Abonneer Log in

'Mensen maken de stad. Bouwstenen voor een sociaal-ecologische toekomst'

Uitgelezen

Samenleving & Politiek, Jaargang 19, 2012, nr. 9 (november), pagina 68 tot 71

Mensen maken de stad. Bouwstenen voor een sociaal-ecologische toekomst

Dirk Holemans (red.)
Uitgeverij epo, Berchem, 2012

Nu de gemeenteraadsverkiezingen achter de rug zijn en overal coalities worden gevormd en bestuursakkoorden worden geschreven, is een goed boek over stedelijk beleid meer dan welkom. Het boek Mensen maken de stad dat tot stand kwam in samenwerking met Oikos, denktank voor sociaalecologische verandering, kan gerust beschouwd worden als een goede handleiding voor de toekomstige bestuurders.

Het boek gaat uit van drie vragen: Wat is de huidige staat van de stad? Welke zijn de belangrijkste uitdagingen voor de stad en welke antwoorden kunnen we daarop formuleren? Welke kunnen de krachtlijnen zijn voor een toekomstig stedelijk beleid?
In de antwoorden komen vier kernwoorden naar boven: wonen, solidariteit, superdiversiteit en klimaatneutraal. Door deze thema’s lopen twee rode draden: een pleidooi voor participatie en stedelijk burgerschap.

Wat volgt zijn 4 delen, 16 hoofdstukken en 4 verhalen. Een hele reeks auteurs hebben de diverse hoofdstukken verzorgd. Hun bijdrage is van wisselende kwaliteit. Ook is het niet eenvoudig om uit deze verscheidenheid aan bijdragen een gemeenschappelijke visie te puren. Toch is Dirk Holemans erin geslaagd dat in de mate van het mogelijke te doen.

In deel 1 wordt de staat van de stad vooral uit historisch perspectief behandeld. Met cijfers en grafieken worden de zwakke plekken van de stad blootgelegd. Ook het stedelijk beleid in Vlaanderen van stadsvernieuwing naar stadsontwikkeling wordt, ook op andere plaatsen in het boek, geanalyseerd. Ook de komst van de migrant in ‘de stad van aankomst’ wordt duidelijk beschreven. In het hoofdstuk over politieke ecologie leren we dat het stedelijk beleid evolueerde van het ‘temmen van de natuur’ naar ‘de natuur als actor’.
Het verhaal over de ontwikkelingen in de wijk Blackstock Road in Londen dat deel 1 afsluit is erg boeiend en positief.

Deel 2 graaft wat dieper en gaat op zoek naar het emancipatorisch potentieel van de stad. Eric Corijn begint met te stellen dat twee grote breuklijnen een toekomstgericht stadsproject in de weg staan: de scheiding tussen kernstad en voorstad en de blijvende kloof op de arbeidsmarkt die geen antwoord biedt op de hoge werkloosheid bij laaggeschoolden. Het verwondert dan ook niet dat hij de oplossing ziet in de uitwerking van stadsgewestelijke stedelijke economieën, met een sterke inzet op een kosmopolitische kernstad, die zo de nodige middelen creëert voor sociale inclusie.

In de daarop volgende hoofdstukken wordt een erg boeiend debat geopend over de sociale mix. Is een sociale mix op buurtniveau een oplossing? De auteurs stellen dat de sociale mix niet wenselijk en niet haalbaar is. Als alternatief stellen ze de zogenaamde aankomstwijken of transitiezones voor. Ze gaan er vanuit dat nieuwkomers in de stad zich in een bepaalde wijk best tijdelijk kunnen integreren en dat ze dan via sociale mobiliteit een stijgingsperspectief hebben en dan geleidelijk doorschuiven naar andere wijken.

Stijn Oosterlynck en Elise Schillebeeckx spreken zelfs van integratie door segregatie. De transitiezones hebben volgens hen een dubbele functie: enerzijds zijn ze de symbolische toegangspoort van de stad waar immigranten kunnen wonen, een inkomen kunnen verwerven en hun kinderen kunnen grootbrengen en anderzijds hebben ze een transitiefunctie die migranten de nodige vaardigheden en sociale netwerken kan bieden om op te klimmen in de maatschappij. Maar ook deze sociale stijgingstheorie wordt kritisch bekeken. Toch zijn de auteurs het er wel over eens dat de stad moet inzetten op werk, onderwijs en wonen. Wat diversiteit betreft moet er resoluut opgetreden worden tegen discriminatie en moet solidariteit tussen stedelingen met een diverse achtergrond gestimuleerd worden.

Ook hier wordt het deel afgesloten met een verhaal. Het is een stukje van het dagboek van een verontwaardigde (een indignado). Op het eerste gezicht niet op zijn plaats in een boek over stedelijk beleid of toch wel want het gaat over een nieuwe vorm van participatie die vooral in steden ontstaat. Op die manier wordt meteen de link gelegd naar deel 3 dat handelt over stedelijke democratie.

In de eerste twee hoofdstukken van deel 3 wordt de werking van Samenlevingsopbouw in de stad grondig ontleed. Er wordt vastgesteld dat men vanuit de oorspronkelijke doelstelling (emancipatie) geëvolueerd is naar disciplinering en soms verworden is tot weinig kritische uitvoerder van een stedelijk beleid. De auteurs stellen de vraag of Samenlevingsopbouw niet weer terug moet naar haar essentiële missie om te destabiliseren en het altijd opnieuw ter discussie stellen van de gevestigde samenlevingsorde.

