Log in

'Land op de tweesprong. Manifesten ter ontgrendeling van Vlaanderen'

Uitgelezen

Samenleving & Politiek, Jaargang 19, 2012, nr. 8 (oktober), pagina 64 tot 66

Land op de tweesprong. Manifesten ter ontgrendeling van Vlaanderen

Gravensteengroep (Jean-Pierre Rondas, red)
Uitgeverij Pelckmans, Kalmthout, 2012

De Gravensteengroep is opgericht in het voorjaar van 2008. De groep wil ertoe bijdragen dat de Vlaamse eisen niet uitsluitend in de rechtse of extreemrechtse hoek worden gesitueerd. Ze ontstond als tegenreactie op de actie ‘Red de solidariteit’, de petitieactie van de vakbonden in 2007 tegen de splitsing van de sociale zekerheid en voor het behoud van solidariteit.
Het boek is een bundeling van de tien manifesten - en een aantal andere teksten - die de groep schreef tussen 2007 en 2012. Vaak werden ze gepubliceerd in De Standaard. De rode draad doorheen die manifesten laat zich als volgt samenvatten:

Dit land kent een democratisch deficit. Er is sprake van een permanente minorisering van de Vlaamse parlementaire meerderheid. Dit is de fout van de grendelgrondwet en andere grendelwetten die ervoor zorgen dat door bijzondere meerderheden en alarmbelprocedures de Vlamingen hun parlementaire meerderheid niet kunnen verzilveren. De Gravensteengroep wil daarom ‘politieke solidariteit’: meer respect voor de meerderheidsregel. Er kan in elk geval geen inmenging zijn op andermans grondgebied (territorialiteitsbeginsel). In de hoofdstad Brussel moet het gelijkheidsbeginsel onverkort worden toegepast. Daaronder verstaat men: behoud van het tweetalig statuut, dat zowel de Nederlandse als de Franse cultuur actief gesteund worden én dat persoonsgebonden materies geen exclusieve Brusselse bevoegdheid kunnen zijn. Als middel kiest de Gravensteengroep voor een staatshervorming die de structuren van deze staat confederaal maakt. We kiezen voor een Vlaamse autonomie in een minimale Belgische constructie, heet het dan. Want er bestaat geen eenheid van het land België, wel twee gemeenschappen met elk hun eigen kenmerken, opvattingen en cultuur. Er zijn twee openbare opinies ontstaan. De laatste manifesten toetsen de formateursnota en het regeerakkoord aan de geschetste uitgangspunten. Slotsom: Het BHV-voorstel van formateur Di Rupo is ronduit nadelig voor de Vlamingen. De groep lijst 23 nadelen op voor Vlaanderen en één nadeel voor Franstalig België. Het regeerakkoord maakt van Brussel een ‘région à part entière’ wat neerkomt op een Brussels separatisme. Zo worden de persoonsgebonden materies als de kinderbijslag overgedragen aan een soort gemeenschapsgewest. De Gravensteengroep plaatst ten slotte grote vraagtekens bij de democratische waarde van dit regeerakkoord. Vlamingen hebben immers gekozen voor een staatkundige omwenteling maar zelfs de arbeidswetgeving blijft grotendeels Belgisch en er wordt geen werk gemaakt van een ‘ook voor de Franstaligen billijke afbouw van de transfers’.

Het fraai uitgegeven boek heeft alvast de verdienste dat het een licht werpt op de visie van een Vlaams-nationalistische strekking die zichzelf als progressief beschouwt. Een aantal manifesten verlenen meer duidelijkheid over hun achterliggende opvattingen, zeker als het op Brussel en Brussel-Halle-Vilvoorde aankomt.

