Log in

To IPA or not to IPA

redactioneel

België heeft een rijke traditie van sociaal overleg. Sinds het sociaal pact na de Tweede Wereldoorlog ontstond in ons land een overleg tussen werkgevers en vakbonden op diverse niveaus: interprofessioneel, sectoraal en bedrijf. Het interprofessioneel overleg met een centraal of interprofessioneel akkoord als gevolg kwam volledig tot bloei in de jaren 1960.

Het sociaal overlegtraject verloopt sindsdien ongeveer als volgt: eerst onderhandelt de groep van 10 over een akkoord voor de hele privésector voor twee jaar, dan volgt het overleg op sectoraal niveau en uiteindelijk worden er dan, lang niet overal, nog bedrijfsakkoorden afgesloten. Men gaat er vanuit dat de solidariteit op het interprofessioneel niveau het grootst is. In een centraal akkoord worden er inderdaad algemene afspraken gemaakt die ook voor zwakkere sectoren gelden. Sterkere sectoren kunnen dan nog wat extra onderhandelen en ten slotte kunnen sommige bedrijven er nog iets bovenop doen.

Hoewel de vrijheid van onderhandelen voor werkgevers en vakbonden beschouwd wordt als het hoogste goed is sinds de wet op de concurrentiekracht deze vrijheid niet meer absoluut. Er wordt namelijk door de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven een loonnorm bepaald. Dit is vooral een technische kwestie. Men vergelijkt de loonevolutie met onze belangrijkste handelspartners. Deze vaak indicatieve norm wordt gebruikt als referentiepunt in de onderhandelingen. Wat men ook moge beweren, deze loonnorm werd in het verleden in grote mate gerespecteerd. De vakbonden maken na elke onderhandelingsronde het bilan op van de sectorale CAO’s en stellen vast dat de loonnorm zelden of nooit overschreden wordt. Als dat dan toch eens gebeurt, was dat eerder door de bonussen van de kaderleden dan door de loonsverhoging van arbeiders en bedienden.

De toon bij interprofessionele onderhandelingen is de jongste jaren sterk veranderd. Waar eerder de vakbonden hun eisen op tafel legden en de werkgevers in de reactie gingen, is het nu zo dat de werkgevers ook met een eisenbundel komen. Uiteraard maakt de afschaffing van de index standaard deel uit van die eisen. Het maakt het onderhandelen er niet makkelijker op.

De rol van de federale regering in het interprofessioneel overleg is dubbel. Enerzijds levert ze soms het smeermiddel om de onderhandelingen vlot te laten draaien (door o.m. wettelijke maatregelen te nemen, zoals bijvoorbeeld (para)fiscale kortingen inzake overuren) of zet ze de gemaakte afspraken om in wetten, anderzijds komt de regering soms rechtstreeks tussen in de onderhandelingen zelf. Het is dan ook te begrijpen dat de vakbonden boos reageren op de loonblokkering die door de regering wordt opgelegd. De loonnorm voorzag immers nog 0,9%, maar ook die werd niet aan de onderhandelaars gegund. Voor ABVV-voorzitter Rudy De Leeuw is dat voldoende om niet langer over een interprofessioneel akkoord te praten.

Er kwamen links en rechts bitse reacties op die uitspraak van de ABVV-voorzitter. Alsof het voor vakbonden alleen om de centen te doen is. Dit is een andere misvatting over het interprofessioneel overleg. In nagenoeg alle interprofessionele akkoorden gaat er ook aandacht naar de kwalitatieve aspecten van de arbeid. Denk maar aan oudere werklozen, opleiding voor risicogroepen, kinderopvang, stress op het werk, internationale solidariteit, enzovoort. De Leeuw heeft natuurlijk gelijk dat de onderhandelingen over de verhoging van de koopkracht nu doorgeschoven worden naar de sectoren. De vrees is groot dat zonder basisnorm en algemene afspraken het overleg daar zeer moeizaam zal verlopen en voor de nodige sociale onrust zal zorgen. Tenslotte geldt ook daar de loonblokkering. Intern onderzoek van de vakbond wijst immers uit dat er in bepaalde sectoren wel behoorlijke (productiviteits)winsten werden gemaakt en dat er wel ruimte is om de koopkracht te verhogen. Sociale onderhandelaars beschikken ook over een grote mate van creativiteit om de loonblokkering te omzeilen. Het gebeurde eerder met maaltijdcheques, opleidingspremies en ecocheques. Het lijkt me geen goed idee om opnieuw naar formules in die richting te zoeken. Formules die bovendien geen bijdrage leveren tot de sociale zekerheid.

