Log in

'Ils nous ont pris la Flandre'

Uitgelezen

Samenleving & Politiek, Jaargang 20, 2013, nr. 1 (januari), pagina 96 tot 98

Ils nous ont pris la Flandre

Rik Van Cauwelaert
Uitgeverij Pelckmans, Kalmthout, 2012

Honderd jaar geleden, op 15 augustus 1912, publiceerde de Waalse socialistische politicus Jules Destrée (1963-1936) zijn roemruchte ‘Brief aan de koning: over de breuk tussen Wallonië en Vlaanderen’. In deze brief legt Destrée de vinger op ‘de grote en verschrikkelijke waarheid: Sire, U regeert over twee volkeren. In België zijn er Walen en Vlamingen, er zijn geen Belgen’. In de huidige tijd dat België nogal snel wordt afgeschilderd als een land met twee democratieën, is het weinig verwonderlijk dat dit pamflet terug onder de aandacht komt. Ook Destrée beschrijft immers een groeiende divergentie tussen Vlaanderen en Wallonië die gekenmerkt wordt door tegenstrijdige idealen en opvattingen over de richting die de staat uit moet. In 2012 verzorgde Uitgeverij Pelckmans daarom een nieuwe vertaling van deze brief aan koning Albert I. En werd het boek voorzien van een begeleidende inleiding en commentaar van voormalig Knack hoofdredacteur Rik Van Cauwelaert, waarin de context van de brief alsook de sprong van Jules Destrée naar Elio Di Rupo wordt gemaakt. Ofschoon deze sprong in de tijd te ver lijkt en te weinig geargumenteerd wordt, blijft het boekje ‘Ils nous ont pris la Flandre’ zeker een aanrader. De figuratie van machtsposities en groepsrelaties is in tussentijd dan wel grondig veranderd, toch biedt dit pamflet van de wanhoop een treffende inkijk in het groeiende onbehagen in Franstalig België anno 1912.

De brief schetst vooreerst op treffende wijze de eerste bewustwording van de teloorgang van de machtsdominantie binnen de Belgische staat in het begin van de 20ste eeuw en de wanhoop die dat uitlokt aan Franstalige zijde. Vrezend dat Franstaligen de controle zullen verliezen, schippert Destrée tussen Waals regionalisme en Belgisch patriottisme: uit noodzaak wil hij het regionalisme aanwenden om België te redden. Hij streeft niet naar separatisme, maar vreest dat het weleens nodig kan zijn - zeker wanneer de Vlaamse beweging blijft eisen stellen en de Walen onderdrukt. Om die reden besluit Destrée met de bedenking: ‘Een België bestaand uit een unie van twee onafhankelijke en vrije volkeren, en door deze wederzijdse onafhankelijkheid ook met elkaar in harmonie, zou dat niet een oneindig veel robuustere staat zijn dan een België waarvan de ene helft zou menen dat ze door de andere wordt onderdrukt?’

De rechtstreekse aanleiding van de brief aan de koning zijn de steeds verdergaande taaleisen van de Vlamingen die ingezet was met de gelijkheidswet van 1898 die het Frans en het Nederlands op gelijke voet verplicht maakt voor alle wetgevende handelingen. Alhoewel Destrée deze wet goedkeurde, vreest hij voor de nationale eenheid van België. Zolang Vlaanderen tweetalig blijft, is er geen probleem. Maar, ‘de dag dat het Frans uit Vlaanderen wordt verbannen, zullen wij er ons als vreemdelingen voelen’. Ofschoon de gelijkheidswet nog steeds vertrok van een eentalig Wallonië en tweetalig Vlaanderen leeft het gevoel dat deze wet het land zou opdelen in een Vlaanderen en Wallonië die slechts één taal spreken. Bij vele Walen heerst de indruk dat de eenheid van het land onder druk staat en dat met de invoering van de gelijkheidswet Vlaanderen hen ontnomen wordt. ‘Zij, de Vlamingen, hebben ons Vlaanderen ontnomen. Zeker, het was hun bezit. Maar het was ook een beetje het onze’. Destrée erkent de bestaansreden van de Vlaamse beweging, maar is van mening dat het haar doel voorbij schiet. ‘Zij bedreigt Wallonië’. In zijn visie eindigt het niet met een tweetalig Vlaanderen, maar streeft het naar een exclusief eentalig Vlaanderen - wat hij als een illegitieme, kwellende en kwetsende eis ziet. In de ogen van Destrée is de Vlaamse eis legitiem zolang de eis zich beperkt tot een facultatief gebruik van het Vlaams - naast het Frans - in Vlaanderen. Maar tezelfdertijd wordt deze kritiek niet doorgetrokken naar Wallonië. Meer zelfs, de eis van tweetaligheid van openbare ambtenaren wordt in Wallonië als illegitiem gezien omdat het ‘de uitsluiting van twee miljoen Walen, die enkel Frans verstaan’ betekent. Dit is de logica van de machthebber aan het werk. Maar tezelfdertijd is deze bewust van de verschuivende machtsbalans.

