Log in

'Islamofobie en discriminatie'

Uitgelezen

Samenleving & Politiek, Jaargang 20, 2013, nr. 1 (januari), pagina 91 tot 93

Islamofobie en discriminatie

Ineke van der Valk
Palles Publications-Amsterdam University Press, Amsterdam, 2012

Eind april 2012 publiceerde Amnesty International (AI) het rapport Choice and prejudice: discrimination against Muslims in Europe. De mensenrechtenorganisatie klaagt daarin discriminerende maatregelen tegenover moslims in Europese landen aan, zoals hoofddoekenverboden en beperkingen op gebedsplaatsen voor moslims. Ook Nederland en België worden op de korrel genomen. Deze kritische uitlatingen komen overeen met vermaningen die eerder geformuleerd werden door Human Rights Watch en de Raad van Europa.

Het boek Islamofobie en discriminatie van Ineke van der Valk is een vlot leesbaar werkstuk dat naadloos aansluit bij het recent verschenen rapport van AI. De sterkte van dit boek zit in de koppeling tussen theorieën over racisme en islamofobie met de praktijk, de situatie op het terrein - van angst voor het onbekende tot haatspraak en geweld.

In het eerste deel omschrijft de auteur het begrip islamofobie. Met de publicatie Islamophobia: a challenge for us all liet de Britse denktank Runnymede Trust het begrip midden jaren 1990 zijn intrede doen in de academische en beleidswereld. Vijf jaar later werd de term internationaal erkend op de VN-conferentie tegen racisme in het Zuid-Afrikaanse Durban. Islamofobie is ‘een historisch-maatschappelijke ideologie die met behulp van beelden, symbolen, teksten, feiten en interpretaties een negatieve betekenis geeft aan ‘de islam’ en aan ‘moslims’. Zo worden de perceptie, de betekenisgeving, het begrip, de attitudes en het gedrag van mensen tegenover de islam en moslims beïnvloed ten gunste van sociale uitsluiting van moslims als ‘de ander’ en ten gunste van discriminerende, ongelijke behandeling in het culturele, sociale, economische en politieke domein. Hierbij worden vaak ook personen inbegrepen die op grond van uiterlijke kenmerken of etnische afkomst worden gezien als islamitisch, maar dat niet zijn’ (pp. 33-34).

Volgens Van der Valk zijn de redenen voor de populariteit van het anti-islamdiscours: secularisatie, een cultuurconflict, conformisme en een gewijzigd beleid(sdiscours). Beeldvorming en het militantisme van bepaalde minoritaire, islamitische strekkingen had hier volgens mij aan kunnen worden toegevoegd. Het begrip ‘islamofobie’ is in ieder geval verwant met racisme en de processen die er aan ten grondslag liggen. Van der Valk ziet duidelijke overeenkomsten tussen islamofobie en het vooroorlogse antisemitisme. Sinds de jaren 1980 is het biologisch georiënteerd racisme stilaan verdrongen door een meer cultureel georiënteerd racisme, aldus Van der Valk, en islamofobie is hier een verschijningsvorm van.
De auteur stelt vast dat het begrip islamofobie in tegenstelling tot ‘xenofobie’ en ‘homofobie’ nog niet breed geaccepteerd is. Ze geeft toe dat de uit het Oudgrieks stemmende term fobie, angst, ietwat ongelukkig gekozen is ‘en - letterlijk genomen - te smal is om de bedoelde verschijnselen mee te vatten’ (p. 18). Juist, want staat het, letterlijk genomen, niet iedereen vrij om ‘angst’ te hebben voor een religie? Voor Van der valk is de gekozen term echter ondergeschikt aan de definitie van het verschijnsel. Daar kan ik het niet helemaal mee eens zijn. Immers, de vaagheid, en dus zwakte, van de term islamofobie, maakt dat (anti-moslim)racisten erin slagen ze als geuzennaam te dragen (zie de mantra ‘islamofobie is een plicht van elke burger’ van Filip Dewinter). Daarnaast is het me ook niet geheel duidelijk hoe religiekritiek - toch een recht van eenieder - zich hoort te verhouden tot de vage notie die islamofobie voor velen blijft?