Filip De Rynck bekijkt erg kritisch de vormen van participatieve democratie op stadsniveau. Naast deze participatiearrangementen, zoals hij ze noemt, spelen de ambtenaren meer en meer een actieve rol en stelt hij dat de voordelen van de representatieve democratie (gemeenteraadsleden, politieke formaties) manifest aanwezig blijven en misschien aan herwaardering toe zijn.

Opnieuw wordt dit deel afgesloten met een hartverwarmend verhaal over het Maison BILOBA Huis in Brussel. Een geslaagd project van ouderenwoonzorg, van en met de bewoners, in een multiculturele en kansarme buurt.

In deel 4 wordt naar de kern van het verhaal gegaan. De stad als transitieplek naar een sociaalecologische samenleving.

In de hoofdstukken die volgen worden de basisideeën van een sociaalecologische samenleving uit de doeken gedaan, maar worden die ook gelukkig rijk geïllustreerd met voorbeelden uit de praktijk. Het maakt de utopische denkbeelden tot haalbare projecten.
De ideale vorm van een duurzame stad is volgens de auteurs een lobbenstad, waarbij blauw(water) groene (natuur)vingers de dragende structuren zijn. Vanuit het stadscentrum lopen er dan blauwgroene aders naar kwaliteitsvolle lobben, die het goede van de stad en de rand kunnen combineren. Mooi beeld, maar wat als de stad al jaren verknoeid werd, hoe herstel je dan de stad vanuit dit ideaalbeeld?

Een sociaalecologische stad van de toekomst moet ook een duurzaam mobiliteitsbeleid hebben. Uiteraard wordt daarbij resoluut gekozen voor de fiets en het openbaar vervoer. Het beleid in Groningen en Zürich op dat terrein is uitstekend en vormt zeker een inspiratiebron voor het mobiliteitsbeleid in vele Vlaamse steden. Dirk Holemans roept hierbij steden op om een koploperstad te worden. Om dat te worden zijn volgens Holemans nodig: een degelijke beheer- en beleidscyclus met een toekomstvisie, bestuurlijke samenwerking, een duidelijke samenhang tussen mobiliteit en ruimtelijke planning en goed uitgebouwde vormen van participatie.

Betaalbaar wonen is een derde belangrijke pijler van de ecopolis van de toekomst. Al te vaak richt het woonbeleid zich nog op mensen met geld, die een woning kunnen kopen en die kunnen meespelen in de consumptiestad. Er worden verdienstelijke initiatieven genomen om betaalbaar wonen mogelijk te maken, maar de weg is lang en moeilijk. Zeker als men weet dat een stad nauwelijks invloed heeft op de privésector. Het roer moet worden omgegooid, maar dat vergt ook een belangrijke wijziging van onze wooncultuur. We zullen definitief afscheid moeten nemen van het huis met een tuintje en huren zal belangrijker (en goedkoper) moeten worden dan eigendom.

Werkgelegenheid is de vierde pijler. De transitie naar een sociaalecologische economie vergt twee bewegingen: de geglobaliseerde economie moet kleiner en groener worden (herlokalisering van de productie en een klimaatbeleid) en de stedelijke economie moet zich ecologisch ontwikkelen. Een stadseconomie kan dan voor de broodnodige jobs zorgen. Zeker als je uitgaat van een kringloopeconomie kan de stad zowel een grondstoffenbron zijn, het hergebruik toepassen, het delen en ruilen stimuleren en een herstelnetwerk uitbouwen. Stadslandbouw en de droom van Dirk Holemans van een vintage designstad geven ook hier aan dat deze utopie haalbaar is.

De vijfde pijler is de groene pijler. Vanuit de Gentse tuinen en stadsakkers en de Antwerpse Buurtschatten wordt aangetoond dat stadsbewoners razend enthousiast zijn om samen in zogenaamde volkstuinen te werken. Het bevordert niet alleen het groen in de stad, maar ook het samenleven, ook met stedelingen van diverse afkomst. Bovendien gaan de tuinbouwers naar huis met gezond voedsel en dat scheelt bovendien in de portemonnee.
Het verhaal van ECO3-netwerkstrategie van Rotterdam, Vakmanstad rondt ook hier mooi dit deel af en toont aan hoe men vanuit onderwijs en buurt kansarme jongeren een mooi toekomstperspectief kan geven via judoles, samenwerken in de tuin en de keuken en een heuse les filosofie.

Het boek geeft veel stof tot nadenken, reikt mooie ideeën aan en zorgt voor concrete inspiratiebronnen.
In het boek heb ik maar één thema erg gemist en dat is kunst en cultuur. Het komt soms terloops aan bod, vooral als sociaal artistiek instrument,maar het lijkt me ook een belangrijk economisch en participatief element in de sociaalecologische stad van de toekomst.
Dit boek zou best op de nachttafel liggen van de burgemeesters en schepenen die vanaf volgend jaar hun stad besturen en als ze erin bladeren, laat ze dan ook maar geregeld naar de titel kijken: Mensen maken de stad.

Samenleving & Politiek, Jaargang 19, 2012, nr. 9 (november), pagina 68 tot 71