Uit de brief blijkt immers een sterk onbehagen dat groeit uit gevoelens van onmacht en relatieve deprivatie. De machtsconfiguratie keert immers. Er wordt Wallonië iets ontnomen: men minacht ons, we worden opzij gezet en belachelijk gemaakt. Vlaanderen wordt geschetst als een usurpator die iets onrechtmatigs in bezit tracht te nemen. ‘In werkelijkheid bevinden wij ons in de situatie van een overwonnen en geannexeerd volk. Wij hebben meesters van een vreemd ras’. In de roep om de Vlaamse taal te erkennen, herkent Destrée de voorafname van een veroveringstocht in drie stappen: (1) de Vlaming doet zich onderdanig voor, maar bereidt slinks in het geniep iets voor; (2) de Vlaming laat zich vervolgens als meester gelden, hij eist zijn plaats op en noemt dat gelijkheid - de Franstalige wordt nog enkel geduld; en (3) uiteindelijk eindigt het fanatisme in een alleenheerschappij van Vlaanderen en verdwijnt de Franstalige. In feite schetst Destrée hier in eenvoudige termen een ressentimentstheorie die het onbehagen situeert in een verschuivende machtsbalans. De dominante positie van de Franstaligen wordt ondermijnd door de Vlaamse beweging die roept om een gelijke toegang tot de machtsbronnen en taalrechten. Maar met het verdwijnen van de gevestigde verschillen zijn de Vlaamse onderschikten echter niet langer veraf en ongevaarlijk, maar vormen ze een reële bedreiging uitmondend in een omkering der machtsrelaties: de ondergeschikten zullen heersen, de onmachtigen zullen de macht grijpen. Het besef een verliezer te zijn wordt nog eens versterkt door de aantasting van het historische en gekoesterde zelfbeeld van inherente superioriteit. In het licht van deze analyse beschouwt Destrée ‘België als een verloren zaak. Walen hebben veel te lang in het Belgische project geloofd’. In 1912 meent hij dat Walen daarom het separatisme maar als noodoplossing in overweging moesten nemen. Achteraf milderde Destrée echter zijn opvattingen en opteerde hij voor de eentaligheid van Vlaanderen en Wallonië met een gemengd statuut voor Brussel - een relatief nieuwe gedachte voor de jaren 1920 overigens.

De brief is een kind van zijn tijd. Het rassenvertoog en de volkerenpsychologie hoort niet meer thuis in het hedendaagse canon. Desalniettemin biedt de tekst een interessant inzicht in de rancune in Franstalig België die aan het begin van de 20ste eeuw groeide als gevolg van machtsverlies en tanende groepssuperioriteit. De inleiding en de duiding van de brief konden echter beter, evenals de koppeling met de hedendaagse communautaire discussies. Van Cauwelaert duidt wel op de interne contradicties in de brief van Destrée en plaatst de brief in historisch perspectief, maar slaagt er niet in de lezer voldoende wegwijs te maken in de maatschappelijke context waarin de brief tot stand is gekomen. De inleiding is daarvoor te illustratief. Net zomin slagen de inleiding en het commentaar er onvoldoende in aan te geven wat dan wel de gelijkenissen en de verschillen zijn wat betreft de discussies van begin 20ste eeuw en begin 21ste eeuw aangaande de Belgische constructie. Dit is een gemiste kans. In die zin wordt de ondertitel van het boek ‘Waals socialisme en Belgische desillusies. Van Jules Destrée tot Elio Di Rupo’ niet waargemaakt. Er wordt veel te weinig gefocust op de gewijzigde machtsfiguratie van Vlaanderen/Wallonië in beide periodes. Nochtans is dat essentieel om de historische brief van Destrée alsook het huidige communautaire debat te kunnen begrijpen.

Desalniettemin is de brief van Destrée, alsook het commentaar van Van Cauwelaert, lezenswaardige en informatieve literatuur. Deze vertaling en duiding van een originele bron zijn zonder meer een aanrader voor lezers die meer inzicht willen krijgen in de complexiteit van de Vlaamse emancipatiestrijd en vooral het Franstalige verzet daartegen.

Samenleving & Politiek, Jaargang 20, 2013, nr. 1 (januari), pagina 96 tot 98