename vrij beperkt: van 1,64 naar 1,65.
14/ De Belgische particulieren hebben binnen de OESO historisch één van de hoogste spaarquoten (ongeveer 17%). De (grote) bedrijven slagen erin hun investeringen voor een groot deel met eigen vermogen te financieren waardoor ze ook volop genieten van de ‘notionele intrestaftrek’.
15/ In 2010 was in de volledige EU slechts 54% van de laaggeschoolden (25-64 jaar) aan het werk, zelfs lager dan in 2000 (55%) en 2005 (56%). Het verschil met de hooggeschoolden (84%) is juist 30 procentpunten. Ook in de beter presterende lidstaten bedraagt de kloof minstens 20 procentpunten.
16/ In een interview met De Tijd (13 april 2012) stelt Peter Praet, directeur en hoofdeconoom van de Europese Centrale Bank, dat ‘Duitsland met een werkloosheidsgraad van 6,7% dicht tegen ‘volledige tewerkstelling’ zit’.
17/ Dit zijn personen met een andere nationaliteit dan die van het verblijfsland waar ze sinds 5 jaar of minder wonen.
18/ VDAB, Kansengroepen in kaart. Allochtonen op de Vlaamse arbeidsmarkt. Brussel, mei 2012.
19/ ‘Vier op tien werknemers Opel nog zonder job’. In: De Standaard, 2 juli 2012, p. 36.
20/ VDAB, Knelpuntvacatures overschat? De knelpuntintensiteit op de Vlaamse arbeidsmarkt. VDAB Ontcijfert, nummer 27, maart 2012. De 22% knelpuntvacatures hebben een looptijd van langer dan 90 dagen, de 11% kritieke knelpuntvacatures een looptijd van langer dan 180 dagen.
21/ Hoge Raad voor de Werkgelegenheid, Verslag 2010, pp. 37-38.
22/ Steunpunt WSE, Hervorming uittredestelsels. Boost voor tewerkstelling 55-plussers? Arbeidsmarktflits 111, juli 2011.

arbeid - financiële crisis - werkgelegenheid

Samenleving & Politiek, Jaargang 19, 2012, nr. 8 (oktober), pagina 4 tot 16