Abonneer Log in

Verdamt ich lieb dich, … ich lieb dich nicht

Samenleving & Politiek, Jaargang 19, 2012, nr. 9 (november), pagina 18 tot 23

In de never ending story van de zoektocht naar de recepten om uit de economische crisis te geraken worden al maandenlang geschiedenislessen opgerakeld, sociaaleconomische modellen vergeleken en zogenaamde succesformules uitvoerig becommentarieerd en verdedigd. Als het gras van je buurvrouw groener lijkt dan het jouwe, is het logisch dat je eens in haar tuinhuis zal piepen om de ‘succesformule’ te vinden. Dat is een natuurlijke reflex, maar een reflex die gevaren met zich meebrengt. Anno 2012 heeft iedereen de mond vol van het Duitse economische model dat ons uit het Europese economische moeras zou kunnen trekken. Laat ons een poging wagen om het fameuze ‘Duitse model’ in al zijn facetten te bekijken.

De geschiedenis herhaalt zich nooit, maar rijmt altijd een keer. De zin is gestolen van de Nederlandse band Spinvis, maar is in vele opzichten een waarheid als een Friese koe. In een recent verleden passeerde er een stoet van ‘te volgen economische modellen’. Maar wat is daar in tussentijd van overgebleven? Wie spreekt nog over de ‘Aziatische tijgers’, de ‘dot.com economie’ of dichterbij het ‘Poldermodel’ of de ‘Ierse tijger’? Ooit waren ze het walhalla, nu is iedereen ze vergeten. Ergens is het misgegaan. Vaak bleef - om in de terminologie van huis en tuinder te blijven - onvruchtbare grond over, meestal na gebruik van een verkeerd sproeimiddel. Toch worden dezelfde fouten opnieuw gemaakt. Anno 2012 heeft iedereen de mond vol van het Duitse economische model dat ons uit het Europese economische moeras zou kunnen trekken. Pas de Duitse recepten toe en je zal wel varen. De ‘kopiëren en plakken’-methode is echter zelden of nooit toepasbaar in de economische wetenschap.

Waar dit discours van ‘copy/paste’ daarentegen wel uiterst bruikbaar is, is de politiek, zowel geschikt voor nationaal als Europees gebruik. Ze laat toe om door middel van karikaturen een complexe economische werkelijkheid eenvoudig voor te stellen en de wereld in enkele zinnen in strijdende kampen op te delen. De slechten en de goeden. De cowboys en de indianen. In een Europese context gaat het niet over indianen of cowboys, maar over eerder genoemde sociaaleconomische modellen. De spaarzame, hardwerkende Duitsers worden tegen luie Grieken of Spanjaarden uitgespeeld, of tegenover onze Franse zuiderburen. Terwijl de Beierse grond wordt geploegd, verdoet de Fransman zijn tijd met pastis drinken in de zon en geld over de balk gooien. Zulke karikaturen verkopen gemakkelijk en bij de media ontbreekt het te dikwijls aan een kritische reflex om ze grondig te onderzoeken. De realiteit is complex en genuanceerd.

WAT IS HET DUITSE MODEL?

Het Duitse ‘succesmodel’ is voor velen een model van loonmatiging, arbeidsmarktflexibilisering en budgettaire rigueur. Gooi deze drie samen, kook er een soepje van en daar heb je een exportgerichte, competitieve, welvarende economie. Maar klopt dat wel?

De arbeidsmarkt. Ja, daar ‘scoort’ Duitsland op het eerste zicht uitzonderlijk goed. De officiële Duitse werkloosheidscijfers liggen bij de laagste van Europa, met 5% bedragen ze de helft van de Franse. Maar zeggen werkloosheidscijfers alles over de sociaaleconomische toestand waarin een land verkeert? Heeft Duitsland de afgelopen jaar netto veel tewerkstelling gecreëerd? Of anders gezegd, staat tegenover de dalende werkloosheid ook een even grote nettocreatie van arbeidsvolume? Neen. Het gecreëerde arbeidsvolume (het totaal aantal uren dat werknemers per jaar presteren) is niet navenant gestegen in vergelijking met andere Europese landen.1

