Abonneer Log in

De ruzie onder de socialisten

Wim Vermeersch
22 februari 2013

In de aanloop naar de staking van, gisteren, 21 februari, regende het verwijten tussen ABVV en sp.a. RudyDe Leeuw noemde Monica De Coninck ‘een stoorzender’; maar ook zij sprak harde taal: ‘De vakbond voedt antipolitiek’. Bruno Tobback probeerde vooral te sussen in het zoveelste conflict tussen vakbond en partij sinds het Generatiepact(2005). De vakbond is ontgoocheld in ‘haar’ partij. Maar kunnen we nog wel spreken van een bevoorrechte relatie?

Ontzuiling

Voor de ABVV vervreemdt de sp.a zich van haar klassieke achterban en verliest ze zo haar basis en bestaansrecht. Rudy De Leeuw sprak in De Standaard (9 februari 2013) klare taal: ‘Ze moeten zich ook eens realiseren hoeveel leden wij hebben (700.000 in Vlaanderen, red.) en hoeveel kiezers zij nog kunnen aantrekken met hun huidige boodschap.'

Het klinkt bijna als een stemadvies tégen de sp.a. Dat vergt toch enige nuancering. In de verzuilde maatschappij van de jaren 1960 en 1970 hadden de partij en de vakbond een zeer solide band. Vakbonden en ziekenfondsen leverden, via een soort koppelverkoop, stemmen en spijsden de kiescampagne van de partij waarmee ze getrouwd waren. In de late jaren 1980 kwam echter de ontzuiling. De naden van het kleed, dat ooit Vlaanderen bijna helemaal bedekte, kwamen één voor één los. De zuilorganisaties veranderden geleidelijk van kleur, zoals kameleons dat doen. Wel vijftig tinten van grijs kwamen in de plaats van oranje, rood of blauw. (zie: Luc Huyse, ‘De biecht van een ontzuiler’, Sampol, nr. 2, februari 2013) Het kiesgedrag, ook van vakbondsleden, werd bijgevolg steeds minder voorspelbaar. Van koppelverkoop is geen sprake meer. Vandaag is een vakorganisatie niet langer de ’lange arm’ van een politieke partij.

Politieke trouw bij vakbondsleden

Het is dus niet langer een evidentie dat leden van de vakbond stemmen voor de partij. Recent verscheen een interessant postelectoraal onderzoek over politieke trouw bij vakbondsleden (Ipso, KULeuven). Daarin stonden opmerkelijke cijfers die door de media verkeerdelijk werden geïnterpreteerd als “vakbondsleden stemmen niet meer voor ‘eigen’ kleur”. De juiste lezing van dat onderzoek - ons bevestigd door de onderzoekers Marc Swyngedouw en Koen Abts - geeft een ander beeld: 32,02% van de ABVV-leden kozen voor sp.a, 22% voor N-VA en 19,24% voor Vlaams Belang. Sp.a heeft dus nog steeds de meeste kans op een ABVV-stem. Ook lezen we in datzelfde onderzoek dat 39,2% van de sp.a-kiezers lid zijn van het ABVV, 15,5% van het ACV en 1,8% van de ACLVB. Bijna 40% van de sp.a-kiezers zijn dus bij het ABVV aangesloten. Sp.a blijft, cijfermatig, de bevoorrechte partner van de ABVV.

Monica De Coninck kop van jut…

Boeman voor de vakbond is de socialistische Minister van Werk, Monica De Coninck. Rudy De Leeuw noemde haar onomwonden ‘een stoorzender’; Anne Demelenne beschuldigde haar ervan zand in de motor te strooien. Vooral het feit dat ze bij haar aantreden een groot aantal reeds afgesloten CAO’s opnieuw onder de loep legde met veel striktere parameters dan de sociale partners (en dus ook de werkgevers, aldus de vakbond), was een doorn in het oog. Bovendien werden oude afspraken niet uitgevoerd. Volgens De Leeuw zijn het vooral de liberalen én de sp.a die het akkoord over de welvaartsvastheid van de sociale uitkeringen, samen met een verhoging van de minimumlonen en lastenverlagingen voor de bedrijven, blokkeren.

… maar het probleem ligt dieper

De media smullen van het duel Monica De Coninck-Rudy De Leeuw, maar er is natuurlijk meer aan de hand in de relatie tussen ABVV en sp.a. Dat de vakbond net nu haar vuist laat zien en zo tekeer gaat tegen de Minister van Werk en tegen de eerste socialistische premier in veertig jaar, toont aan dat de breuk diep en structureel is, en mogelijk onomkeerbaar. Hier is geen sprake van persoonlijke wrijvingen. Hier is sprake van ideologische verwijdering tussen vakbond en partij.

Eigenlijk zijn ABVV en sp.a in alles verschillend: in organisatievorm, in actiemiddel, in rekrutering van top- en middenkaders, in omgang met de basis, in communicatie, in stijl en cultuur. Ondanks deze verschillen vonden vakbond en partij in het verleden wél ideologische overeenstemming. Dat is vandaag anders. De opvattingen van vakbond en partij groeiden na de val van de Muur fundamenteel uiteen. Steeds meer gaf men andere antwoorden op sociaaleconomische vragen. De klassieke achterban viel uiteen en een deel van de arbeidersklasse liep naar het Vlaams Blok.

De sociaaldemocratie vond haar heil in de Derde Weg, het omhelzen van de vrije markt, waarbij de winsten van de vrije markt werden afgeroomd en aangewend voor herverdeling. Het was de historische verzoening tussen de sociaaldemocratie en het liberalisme, al opereerde de sp.a op dat vlak oneindig voorzichtiger dan bijvoorbeeld de PvdA in Nederland. De Derde Weg bleek echter een doodlopende straat, zo leren ons de stijgende armoede- en ongelijkheidscijfers en de reeks matige tot slechte verkiezingsuitslagen van de sociaaldemocraten. Nu de winsten er niet meer zijn, kan er minder worden herverdeeld. Het blijkt steeds moeilijker om het project van de verzorgingsstaat een toekomst te geven (al heeft Frank Vandenbroucke op dat vlak een aantal baanbrekende ideeën geopperd).

De sp.a zoekt al enige tijd haar electorale heil in een ‘voor wat, hoort wat’-discours. Het is een discours waar Monica De Coninck, al van in haar periode in Antwerpen als OCMW-voorzitter, symbool voor staat. En waar de vakbonden van huiveren.

Gedeeld verleden, gescheiden toekomst

De sociaaldemocratie verkeert, hier en elders, in crisis. De ideologische herbronning van de sociaaldemocratie in de verschillende Europese denktanks (o.a. The Amsterdam Process) laat eerder een forse kritiek van de Derde Weg zien maar geen compleet nieuw paradigma. Vooral de constructiefouten die bij de implementatie ervan ook voor de grondleggers aan het licht zijn gekomen, en natuurlijk ook de financieel-economische crisis die ons in een nieuwe wereld heeft gedropt, liggen daarbij onder vuur. Een fundamenteel andere koers voor de sociaaldemocratie, en dus een toenadering tot het beleid van de vakbond, zit er echter niet direct aan te komen.

Het is voor de vakbond dan ook wat meewarig kijken naar het gedeelde verleden met de partij, naar de collectieve actie van vroeger die de maatschappij ten gronde rechtvaardiger en socialer maakte. De nieuwe gezamenlijke toekomst lijkt op dit moment ver weg. Steeds minder zal de partij voor de vakbond een bondgenoot zijn in haar syndicale actie.