Log in

'We kunnen winnen. Optimistisch over onze welvaart'

Uitgelezen

We kunnen winnen. Optimistisch over onze welvaart

Pieter Timmermans
Lannoo, Tielt, 2012

Pieter Timmermans, gedelegeerd bestuurder van het Verbond van Belgische Ondernemingen (VBO) en toponderhandelaar voor de werkgevers bij het interprofessioneel overleg, volgde in 2011 gedurende twee maanden het Stanford Executive Program aan de Stanford University in de VS. Zijn ervaringen tijdens deze internationale opleiding hebben hem geïnspireerd tot het schrijven van dit boek.

Tegenover een boek van een VBO-topman past het om een gezond wantrouwen aan de dag te leggen. Toch nodigt Timmermans de lezer uit tot een debat. Wie op de uitnodiging ingaat en onbevooroordeeld de discussie aangaat kan er niet omheen dat er zelden zoveel werkgeversclichés in één boek werden samengebracht.

Het boek opent met een hoofdstuk over strategisch denken. Is dit nog nodig, nu iedereen, ook de vakbonden meneer Timmermans, overtuigd zijn dat strategisch denken het handelen moet bepalen? Meteen worden enkele clichés rondgestrooid zoals: ‘Het is bijzonder jammer om te moeten vaststellen dat er steeds een externe autoriteit aan te pas moet komen om in België grondige hervormingen door te voeren’ of wat verder het Generatiepact als een voorbeeld van (gebrek aan) ‘durf om moeilijke beslissingen te nemen’.
De auteur ontwikkelt dan 10 recepten, 10 thema’s waarmee we volgens hem ‘kunnen winnen’.

Het eerste thema is ‘Samenleving…modify or mummify’. Dat de wereld razendsnel verandert en wie niet verandert en tijdig bijstuurt scleroseert is een dooddoener. Maar welke ingrediënten moeten volgens Timmermans in dit recept zitten: ‘matiging van de loonevolutie’, ‘verminderen van de hoge loonkosten’, ‘verhogen van de efficiëntie van de overheid’ en ‘hervormingen binnen de sociale zekerheid’ en daarbovenop zijn de hinderpalen voor ondernemers: ‘hoge druk op het niveau van de vennootschapsbelasting’, ‘de hoge energiekosten’, ‘de stringente arbeidsreglementering’ en ‘de hoge administratieve rompslomp en complexiteit’. Wie wil dan nog ingaan op de ‘positieve’ uitnodiging tot het debat?

Gelukkig is het tweede thema ‘Onderwijs… toekomstgericht’ evenwichtiger uitgebouwd en bevat het een aantal goede ideeën. De hervorming van het secundair onderwijs, de betere samenwerking tussen bedrijf en school, het watervalsysteem tegengaan en levenslang leren zijn bruikbare ingrediënten voor een onderwijs van de toekomst. Toch kan de auteur het ook hier niet laten om uit te halen naar het onderwijs: ‘Het is niet de taak van de bedrijven om de gevolgen van het falen van een onderwijssysteem recht te zetten’.

In hoofdstuk drie ‘Duurzaamheid…innovatief’ is de VBO-verantwoordelijke echt geïnspireerd. Hij geeft in elk geval de indruk dat de bedrijven erg begaan zijn met de transitie naar een duurzame samenleving. Uiteraard focust hij vooral op energie en grondstoffen, maar ook op een duurzaam businessmodel. Hopen maar dat het weer niet de zoveelste versie wordt van het containerbegrip Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen (MVO). Al blijkt dat er in dit recept eerlijke elementen worden aangebracht, toch zit er ook een fameuze uitschuiver in: ‘Heeft er iemand verteld dat de uitstap uit de kernenergie de stroomprijs wel eens zou kunnen opdrijven?’ En vooral: ‘Heeft iemand berekend of de overblijvende productiecapaciteit wel toereikend zal zijn om alle gezinnen en ondernemingen van stroom te voorzien?’

