Abonneer Log in

De voettocht van Jan

Samenleving & Politiek, Jaargang 20, 2013, nr. 3 (maart), pagina 14 tot 19

Op 2 februari 2013 sloot ik een voettocht van twee jaar door Nederland af. Elke week was ik donderdag en vrijdag op stap om de verhalen, de dromen en ergernissen te achterhalen van de mensen die de sociaaldemocratie uit het oog had en heeft verloren. Elke week berichtte ik via een website over mijn ervaringen en indrukken; in meer dan tweehonderd verhalen ontstond alzo een kroniek van de Nederlandse samenleving en de sociaaldemocratie. ‘De voettocht van Jan’ werd ondersteund door de Wiardi Beckman Stichting, het wetenschappelijk bureau van de PvdA, die op haar beurt in dezelfde periode het diepgaande ‘Van Waarde’ project uitvoerde. De uitkomsten van dit onderzoek, een herbronning naar de kernwaarden van de sociaaldemocratie in de 21ste eeuw, worden eind april besproken tijdens het congres van de PvdA in Leeuwarden. Aan de hand van een aantal thema’s zal ik hier berichten over mijn voettocht en iets vertellen over het ‘Van Waarde’ project.

De aanleiding voor de voettocht was eigenlijk heel eenvoudig. Het krankzinnige besluit om de Hertogin Hedwigepolder in Zeeuws-Vlaanderen te ontpolderen en het besluit van de Zeeuwse school voor middelbaar beroepsonderwijs (ROC Zeeland) om mijn oudste zoon, toen zestien jaar, van school te sturen omdat hij geen grote mond had. Hij miste de ‘competentie assertiviteit’, om het deftig te zeggen. ‘Wat doe je hier eigenlijk,’ vroeg een onderuit gezakte docente die aan het eind van het schooljaar in een kamertje tegenover ons zat, ‘je hebt hier niks te zoeken’.

In diezelfde periode, 2010, nam de haat tegen en afkeer van de Partij van de Arbeid (PvdA) grote vormen aan, juist bij die mensen, die van oudsher, althans voor een groot deel, behoorden tot de traditionele kiezers van de sociaaldemocratie. Geert Wilders (PVV) kreeg vleugels; de liberale voorman Mark Rutte (VVD) beloofde de Nederlanders een kabinet waarbij ‘rechts de vingers zou aflikken’. Ik wilde weten wat er in Nederland aan de hand was. En haaks op de snelheid van ontwikkelingen en bewegingen in de samenleving dacht ik dat ik dat het best te voet zou kunnen doen. Al wandelend zou ik de tijd nemen om zo maar mensen onderweg aan te spreken, te luisteren en te begrijpen.

VOETTOCHT

Voor mijn vertrek vanuit Kats, Zeeland, wilde ik een ijkpunt hebben, een ondergrens van onze welvaartsstaat. Ik bezocht een centrum waar lichamelijk en verstandelijk gehandicapten de dag doorbrengen. Het dagbestedingscentrum was juist verbouwd; het was er geweldig mooi en ruim. De gymzaal en de keuken werden vervangen door de lunchroom en de bakkerij. Sommigen ‘cliënten’ werkten nu in de lunchroom; anderen werkten in een bakkerij en weer anderen, de meest kwetsbaren, verbleven in ruime kamers daarachter. De verbouwing had overigens wel gevolgen. De nieuwe, schitterende behuizing betekende ook een ‘nieuwe bedrijfsvoering’; de begeleiding voor de groepen van de allerkwetsbaarste mensen werd gehalveerd. Van twee begeleiders bleef er eentje over. In een van die groepen kwam ik Jaap tegen, een geestelijk en lichamelijk gehandicapte man, groot en sterk. Jaap kon niet spreken; hij communiceerde met drie gebaren. Als hij angstig was zat hij voorover gebogen en wreef aanhoudend met zijn rechterhand over zijn rechterbeen. Wanneer hij je iets wilde zeggen, keek hij je aan, stak hij zijn hand uit en bewoog deze voor- en achteruit. Het derde gebaar nam ik mee op mijn voettocht: na verloop van tijd mij met zijn rechterhand te hebben toegewezen, stond hij op en liep naar een syntheziser aan de andere kant van de ruimte. Hij zette het apparaatje aan, keek me aan en drukte op een toets. Jaap maakte muziek voor de vreemdeling die ik was.