Je hoeft geen specialist staatkundig recht te zijn om vast te stellen dat de Vlaams-nationalistische opinie niet altijd consequent is. Geen inmenging op Vlaams grondgebied staat in schril contrast met de inmenging die men opeist voor de Vlaamse gemeenschap in Brussel. Ook de Vooruitgroep - ontstaan als ‘progressieve’ reactie op de Gravensteengroep - heeft dit eerder al opgemerkt en stelt in scherpe bewoordingen dat de Gravensteengroep Brussel behandelt als een kolonie waarin de regels kunnen worden opgelegd door twee buurlanden.
De Gravensteengroep geraakt - zoals veel andere Vlaams-nationalisten - vooral in de knoei als het op overdracht van sociale zekerheid en sociale rechten aankomt. Consequent aan hun opvatting dat de gemeenschappen bevoegd zijn voor persoonsgebonden materies pleiten ze mordicus voor overheveling van kinderbijslag en gezondheidszorgen naar de gemeenschappen, ook in Brussel. Wat zou neerkomen op het naast elkaar bestaan van twee verschillende reglementeringen: een van de Franstalige gemeenschap voor de Franstalige Brusselaars, een van de Vlaamse gemeenschap voor de Vlaamse Brusselaars. Brusselaars moeten dan een gemeenschapskeuze maken. De Gravensteengroep ziet daar weinig graten in. Zo een tweedeling binnen hetzelfde gewest, schrijft Johan Vande Lanotte, is zinvol en aanvaardbaar op het vlak van onderwijs, cultuur en welzijn. Maar inzake sociaaleconomische rechten roept dat heel wat vragen op. Kan een vrije keuze hier soelaas bieden? Strookt een systeem van sociale ‘shopping’ wel met ons stelsel van sociale rechten? Is het aanvaardbaar dat bevolkingsgroepen zelf kiezen hoeveel ze bijdragen? Kunnen bevolkingsgroepen kiezen welke rechten ze zullen krijgen? Er is volgens Vande Lanotte weinig kans dat het Europees Hof voor de Rechten van de Mens zo een onderscheid tussen Nederlandstalige en Franstalige inwoners (op het Brussels Grondgebied) zou aanvaarden, al was het maar omdat het in andere Europese staten de deur op een kier zou zetten voor etnisch gebonden sociale zekerheidsstelsels. (zie Johan Vande Lanotte in zijn vlugschrift De Belgische Unie bestaat uit vier deelstaten, 2011).

Wat er nu progressief is aan de geschriften van de Gravensteengroep is mij voorlopig nog een raadsel. De manifesten besteden weinig aandacht aan het aspect solidariteit. In het eerste manifest klinkt het nog plechtig: ‘Wij willen, als welvarende regio, zowel de interpersoonlijke als de interregionale solidariteit in stand houden’. In het achtste manifest komt men even terug op deze kwestie, waar men het heeft over de transfers: theoretisch zijn ze gebaseerd op een legitieme solidariteit, maar het in de diverse regio’s gevoerde beleid speelt een essentiële rol en daarom moeten die transfers (geleidelijk) worden afgebouwd en de regio’s meer geresponsabiliseerd. Daarover kan je discussiëren, maar wat opvalt is dat de transfers hier weer op een hoopje worden gegooid en er geen onderscheid wordt gemaakt tussen solidariteit in het kader van welvaartsverschillen tussen de regio’s (de echte transfers via het solidariteitsmechanisme in de bijzondere financieringswet) en de interpersoonlijke solidariteit in het kader van de Sociale Zekerheid (eigen aan een sociale verzekering en dus geen transfers tussen regio’s). Wat nog meer opvalt is dat er geen visie wordt ontwikkeld over solidariteit tout court. Over het belang van een financiering van gemeenschappen op basis van de reële behoeften van de gemeenschappen, bijvoorbeeld. Omdat het - althans vanuit een progressieve visie - niet logisch is dat armere deelstaten met minder geld moeten toekomen per leerling, per bejaarde of per kind. Integendeel, met haar pleidooi voor een opsplitsing van het arbeidsrecht gaat men in de richting van een versplintering van sociale rechten, terwijl de arbeidersbeweging er alles aan doet om die rechten op een hoger, minstens Europees, niveau te veralgemenen.

Misschien komen de progressieve ideeën aan bod in toekomstige manifesten. Eerst meer Vlaanderen, en later ideeën voor een links Vlaanderen? De Gravensteengroep heeft alvast niet gewacht met kritiek op de linkse partijen. In haar vijfde manifest ‘driemaal links is ook rechts’ komt ze tot het besluit dat de kiezers zich niet meer herkennen in wat ‘linkse’ partijen hen te bieden hebben: links voert geen economische strijd meer, kiest na de sterke opkomst van rechts in Vlaanderen voor de moraliserende reactie en teert vooral op de macht van de linkse partijen in Franstalig België… Maar vergis je niet. Als je de manifesten leest, krijg je niet de indruk dat de Gravensteengroep echt uitkijkt naar een links-progressief reveil. Integendeel, verschillende auteurs maken zich vooral zorgen over het democratisch gehalte van de regering Di Rupo I. Om het met de woorden van Tinneke Beeckman te zeggen: ‘Wat een linksdenkend burger er ook mag van vinden, de N-VA heeft wel degelijk glansrijk de verkiezingen van juni 2010 gewonnen’.

Samenleving & Politiek, Jaargang 19, 2012, nr. 8 (oktober), pagina 64 tot 66