Wat is er dan wel gebeurd? Structureel is de arbeidsmarkt aangepakt, met in de kern: flexibilisering. Deze flexibilisering werd ingezet onder de regering-Schröder vanaf 2003. De Hartzhervormingen zorgden voor een drastische hervorming van de werkloosheidsuitkeringen (beperking in de tijd), de vergemakkelijking van interimwerk, de creatie van atypische arbeidscontracten (parttime contracten, tijdelijke contracten) en een hervorming van het arbeidsrecht (afbouw ontslagrechten). Deze hervormingen hebben een enorme impact gehad op de dienstensector (openbare sector, schoonmaak, kleinhandel, Telekom) en de bouw in Duitsland. Fulltime jobs werden in stukjes gehakt: een job die enkele maanden daarvoor door één persoon werd uitgevoerd, werd in verschillende parttime ‘partjes’ opgesplitst en in een interimstatuut geduwd. Van de nieuw aangeboden jobs zijn momenteel 35% interimcontracten. Bovendien werden in de genoemde sectoren slecht betaalde mini-jobs gecreëerd (met lonen tot maximaal 400 euro per maand), waarbij werklozen quasi verplicht werden om ze op te nemen. Zo brengen één op zes jobs momenteel tussen 4 en 6 euro per uur op. Onderhoud daar maar een gezin mee.

Het statistische werkloosheidsblazoen werd door de flexibilisering natuurlijk opgepoetst, maar het aantal mensen dat in een precaire situatie terechtkwam, nam fors toe, net zoals de inkomensongelijkheid. Uit een recent rapport van het Duitse Ministerie voor Sociale Zaken blijkt dat het aandeel in het nationale inkomen van de 10% rijkste Duitsers onophoudelijk is blijven stijgen: van 45% van het totaal van de rijkdommen in 1998 naar 53% in 2008. En dit terwijl 50% van de bevolking het nu moet stellen met 1% van de totale rijkdom, waar dat cijfer in 1998 nog 4% bedroeg.

Combineer de verhoogde flexibiliteit met een afbouw van de dekkingsgraad van cao’s, een verzwakking van de vakbonden en een non-respect voor afgesloten cao’s en je krijgt een dramatische neerwaartse druk op alle lonen. Bovendien stuikte de koopkracht van de modale Duitser in het overgrote deel van de Duitse economie in elkaar. Dat had niet enkel gevolgen voor de Duitsers zelf, maar ook ver daarbuiten. Daarover later meer.

DE DUITSE INDUSTRIE: DE KERN VAN HET ‘WUNDER’

Wie spreekt over een Duitse ‘competitieve’ economie, heeft het in feite over een Duitse competitieve industrie. Het is duidelijk dat het succes van Duitsland niet ligt bij de ontwikkeling van de binnenlandse vraag. De positieve Duitse groeicijfers zijn voornamelijk het gevolg van een exportgerichte, hooginnovatieve industrie. Door alle verdedigers van het Duitse economische model wordt de flexibilisering en loonmatiging hierin een cruciale rol toebedeeld, maar klopt dat?

Het verhaal van loonmatiging is een verhaal van matiging in die sectoren die amper of niet worden blootgesteld aan internationale concurrentie: de dienstensector en de bouwsector.2 De loondevaluatie en de flexibilisering hebben zeer weinig invloed op de internationale competitiviteit van de Duitse economie.3 De lonen in de Duitse industrie liggen - ondanks de relatieve daling ten opzichte van de rest van de eurozone in de afgelopen jaren - nog steeds bij de hoogste van de Europese Unie.

De belangrijkste factoren in het Duitse succesverhaal zijn volgens een recente studie van de Internationale Arbeidsorganisatie: de nabijheid van de groeimarkten, het hoogtechnologische productgamma en de grote schaal waarop de productie gebeurt. Niet meer niet minder. Duitsland levert prima industriële machines die Rusland, India en China nodig hebben om hun productie te moderniseren en auto’s waarmee de modale Chinees of Rus mee wil rondrijden. Een industrieel model waarbij stevig wordt ingezet op R&D, vorming en inspraak van de vakbonden vormt de ruggengraat van het Duitse exportsucces.