Een paar maanden onderweg op mijn tocht vernam ik dat het niet goed ging met Jaap. Wanneer hij naar de wc moest en geholpen moest worden met het aankleden daarna, was er geen tijd meer om hem in alle rust te helpen bij het ophijsen van zijn broek. En als hij naar huis moest, ging dat ook te snel. In de groep van Jaap waren er immers nog zeven andere mensen, zoals Jaap. Doe dat maar eens in je eentje, al dan niet bijgestaan door een onzekere leerling-stagiair van zestien jaar. Jaap werd weerspannig; soms schopte hij zijn begeleiders, of andere ‘cliënten’.

In die eerste maanden sprak ik onderweg een apotheekhoudende huisarts. Hij vertelde me dat hij die week een oude dame medicijnen had moeten leveren, drie doosjes met zeven tabletten aan 25.000 euro per doosje. De oude dame was ongeneeslijk ziek, zou nooit langer hebben kunnen leven dan drie maanden en de medicijnen waren haar voorgeschreven door een internist uit het naburige ziekenhuis. De huisarts had naar de zorgverzekeraar gebeld met de vraag of hij de medicijnen vergoed zou krijgen en vervolgens naar de bank of hij het gefinancierd zou kunnen krijgen. Het kon allemaal geregeld worden; de oude dame kreeg haar medicijnen. Na drie dagen belde ze de huisarts op; de bijwerkingen waren zo verschrikkelijk. Ze wilde de pillen niet meer slikken.

In Eindhoven sprak ik een meneer die werkzaam bleek bij Philips Health Care. Naast verlichting is dat de tweede poot waarop het Einhovense electronicaconcern is gebouwd. Philips voorziet een enorme groei in de ontwikkeling en verkoop van medische apparatuur. Dat stelt aandeelhouders tevreden.

In Berg aan de Maas kwam ik een oude heer tegen die vertelde over zijn trots, zijn enige zoon. De jongen bleek goed te kunnen leren, mocht na de lagere school naar het gymnasium in Maastricht, koos nadien op goed geluk voor een studie medicijnen en specialiseerde zich, ook weer per toeval, in de anesthesie. Voor een stage ging hij naar San Francisco en de artsen daar vroegen of hij er wilde blijven om zich verder te ontwikkelen. Intussen is hij professor aan de Stanford Universiteit en komt hij nog elk jaar naar huis om de tuin van zijn ouders te spitten. En ´s avonds, vertelde de oude heer trots, kon hij via een laptop zijn collega´s in de Verenigde Staten bijstaan in de operatiekamer. Volgende week zit hij in Brazilië voor een lezing; hij vliegt de hele wereld over, met zijn laptop.’

Zwolle, de provinciehoofdstad van Overijssel, naderde ik vanuit de richting van Heino. Aan de rand van de stad, vlakbij het voetbalstadion, was het grootste gebouw in aanbouw wat ik op mijn voettocht zou tegenkomen: de Isala klinieken, met een oppervlakte van 100.000 m² en binnen- en buitentuinen van 12 hectare groot. Kosten noch moeite werden bij de bouw gespaard; baksteen, geglazuurd in twee verschillende ‘organische kleuren’. Philips levert daar de komende tien jaar het nieuwste van het nieuwste.

In Stadskanaal, gelegen nabij de grens van de Drentse en Groninger veenkoloniën, staat een klein regionaal ziekenhuis. Er werken achthonderd mensen, een van de grootste werkgevers in de streek. De commerciële zorgverzekeraars hollen het lokale ziekenhuis uit, ten behoeve van de grote ziekenhuizen, zoals in Zwolle en Groningen. De ziekenhuiszorg in Stadskanaal is wel 40 procent goedkoper dan die grote ziekenhuizen.

In Medemblik, Noord-Holland, sprak ik Kees, de klusjesman in een ouderenhome. Tot voor enkele jaren kende iedereen Kees. Als er een kraantje lekte, kwam Kees dat even oplossen. Bovendien wist hij ook de laatste uitslagen van motorrijder Valentino Rossi te vertellen, fan als hij was. Het home is intussen onderdeel van een koepel geworden van bejaarden en verzorgingshuizen in heel Noord-Holland. In al die huizen waar hij nu naartoe moet vliegen, kent Kees niemand meer. Zijn naam staat geborduurd op zijn overhemd. ‘Maar dat kunnen die oude mensen niet lezen, hoor,’ zei Kees. ‘Het is jammer hè, dat het zo allemaal moet. Alles moet grootschalig en commercieel. Ik ben 57 jaar en straks vlieg ik er uit. Het zou me niets verbazen.’

