Abonneer Log in

Statement van de Europese kiezers

redactioneel

Samenleving & Politiek, Jaargang 19, 2012, nr. 8 (oktober), pagina 1 tot 3

De Nobelprijs voor de vrede kwam als een verrassing. Precies op het ogenblik dat de Europese Unie zware kritiek krijgt voor het soberheidsbeleid dat aan de bevolking wordt opgelegd en haar gebrek aan een daadkrachtige visie om een einde te maken aan de crisis, valt deze prijs als manna uit de hemel.

Het kon niet anders dan dat er meteen ook zwaar werd uitgehaald naar het Nobelcomité. Toch kan die prijs wel degelijk een positieve invloed hebben op de toekomst. Niet enkel omdat er aan een Nobelprijs altijd een agenda vastzit, maar ook omdat de kiezers de afgelopen maanden enkele duidelijke signalen hebben gegeven.
Een debat ‘voor’ of ‘tegen’ de Europese Unie is uiteraard zinloos. Geen enkel land kan zijn economische, financiële en sociale zaken nog alleen beredderen. Geen enkel land kan zonder de samenwerking met zijn buurlanden een oplossing voor de crisis bedenken. De vraag is dus niet of we een EU nodig hebben, maar wat voor EU en met wel beleid?
Het is weliswaar geen makkelijk debat. Ik heb het zelf vaak heel erg moeilijk om uit te leggen dat ik wel tegen het huidige neoliberale beleid van de Europese Unie ben, maar niet tegen de instellingen, laat staan tegen de EU zelf. Voor je het weet word je beschouwd als ‘dubbel agent’ en onbetrouwbaar geacht.
De Europese Unie, zo luidt de redenering bij heel wat progressieve sociale bewegingen, ‘is’, ze is wat ze is, met ondemocratische instellingen die niet te hervormen zijn. We willen een ‘sociaal en democratisch Europa’, maar helaas wordt daar nooit bij verteld wat dit exact betekent. En wie dit wil uitvinden, krijgt nul op het rekest.

Toch vraag ik me af of de Europese kiezers niet bezig zijn om die moeilijke vragen te beantwoorden.
Ik denk aan drie recente verkiezingen waarbij Europese thema’s heel hoog op de agenda stonden: de laatste parlementsverkiezingen in Griekenland, de presidentsverkiezingen in Frankrijk en de parlementsverkiezingen in Nederland. Wat leren ze ons?
In eerste instantie iets zeer positief: de Europese thema’s beroeren de gemoederen wel degelijk. Dat is natuurlijk logisch nu er zware besparingen op ons afkomen die iedereen meteen zullen raken. Inperking van werkloosheidsverzekeringen, optrekken van de pensioenleeftijd, knabbelen aan het stakingsrecht of de collectieve onderhandelingen, bedreiging van het indexmechanisme. Neen, dit zijn geen zaken die de ‘Europese Unie’ rechtstreeks oplegt, het zijn wel zaken die onze regeringen in Brussel gaan bespreken om ze makkelijker op de nationale agenda te krijgen.
Vanuit die begrijpelijke en makkelijk begrijpbare sociale thema’s gaat de discussie verder met vragen over de euro, over democratie, over de instellingen. Het zijn thema’s die de politieke partijen vroeger angstvallig achterwege lieten, wegens ‘te moeilijk’. Ze komen nu als een boemerang in hun gezicht terug.
En in tweede instantie lijkt het er op dat de kiezers grote problemen hebben met het Europese beleid, maar daarom de euro of de instellingen niet afwijzen. Ik bedoel dit:
Er is wel degelijk een harde anti-Europese kern aanwezig in de drie vermelde landen, links zowel als rechts. In Griekenland aan de rechterzijde de fascistische ‘Gouden Dageraad’ en aan de linkerzijde de Kommunistische partij (KKE). In Frankrijk aan de rechterzijde het ‘Front National’ van Marine Le Pen en aan de linkerzijde de Nieuwe Anti-kapitalistische Partij (NPA) van Poutou (vroeger Besancenot). In Nederland aan de rechterzijde de PVV van Geert Wilders en aan de linkerzijde de SP van Emile Roemer.
Ik weet het, ze zullen het niet leuk vinden samen te worden vermeld, en hun anti-Europese houding is ook het enige wat hen bindt. De Nederlandse SP kan ook opwerpen niet echt anti-Europees te zijn, maar de positieve bocht die ze net voor de crisis hadden genomen, blijkt toch weer vergeten te zijn. En met uitspraken als ‘hoe minder Europa, hoe beter voor de burgers’, het geflirt met de intergouvernementele Raad van Europa en het weigeren van solidariteit met Griekenland doen toch de wenkbrauwen fronsen. ‘Brussel moet afblijven van onze lonen en onze pensioenen’, zeer zeker, de Europese Unie is daar ook niet voor bevoegd. Als die punten in Brussel besproken worden, komt dat door onze eigen nationale regeringen, niet door de Europese Commissie.
Wat we in Griekenland en Frankrijk zien is dat de rechtse anti-EU partijen sterker zijn dan de linkse. In Nederland staat de SP voor Wilders, maar heeft wel zware klappen gekregen na de piek in de peilingen. In de drie gevallen heeft de kiezer de voorkeur gegeven aan partijen die wel kritisch tegenover het beleid staan maar niet de euro of de EU aanvallen.
Het Griekse Synaspismos - hoofdbestanddeel van Syriza - is van bij zijn ontstaan openlijk pro-Europees geweest en keurde zelfs het Verdrag van Maastricht goed. Syriza pleitte er in de verkiezingscampagne uitdrukkelijk voor de ‘memoranda’ met de EU-Troika te willen heronderhandelen - waardoor het sociaal nefaste besparingsbeleid zou worden bijgesteld -, maar vooral in de euro en in de EU te willen blijven. De Pasok-regering had die memoranda aangenomen en werd daarvoor zwaar afgestraft.
In Frankrijk begrijpt het ‘Front de Gauche’ van Jean-Luc Mélenchon zeer goed dat er buiten de EU geen oplossingen zijn. Wel is hij zeer kritisch voor het huidige beleid en hij was in 2005 als lid van de PS ook bij de ‘non’ stemmers tegen het ontwerp van het grondwettelijk verdrag. Bij de Franse KP zijn er wellicht nog enkele radicale anti-EU stemmen over, maar ze worden zeldzaam. In het Europees Parlement zijn de Franse communisten al lang goede oppositieleden, geen tegenstanders. Dat Mélenchon niet meer dan 11% haalde kan mee verklaard worden doordat ook François Hollande zeer kritisch was voor het nieuwste begrotingspact en beloofde daar opnieuw over te onderhandelen. We weten inmiddels dat dit niet is gelukt, maar niemand kan loochenen dat het Europese beleid stilaan wordt bijgesteld naar minder soberheid en meer investering.
In Nederland zijn de stemmen die eerst naar de SP zouden gaan, ten slotte bij de sociaaldemocratische PvdA beland. Maar de SP heeft er zeker toe bijgedragen het PvdA-discours te ‘verlinksen’. Het valt nu af te wachten wat dit betekent in een mogelijke regering.
Ik weet het, dit alles is niet meer dan een gok. Er speelden bij deze drie verkiezingen veel meer elementen mee dan enkel het Europese beleid. En hoe dan ook zijn nationale verkiezingen altijd anders, in ieder land. Maar het zou interessant zijn mocht die eerste indruk empirisch kunnen worden getest. Het zou een interessante invalshoek voor de partijen kunnen zijn bij de Europese verkiezingen van 2014.