Flexibiliteit speelt een rol in de industrie. Maar, en dat is cruciaal, het type flexibiliteit dat de situatie van werknemers beschermt in plaats van de arbeidssituatie onzekerder te maken. Door een belangrijke mate van ‘interne flexibiliteit’ toe te passen is Duitsland - net zoals België - er in geslaagd om sinds het begin van de crisis de tewerkstelling te beschermen. Daar waar in andere EU-lidstaten (en de VS) plots duizenden industriële werknemers op straat werden gezet, steeg de werkloosheid in beide landen slechts licht bij aanvang van de crisis (2008) en werd de afbouw ervan snel in gang gezet. De belangrijkste reden hiertoe is de ‘interne’ flexibiliteit van de arbeidsmarkt. In België werden duizenden banen gered door het snel inzetten van het systeem van ‘tijdelijke werkloosheid omwille van economische reden’. In Duitsland speelden de Kurzarbeit-maatregelen (een reductie van het aantal gewerkte uren met een compensatie van de overheid voor het verlies aan inkomen) volgens het Duitse Institut für Makroökonomie und Konjunkturforschung (IMK)4 de belangrijkste rol. Bovendien accepteerden de Duitse ondernemingen tijdelijk meer ‘niet-productieve uren’ van haar werknemers. De vrijgekomen uren werden gebruikt om opleidingen te organiseren, productiemethodes te optimaliseren of grote infrastructuurwerken uit te voeren. Op deze manier moesten Duitse industriële bedrijven geen hooggekwalificeerd personeel laten afvloeien om ze daarna opnieuw te moeten aanwerven. Opnieuw maakte Duitsland het verschil op het vlak van opleiding en innovatie, ook in crisisperiodes. De crisis werd aangewend om te innoveren, niet om te saneren.

Het is volgens datzelfde IMK dus zeker niet de ‘externe’ flexibiliteit, door bijvoorbeeld een beperking van de ontslagbescherming of het vergroten van de mogelijkheden inzake interim-arbeid, die de Duitse exportsectoren windeieren heeft gelegd, maar de grote mate aan ‘interne’ flexibiliteit van de arbeidsmarkt. Toen de wereldeconomie eind 2009 opnieuw aantrok, kwam net zoals in een perfect storm alles samen voor de Duitse industrie: haar geschoold personeel, het gemoderniseerde productieapparaat en een productgamma waarop de rest van de wereld zat te wachten, waren de ingrediënten die nodig waren voor een exportboom die daarop volgde.

IEDEREEN SURPLUS

Het economische model dat Duitsland vanaf het begin van de 21ste eeuw volgde, heeft - zoals eerder aangetoond - een zware impact gehad op de binnenlandse economie. De structurele hervormingen van de arbeidsmarkt hebben de binnenlandse koopkracht, de economische vraag van de Duitse huishoudens, sterk aangetast. In een periode dat de lonen stagneerden of zelfs daalden, stegen de kapitaalinkomsten en winsten van de ondernemingen5 door de export.

Deze evolutie had een bijzonder kwalijk effect: de Duitse binnenlandse markt stagneerde. Doordat er minder geconsumeerd werd, vielen de investeringen in de binnenlandse economie stil. Waarom zou je als Duitse investeerder investeren in de binnenlandse productie van consumptiegoederen als je afzetmarkt niet groeit? Bovendien viel de vraag naar consumptiegoederen die geproduceerd werden in andere Europese lidstaten grotendeels weg. Franse, Spaanse of Italiaanse bedrijven konden hun producten niet meer kwijt in de grootste economie van Europa, waardoor hun handelsbalansen oplopende tekorten vertoonden. De Duitse handelsbalans schoot echter door het dak: Duitsland was een exportreus geworden, maar een importdwerg.

Nu, aan de andere kant moesten de hogere winsten en kapitaalopbrengsten van de Duitse economie ergens naartoe. Kapitaal moet immers voor kapitaal zorgen. Duitsland had in het eerste decennium van de 21ste eeuw het grootste surplus aan kapitaal ter wereld, na China. Geld zoekt altijd de hoogste opbrengst, zoals water dat naar de zee stroomt. Vanaf 2003 begonnen Duitse investeerders massaal geld te pompen in landen zoals de VS, Griekenland, Ierland, Portugal en Spanje. De immobiliënwoede in deze landen zorgde voor een nooit gezien rendement. De luxeappartementen aan de Costa del Sol groeiden tot in de hemel, gevoed door, hoofdzakelijk, Duits geld. De zeepbel barste in 2008, met bekende gevolgen, maar dat is een ander verhaal.

Hetgeen voor ons verhaal belangrijk is, is het feit dat deze Duitse historie er één van onevenwichten is. Groeiende armoede en onzekerheid voor een groot deel van de eigen bevolking, een stijging van de winsten en grote vermogens voor een klein deel ervan. Lage import, gigantische export. Investeringen in het competitieve deel van de economie, onderinvestering in het openbare gedeelte. Deze onevenwichten hebben niet enkel een effect op Duitsland zelf, maar ook op de rest van Europa.