In Hoogeveen sprak ik drie mannen van de gemeentelijke plantsoendienst; ze waren in de late herfstmaanden aan het snoeien. Dat zij nog in dienst waren van de gemeente was uitzonderlijk; de meest plantsoendiensten zijn ‘op afstand geplaatst’ of geprivatiseerd. De drie mannen konden me het precies uitleggen. Als er wordt gefuseerd blijft het werk liggen, wordt er op kosten niet meer gekeken en verliezen wij onze baan.’ Ze konden de stelling met ervaringen uit de familiekring onderbouwen.

‘MET DANK AAN BRUSSEL EN DEN HAAG’

Vanzelfsprekend sprak ik met zoveel mensen over werk. Vrachtwagenchauffeurs, zelfstandige bakkers, arbeiders, ambtenaren, adviseurs, boeren, vissers, ondernemers, journalisten. Allen gaan gebukt onder krankzinnige regelgeving en bureaucratie. Een van de zelfstandigen zei het me aan het einde van mijn tocht samenvattend zo: ‘Er staat hier in dit land een straf op werken.’

Mensen in eenvoudige beroepen hebben daar vooral last van, de beenhouwer, de bakker, de visser, de bouwvakker, de winkelier, de boer, de verpleegster, de vrachtwagenchauffeur, de kweker in de kassen van Klazinaveen. Henkie, de bloemenkoopman bij het Centraal Station in Den Haag past niet in het, door Nederlands toparchitect Rem Koolhaas ontworpen, stadsbeeld. De ouders van Henkie verkochten op diezelfde plaats al bloemen; het stekje is 55 jaar in de familie. Maar neen, een ambtenaar van de stad is op Henkie afgestapt en zei hem het volgende: ‘Je kunt stikken of slikken, je kunt buigen of barsten maar je rot hier op.’ Henkie is dat niet van plan. Hij verkocht rode rozen, voor 3,50 euro. Ik kocht een bos. ‘Geef maar 3 euro,’ zei hij.

Een vissersfamilie, langs de Merwede bij Hardinxveld Giessendam, kreeg het van een ambtenaar nog scherper te horen. ‘Al kost het me tien jaar, maar ik maak je kapot,’ snauwde een rijksambtenaar de visser toe. De visserman vertelde het me met tranen in de ogen; zijn familie vist al vierhonderd jaar met kleine bootjes en wat fuiken op de rivier en in de Biesbosch. Hun eerste visrechten dateren uit de Tachtigjarige Oorlog. Vanzelfsprekend hanteert de ambtenaar Brusselse, pardon Europese, regels om de visser het werken en leven onmogelijk te maken. Tegelijkertijd zijn reusachtige zeerovers op de oceanen actief met varende visfabrieken, schepen van wel 150 meter lang om onder een duurzaamheidskeurmerk (MSC) voor de grootste visinkoper ter wereld, Unilever, de wereldzeeën leeg te vissen. Vanzelfsprekend gedekt door Europese regels.

In Limburg, voorbij Heerlen, kwam ik twee vrolijke vrienden tegen, Arie en Rene. Ze hadden op Wilders gestemd, natuurlijk. De PvdA... neen, daar moesten ze niks meer van hebben. Rene was als jongen in de mijnen begonnen maar na twee jaar werden die gesloten. Hij is in de bouw gaan werken, veelal in Duitsland, van maandagochtend vroeg tot zaterdagmiddag; zijn buurman en vriend Arie lachte hem uit. ‘Ik kon beter leren,’ zei hij lachend. ‘Ik kon op een kraan zitten, hoog boven de wereld. Handeltje naar voor, handeltje naar achter. Dat is ook geld verdienen.’ Arie sloeg Rene op zijn schouder en kreeg bijna pijn in de buik van het lachen. Maar vervolgens kwam het venijn. ‘Met dank aan Brussel en Den Haag mogen we nu niet meer over de grens werken zonder dat we in ons eigen vlees snijden. Hier is geen werk maar in Duitsland wel. Alleen kost ons dat het ouderdomspensioen (AOW) en de sociale zekerheid, werkloosheidsverzekering... Met dank aan Brussel en Den Haag.’ Of ik dat maar goed wilde noteren.