Het interprofessioneel loonoverleg zit dus in het slop. Een centraal akkoord voor 2013-2014 zit er niet meer in. De solidariteit krijgt zo een flinke deuk. Dan maar onderhandelen over zogenaamde deelakkoorden. Op vraag van de federale regering is de groep van 10 daar de voorbije weken mee bezig geweest. Er werden ondertussen drie deelakkoorden bereikt: over de verdeling van de enveloppe voor de welvaart-aanpassingen van de sociale uitkeringen, de herwaardering van de lage lonen en de verhoging van het minimumloon, de modernisering van het arbeidsrecht (new speak voor flexibilisering). Het is voor de regering van groot belang dat de sociale partners een akkoord bereiken over deze onderwerpen.

Het ABVV besliste op 4 februari om de stekker uit het sociaal overleg te trekken. Men was het getalm van de regering rond de validering van twee deelakkoorden beu en de ABVV-achterban keurde ook het deelakkoord over de flexibiliteit af. Er heerst in de vakbondsrangen grote frustratie. De lonen zijn geblokkeerd, het regent ontslagen, grote industriële bedrijven (Ford Genk, Arcelor Mittal) sluiten hun deuren. Precies op dat moment wordt gevraagd om harder en flexibeler te weken. Hoewel het te kort door de bocht is om te beweren dat er een rechtstreekse band is tussen enerzijds de bijkomende werklozen en anderzijds het harder en langer werken voor wie blijft, zoals Jef Maes in dit nummer van Samenleving en politiek suggereert, toch heerst er ongeloof bij de vele arbeiders en bedienden of dit wel het geschikte ogenblik is om een dergelijke hervorming door te voeren.

Er blijft nog een heel erg gevoelig ‘deel’dossier op de onderhandelingstafel liggen: het statuut arbeider-bediende. Zoals bekend heeft het Grondwettelijk Hof een arrest geveld waarbij over minstens twee aspecten (de carensdag en de opzegtermijnen) een regeling moet komen tegen 8 juli 2013. De sociale partners hebben steeds aangegeven dat ze deze zaak liever zelf willen regelen. Nu wordt de regering er wel bij gehaald en wordt het dus een tripartite overleg. De tijd dringt en het is zeer de vraag of in de gegeven omstandigheden het haalbaar is om tot een akkoord te komen.

Wat zeker de sfeer aan de onderhandelingstafel niet zal bevorderen, zijn de uitspraken die Unizo-baas Karel Van Eetvelt heeft gedaan in de Nederlandse zakenkrant Het Financieel Dagblad. Hij haalt in het interview zwaar uit naar de (federale) politiek. Hij doet ook een uitspraak over 2014 en ‘de moeder van alle verkiezingen’ en zegt letterlijk: ‘De druk vanuit de ondernemerswereld om volgend jaar wel een coalitie te krijgen die werk maakt van veranderingen, zal zeer groot zijn’. Moeten we dan nog wel naar de stembus gaan of regeert vanaf 2014 de Middenstand het land? Het wordt nog verontrustender als Van Eetvelt laat verstaan dat hij zelfs bereid is om een crisis uit te lokken, met armoede en sociale onrust tot gevolg, om die ‘verandering’ te forceren. Zelfs de altijd minzame Marc Reynebeau werd er in De Standaard cynisch van.

Het ABVV kondigde in één adem aan dat er op 21 februari een massabetoging komt. Een beetje ongelukkig om het als eerste aan te kondigen als het initiatief al eerder werd afgesproken met de andere vakbonden, maar goed dat er in gemeenschappelijk vakbondsfront op straat is gekomen. Meteen werd het ABVV aan de schandpaal genageld. Het verziekt nog eens het (sociaal) klimaat. Het is dan een verademing om jonge politici (o.m. Kristof Calvo, Groen) en jonge vakbondsverantwoordelijken (Lieveke Norga en Vic Van Kerrebroeck in De Morgen) te horen zeggen dat de signalen van vakbondsmensen ernstig moeten worden genomen en dat ‘wanneer mensen op straat hun mening ventileren, dat een verrijking is voor het maatschappelijk debat’.

Ondertussen zitten de socialistische partij(en) en het ABVV weer op ramkoers. Dat blijkt overduidelijk uit de bijdrage van Jef Maes (ABVV) en onrechtstreeks uit het stuk van Jan Vanthuyne (FOD Werk) in dit nummer. Dit is een slechte zaak en de nare herinneringen aan de clash met het Generatiepact doemen weer op. De komende weken moet dan ook alles op alles worden gezet om het wederzijds vertrouwen te herstellen. Hopelijk kunnen de socialistische regeringspartners een geslaagde massabetoging op 21 februari gebruiken om hun rechtse coalitiepartners te overtuigen van een andere koers.

Mil Kooyman
Redactielid Samenleving en politiek

edito - ABVV - interprofessioneel overleg

Samenleving & Politiek, Jaargang 20, 2013, nr. 2 (februari), pagina 1 tot 3