Het inzetten op exportsucces van een economie is één zaak, maar dit exportsucces afdwingen door een algemene flexibilisering en loonmatiging op te leggen aan grote delen van je economie, is een andere. Kan elke lidstaat binnen een economische handelszone een surplus op zijn handelsbalans vertonen? Neen, dat kan niet. Iemand moet al die producten uiteindelijk kopen. Het Duitse model is duaal. Het verdient navolging wat de exportcapaciteit van haar industrie betreft. Door vorming, innovatie en investeringen is de afgelopen jaren een voorsprong opgebouwd. Duitsland is echter haar eigen achtertuin vergeten te onderhouden: de modale Duitser heeft minder centen in de portemonnee. Dit houdt gevaren in voor de ganse Duitse economie: haar exportafhankelijkheid van de opkomende economieën zal zich tegen haar keren wanneer de groei in deze landen stilvalt.

Hetgeen op microniveau plaatsvond in Duitsland, vindt nu zijn weg in de rest van Europa. Het beleid van structurele hervormingen en matiging wordt praktisch opgelegd aan het merendeel van de Europese lidstaten. Opnieuw zien we in deze landen eenzelfde evolutie: meer armoede, onzekerheid, precarisering en dalende lonen. Jammer genoeg blijft het resultaat uit: als een ganse handelszone zichzelf tegelijkertijd verarmt, zichzelf ‘intern devalueert’, is er natuurlijk niemand van dit handelsblok dat klaarstaat om de producten te kopen van die landen die exportsucces nodig hebben. Europa als een hond die zijn eigen staart achterna holt.

VLAAMSE VOORVECHTERS

Het Duitse model wordt niet alleen gebruikt om tussen, maar ook binnen Europese lidstaten verdeeldheid te zaaien. De grote (Vlaamse) voorvechters van het Duitse model hebben meestal niet de investeringen in R&D, onderwijs en vorming, of de inspraak van vakbonden in gedachten als ze het verdedigen, maar zijn enkel geïnteresseerd in een model van loonmatiging, flexibilisering en een verhoogde onzekerheid voor werknemers. Maar wiens brood men eet, diens woord men spreekt. Wie een communautair debat wil voeren, kan beter eerst naar de droge cijfers kijken. Van de 176 nieuwe buitenlandse investeringsprojecten in 2011 trok Vlaanderen - ondanks haar economisch overwicht - maar de helft (87) van de projecten aan.6 Brussel en Wallonië trokken net zoveel investeerders aan, maar blijken de laatste jaren vooral te scoren in het aantrekken van bedrijven uit de farma (Johnsson & Johsson, GSK), chemie en ICT (Google, Miscrosoft). De Waalse economie heeft via competentiepolen - naar Duits model - geïnvesteerd in de sectoren waar de komende jaren de grootste toegevoegde waarde gehaald kan worden. Vlaanderen dreigt achter te geraken en lijkt enkel te blijven steken in een discours van loonmatiging.

Het komt erop aan om je economie structureel te wapenen tegen de tijden die komen. Dat doe je niet door je eigen mensen te verarmen, dat doe je niet door de situatie van je mensen te ‘precariseren’. Wie een dergelijk model voorstaat, moet dat ook ronduit durven zeggen. Spreken in karikaturen, het duidelijk opzetten van ganse bevolkinggroepen tegen elkaar kan misschien op korte termijn enig electoraal succes met zich meebrengen, maar zal op lange termijn ons land sociaal en economisch beschadigen.

Wie investeert in innovatie, creëert exportpotentieel. Niet zozeer de loonkosten spelen hierbij een rol, wel het innovatieve, betrouwbare karakter van je producten. Het is daarom hoog tijd dat ook de Belgische economie met grondige investeringen omgevormd wordt van een economie die voornamelijk halffabricaten produceert naar een hooginnovatieve economie die haar mannetje staat in de wereldeconomie, zoniet staan ons nog een pak industriële drama’s te wachten.

Noten

  1. http://www.conference-board.org/data/economydatabase/.
  2. Steffen Lehndorff, German capitalism and the European crisis: part of the solution or part of the problem?
  3. ILO, Global Employment Trends 2012 (Box 4: German Wage Developments and euro area troubles).
  4. ‘From a source of weakness to a tower of strength?,’ IMK Report, http://www.boeckler.de/pdf/p\_imk\_report\_56e\_2011.pdf.
  5. ILO (2010) Global Wage Report 2010/2011: Wage policies in times of crisis.
  6. IBM Global Location Trends rapport 2012.

Samenleving & Politiek, Jaargang 19, 2012, nr. 9 (november), pagina 18 tot 23