In Emmer-Compascuum, in de Drentse veenkoloniën, de omgeving waar 130 jaar eerder Vincent van Gogh zijn Aardappeleters schilderde, kwam ik Jan Blik tegen. Jan was de kleinzoon en zoon van kleine turfboeren; als kind van zeven had hij nog meegeholpen om turfblokken te drogen te leggen. ‘Ik was en ben een buitenmens. Toen de turf ophield, bleef hier niks over. Ja, er kwam een laboratorium voor bloedonderzoek en een fabriek. Maar ik was een buitenmens. Het enige waar ik terechtkwam was de sociale werkplaats, afdeling groenvoorziening. Daar werd ik voorman.’
Jan Blik raakte van de regen in de drup; het jaar voordien had zijn vrouw hem verlaten. Hij bleef alleen achter in het voorouderlijk boerderijtje, samen met zijn paard. En op een dag was zijn paard op zijn rechtervoet gaan staan. De tenen ontstoken, zwart geworden en uiteindelijk afgezet. En zijn andere voet... dat was ook niet goed gegaan. Ook die twee tenen werden geamputeerd. Nu zat hij in een scootmobiel.
Jan Blik, met zijn grote witte baard en witte haren, zag er uit als een man van 75 jaar maar was slechts 57. Hij zou volgens de nieuwe regels in Nederland nog tien jaar moeten werken voor hij met pensioen zou kunnen gaan. Maar er was voor Jan Blik in de veenkoloniën geen werk, zelfs niet bij de sociale werkplaats. ‘Wat moet ik nu,’ vroeg hij.

Nadat ik de Tweede Maasvlakte had bezocht, de nieuwe in de Noordzee aangelegde voorhaven van Rotterdam waar alles is geautomatiseerd, kwam ik in het Westland terecht bij Jan Prins, oprichter en eigenaar van een familiebedrijf in de Lier. Het bedrijf, Priva, is gespecialiseerd in klimaatbeheersingssystemen in de glastuinbouw en is op dat terrein wereldleider. De jongste jaren hebben ze hun expertise verbreed naar duurzame oplossingen, klimaat en waterbeheersingssystemen voor organisaties en zijn ze betrokken bij de ontwikkelingen van stadslandbouw. Bij Priva werken 425 mensen; ruim een kwart doet aan onderzoek en innovatie; zijn dochter Meinie, die het bedrijf nu leidt, was zakenvrouw van het jaar in Nederland.
Jan Prins is zich bewust van de zorgen van Jan Blik. ‘We hebben in Nederland’, zei hij me, ‘de loonkosten aan de onderkant van de arbeidsmarkt veel te hoog opgejaagd. We zouden op de lonen aan de onderkant geen premies en belastingen moeten heffen maar er misschien wel een premie bovenop moeten leggen. En we zouden met elkaar goede nieuwe producten moeten bedenken, een beetje meer produceren en een beetje harder werken.’

Het onderwijs in Nederland is volgens internationale statistieken geweldig; de Nederlandse jeugd behoort tot diezelfde statistieken tot de gelukkigste jongeren op aarde. Voor politici en onderwijsbestuurders zijn dat geweldige gegevens (die ze niet zelden zelf hebben aangeleverd); ze tonen aan hoe geweldig men is. In de werkelijkheid leidt het tot zelfgenoegzaamheid en decadentie, vertaald in dure gebouwen en krankzinnige salarissen aan de top van onderwijsinstellingen.

Onderweg ben ik van Zeeland tot Limburg, van Maastricht tot Horn, jongeren tegen gekomen die walgen van het Nederlandse onderwijs. Twee meisjes in de trein, van 21 en 19 jaar, verzuchtten tegen elkaar: ‘Ik hoop dat als ik later kinderen krijg ze gewoon les krijgen.’ De verzuchting betrof het oudste meisje, die een opleiding internationale management volgde aan een HBO-instelling. Ze kreeg een uur per dag les en de rest moest ze maar via een computer uitzoeken. De kosten voor boeken die nooit gebruikt werden, waren nauwelijks te dragen. Het jongere meisje wist toen ze zestien was niet wat ze wilde gaan leren. Ze had een baantje genomen in een winkel als bediende. Nu wist ze het wel; ze zou graag met kinderen werken in de jeugdzorg maar ja, ... ‘toch niet terug naar het ROC, terug naar de hel’. Twee jonge meiden, begin januari 2012, zomaar in de trein op weg naar Rotterdam. ROC’s zijn scholen voor middelbaar beroepsonderwijs waar zestig procent van de Nederlandse jeugd terechtkomt; vaak zitten er tussen hen dertigduizend leerlingen in dat soort onderwijsfabrieken verstopt.