In het tweede deel van het boek komen uitingen van islamofobie in de publieke en politieke arena aan bod. Het gaat dan meer over meningsuitingen op internet, op uiteenlopende sites en fora, maar ook over de opstelling van de Partij voor de Vrijheid (PVV) van Geert Wilders en over de standpunten over de islam en moslims bij extreemrechtse bewegingen. ‘Een chauvinistische kern’ en ‘een bereidheid om op etnische gronden te discrimineren’. Dat heeft de PVV gemeen met extreemrechts volgens Van der Valk. Maar deze partij is ‘geen one issuepartij’ en kan ‘op andere onderwerpen zeker niet altijd als uiterst rechts worden gekwalificeerd’, aldus de auteur (p. 35). Uit cijfers van het Meldpunt Discriminatie Internet blijkt dat in tegenstelling tot antisemitisme islamofobe uitlatingen niet louter aan bod komen op extremistische websites maar ook op de fora van mainstream bladen en kranten. De auteur geeft een interessante samenvatting van rechtsextreme sites en fora uit die vroeger reeds uitvoerig werden onderzocht (door Branderhorst L.). De thema’s die vaak terugkeren op de fora en websites zijn: ‘islamisering’, het begrip ‘Eurarabië’ (een samentrekking van Europa en Arabië), ‘massa-immigratie’, de ‘verantwoordelijkheid van links en de elite’ en ‘de onderdrukte vrouw’. Niet toevallig thema’s waar de PVV uitgesproken standpunten over heeft.
‘Het gedachtegoed van de PVV kenmerkt zich door de centrale plaats van islamofobe standpunten’ (p. 73). Wilders mag dan vrijgesproken zijn in het proces m.b.t. zijn uitspraken over de islam, zijn islamofobe uitspraken leiden ‘tot een constructie van moslims als vijand van de samenleving’ (p. 55). Het islamofoob discours van de PVV komt niet uit het niets. Het anti-islamdiscours heeft aldus Van der Valk doorheen de tijd zijn politieke vertaling gekregen in Frits Bolkestein, Pim Fortuyn, Ayaan Hirsi Ali en vandaag Geert Wilders. Op het islamofobe continuüm gaat het van gematigde islamofoben, over partijen die er hun handelsmerk van maken, tot aan militante, gewelddadige bewegingen of terroristen van het slag Anders Behring Breivik.

De rol van politieke partijen mag, volgens de auteur, ook niet onderschat worden. Hiermee staat ze niet alleen. Want zoals Paul Hockenos in Foreign Affairs (april 2012) schreef: ‘…parties like this (de PVV en de Noorse Progress Party, B.B.) - increasingly mainstream - are the petri dish for this radical counter-jihad’.

Maar ook extreemrechts is niet onversneden islamofoob, zo blijkt. Enerzijds is er de volksnationalistische vleugel die gevoelig is voor zowel het islamofobe als voor het zionistische discours van Wilders. Anderzijds zijn er neonazistische groeperingen die van oudsher antisemitisch zijn, en ook anti-Israël, wat hen ervan weerhoudt om de anti-islam/pro-Israël-lijn van de PVV te steunen. Toch lijkt er ook hier stilaan beweging merkbaar naar een ‘meer afwijzende opstelling tegenover het islamitisch extremisme’ (p. 74).

Verder worden geweldacties tegen moskeeën maar ook legale protestacties onder de loep genomen. Twee elementen vallen op. Ten eerste dat geweldacties (bekladding, vernieling, brandstichting) veelal onopgehelderd blijven en vooral buiten de steden plaatsvinden. Wanneer de schuldigen toch gevonden worden, blijken ze meestal gehandeld te hebben uit ideologische motieven. Ten tweede dat traditionele extreemrechtse formaties vaak het voortouw tot het voeren van legale protestacties tegen geplande moskeeën nemen. Toch zijn de cijfers hier te beperkt en zijn ook acties gerapporteerd waarbij buurtbewoners niet op sleeptouw werden genomen maar eerder in beweging kwamen uit angst voor het onbekende.

In het laatste deel komt discriminatie aan bod. Voor Van der Valk staat het institutionele anti-discriminatiebouwwerk dat in de naoorlogse periode werd opgebouwd onder druk van ‘een groeiende islamofobe ideologie. Deze ideologie is via de gedoogconstructie van de regeringscoalitie met de PVV tot in het centrum van de politieke macht doorgedrongen’ (p. 115). De auteur laat geen spaander heel van het migratie- en integratiebeleid van het kabinet Rutte (dat ondertussen gevallen is). Toch is de sprong die gemaakt wordt van islamofobie naar achterstelling niet altijd even logisch. De structurele achterstelling van Nederlandse ‘moslims’ in het onderwijs, op de arbeidsmarkt en, in mindere mate, op de woningmarkt kan immers niet zo maar gelieerd worden met hun (verondersteld) geloof. Discriminatie op deze domeinen is soms expliciet, op basis van herkomst (etniciteit of nationaliteit), en soms ook op basis van geloof (bijvoorbeeld kleding), of nog een andere discriminatiegrond, maar minstens even vaak impliciet, subtiel, eigen aan bepaalde mechanismen die sociale ongelijkheid tout court reproduceren. In dit laatste deel gooit de auteur een aantal problematieken en knelpunten te veel op één hoop. Dit discriminatiedeel, hoe relevant ook, wringt wat met de andere delen van het boek. Desondanks is Islamofobie en discriminatie een interessant boek dat een licht werpt op één van de belangrijkste uitdagingen van onze tijd en genoeg stof biedt om de discussie verder te voeren.

Samenleving & Politiek, Jaargang 20, 2013, nr. 1 (januari), pagina 91 tot 93