Wat we intussen wel zeker weten is dit. Na de Nederlandse verkiezingen, de uitspraken van het Duitse Grondwettelijk Hof (waardoor ratificatie van het ESM-verdrag mogelijk wordt) en de jongste beslissingen van de Europese Centrale Bank (om staatsbons van de eurolanden rechtstreeks en onbeperkt op te kopen op de secundaire markt), ziet het er naar uit dat de rust alvast tijdelijk is weergekeerd in de EU en op de financiële markt. Helaas is de crisis daarmee nog niet opgelost.
De Europese leiders, inclusief Angela Merkel, hebben wel begrepen dat het zo niet verder kan. Nagenoeg de hele EU belandt in een recessie en de democratie is in gevaar. Extreemrechtse en populistische partijen steken overal de kop op.
Herman Van Rompuy heeft een ‘roadmap’ voor hervormingen uitgeschreven. De Ministers van Buitenlandse Zaken van elf lidstaten - waaronder België - stelden eveneens hervormingen voor. In zijn ‘State of the Union’ van medio september in Straatsburg maakte Commissievoorzitter Barroso gewag van twee grote hervormingen. Op korte termijn wil hij een sterkere economisch-monetaire Unie, op langere termijn een politieke Unie, beide met noodzakelijke verdragswijzigingen. Maar alles lijkt er op te wijzen dat er voor de economisch-monetaire unie géén conventie aan te pas zal komen. Dat betekent dat er ook géén democratisch debat kan over gevoerd worden. Dat is géén goed idee.
Het soberheidsbeleid dat nu overal wordt gevoerd en te pas of te onpas wordt toegeschreven aan de Europese Commissie, heeft de legitimiteit van de EU zwaar ondermijnd. De burgers hebben aangegeven dat ze begrijpen dat er Europees veel op het spel staat. Als de democratie één van fundamentele waarden van de EU is, dan moet ook het economisch en het begrotingsbeleid met het Europees Parlement, de nationale parlementen en met de civiele maatschappij grondig worden besproken.
Precies dat moeten de bewegingen aangrijpen met het argument van de Nobelprijs om erop aan te dringen dat de Europese Unie opnieuw een vredesproject moet worden en moet blijven. Vandaag worden landen, regio’s en mensen tegen elkaar opgezet in een niets ontziende concurrentiestrijd. Dit kan niet anders dan leiden tot nieuwe conflicten. In een Europese Unie die gehecht is aan de vrede zal de democratie moeten worden hersteld en zullen landen en instellingen een op mensenrechten gebaseerd sociaal beleid moeten voeren dat mensen weer vertrouwen, hoop en een toekomst kan bieden. De Nobelprijs is hiervoor een zeer welgekomen legitimering.

Francine Mestrum
Redactielid Samenleving en politiek

edito - verkiezingen - Europa

Samenleving & Politiek, Jaargang 19, 2012, nr. 8 (oktober), pagina 1 tot 3