‘VAN WAARDE’ PROJECT

Mijn oudste zoon, Joris, heeft zijn ervaringen aan Monika Sie Dhian Ho, directeur van de Wiardi Beckman Stichting, verteld in het kader van het ‘Van Waarde’ project. Niet om zich te beklagen, maar omdat zijn verhaal het verhaal van vele duizenden jongeren in het Nederlandse onderwijs is. Hij was een van de ruim zestig mensen die door de Wiardi Beckman Stichting werden geïnterviewd op basis van vier thema’s: bestaanszekerheid, arbeid, verheffing en binding. Vier klassieke sociaaldemocratische thema’s. Naast die interviews ging een club van wetenschappers aan de slag onder leiding van de oud-PvdA voorzitter Felix Rottenberg om zich te beraden op de vraag: Wat is op deze thema’s van waarde? Hoe staat die waarde onder druk en wat staat ons te doen? Het resultaat van deze brede en diepgaande herbronning leverde een nieuwe koers op voor de PvdA die tijdens een congres, eind april in Leeuwarden, zal worden besproken. Het gaat daarbij om eigenlijk heel eenvoudige zaken: niet langer het individualisme staat voorop maar de gemeenschap, van ‘ik’ naar ‘ons’. Niet langer de vrije markt maar een sociale economie, het Rijnlandmodel 2.0; niet een arbeidsorde gebaseerd op tijdelijke contracten maar op vast werk. Met het terugtreden van de overheid en het versoberen van de verzorgingsstaat moeten burgers ruimte krijgen om onderlinge, gemeenschappelijke solidariteit en voorzieningen te organiseren. De sociaaldemocratie moet de verbindende kracht en beweging zijn in dat proces.

De verhalen die ik hoorde tijdens mijn tocht hebben me tot gelijkaardige inzichten gebracht; dat kan nauwelijks verbazen. De bijna misdadige onwil van ambtenaren, bestuurders en politici in Nederland, Vlaanderen en Antwerpen om een eenvoudig en voor alle partijen aanvaardbaar en bereikbaar compromis af te dwingen voor de ontpoldering van de Hedwigepolder, ondermijnt niet alleen het draagvlak voor Europese wet- en regelgeving maar vooral ook het vertrouwen in de redelijkheid van de democratie (zo’n eenvoudig compromis tussen voor- en tegenstanders van ontpolderen ligt overigens al jaren voor het oprapen). Dat geldt ook voor de lotgevallen van al die Henkie’s en vissers in Nederland. De vraag van Jan Blik, ‘wat moet ik nou’, is cruciaal voor de sociaaldemocratie.

Mijn politieke scholing kreeg ik in België. Van Piet Vermeylen, Karel van Miert en Georges Debunne. Van Piet Vermeylen leerde ik in de lokalen aan de Keizerslaan over de betekenis van de democratische rechtsorde. Karel van Miert schreef me over de zin en noodzaak van Europese samenwerking. En van Georges Debunne leerde ik over de organisatie van macht en tegenmacht.

In hun geest moeten we tegenmacht opnieuw organiseren, vanaf de basis. Een sociaal Europa dwing je niet alleen af in Brussel maar ook en vooral lokaal en regionaal, in door de basis georganiseerde regionale plannen voor de arbeid, opdat we Jan Blik niet vergeten. Meer dan ooit moeten sociaaldemocraten in Nederland en Vlaanderen zich er van bewust zijn dat eenzijdige aandacht voor de belangen van bestuurlijke en politieke macht uiteindelijk de democratische orde zal ondermijnen. Luister, praat en denk na over al die creatieve oplossingen die je aan de basis van de samenleving kunt vinden. Bedrijf politiek, anders gezegd, zoals de PS dat in Luik doet, met de rug naar het stadhuis, met het gezicht naar de mensen.

En hoe het met Jaap afliep? Na een paar maanden, zo vernam ik onderweg, werd Jaap naar een andere instelling gebracht waar hij met medicijnen rustiger zou worden. Dat lukte niet; Jaap werd niet rustiger maar opstandiger. Soms waren er zes mensen nodig om hem aan te kleden. Na driekwart jaar was Jaap dood.

Jan Schuurman Hess
PvdA-lid uit Kats, Zeeland

www.voettochtvanjan.nl

PvdA - ideologie - waarden

Samenleving & Politiek, Jaargang 20, 2013, nr. 3 (maart), pagina 14 tot 19