‘Sociaal beleid…vooruitstrevend’, de nieuwsgierigheid naar het recept in thema vier was groot. Hier trekt de VBO-man alle registers open. Ons sociaal zekerheidssysteem bevat volgens Timmermans vier onevenwichten: de uitkeringen zijn geplafonneerd, de bijdragen niet; er is een steeds grotere wanverhouding tussen het aantal inactieven en het aantal actieven dat het stelsel financiert; sommige uitkeringen zijn onbeperkt in de tijd en in de inactiviteitsstelsels (werkloosheid, invaliditeit, arbeidsongevallen) bevindt zich nog een grote niet aangeboorde arbeidsreserve. Het arbeidsrecht is verouderd, het sociaal overleg faalt en het stakingsrecht moet worden ‘omkaderd’ zodat een rechter het kan toetsen aan een normenkader. De recepten zijn drastisch en ongenuanceerd. Een derde pijler (privéverzekering) in de ziekteverzekering, uitkeringen beperkt in de tijd, herstel van het verzekeringsprincipe tegenover het solidariteitsprincipe, vereenvoudiging van de loonlastverlaging, vereenvoudiging en herziening van de gelijkstellingsregels en vereenvoudiging en herziening van de verlofstelsels. En natuurlijk als VBO-kers op de ‘sociale taart’: ‘Minstens de perverse effecten uit het indexmechanisme halen’. En dan is er nog een toetje: ‘De cao moet opnieuw meer waarde krijgen’, maar sociale vrede moet afdwingbaar en sanctioneerbaar worden en de vakbond moet als juridische entiteit erkend worden!

Ook in hoofdstuk vijf ‘Arbeidsmarkt…vlotter’ komen de VBO stokpaardjes naar buiten. Het werkloosheidssysteem moet een activeringstelsel worden. Er moet een modern arbeidsrecht op maat komen inzake glijdende werktijden, tele- en thuiswerk, deeltijdse en tijdelijke arbeid, arbeidsduur, uitzendarbeid, terbeschikkingstelling van werknemers, outsourcing en cafetariaplannen inzake loons- en arbeidsvoorwaarden. Afspraken hierover tussen werkgever en werknemer worden dan best tussen individuen gemaakt, dus liefst geen collectieve regelingen met de vakbond.

Vanzelfsprekend is mobiliteit ook een thema. ‘Mobiliteit…slimmer’ staat boven hoofdstuk zes. Opnieuw gaat Timmermans verrassend ver in de analyse. Hij vindt een autovrij centrum aantrekkelijk en vindt ook de fiets en het openbaar vervoer belangrijk. Hij is wel erg naïef als hij stelt: ‘Ik verwacht dat personen hun verplaatsingsgedrag in de toekomst zullen wijzigen’. Zeker als hij twee bladzijden verder zegt: ‘De auto blijft onze belangrijkste leverancier van basismobiliteit’.

Communicatie mocht uiteraard niet ontbreken op het menu. Hoofdstuk zeven heeft als titel ‘Communicatie…transparant’. Opnieuw wat open deuren over het palet aan communicatiemogelijkheden, de sociale media en het gebruik van de multimediamix. Terloops wordt aangegeven dat de vakbonden vaker op radio en televisie komen en dat de ondernemingen ‘met een scheef oog’ bekeken worden. Dan volgt een positieve oproep voor opleiding van werkgevers en vakbondsmensen. Maar, zegt Timmermans, dit moet dienen om het sociaal overleg meer naar de bedrijfsvloer te brengen, want: ‘… werkgevers willen het sociaaleconomisch overleg minder en minder laten dicteren door de regels van de vakbonden’.

De dure woorden komen verder aan bod in hoofdstuk acht ‘Maatschappelijk draagvlak…ethisch’. De auteur blaast weer warm en koud. Enerzijds ‘beurskoers is niet zaligmakend’ en een pleidooi voor ‘ethisch ondernemen’, maar anderzijds een verdediging van de notionele intrestaftrek. Maar hij komt pas echt op dreef als hij weer naar de vakbonden kan uithalen: ‘De laatste jaren worden de vakbonden echter ingehaald door het individualisme en de eigen mondigheid van de werknemers’. En: ‘In nieuwe hightechbedrijven of start-ups zijn de werknemers de vakbonden liever kwijt dan rijk’. Toch vindt hij dat de werkgeversfederatie t.a.v. ethisch ondernemen een rol moeten spelen. Tot slot pleit Timmermans voor een charter van goede praktijken dat strikt nageleefd wordt door vakbonden en werkgevers. Het is volgens hem een ‘mooi thema’ voor het sociaaleconomisch overleg.

‘Europa en de Wereld…omarmen’, luidt hoofdstuk negen. Opnieuw een goede analyse, met selectief gebruik van data en grafieken (zoals trouwens in alle hoofdstukken) en de juiste conclusie: Europa verschuift naar de periferie. Hier wel verstandige oplossingen: de ongelijke verdeling van de rijkdom bestrijden, de opwarming van de aarde tegengaan, een green shift. Ook zijn suggestie om in België in te zetten op bijvoorbeeld de clean technologie, e-health, e-commerce en e-education zijn lovenswaardig. Eén valse noot hier: ‘…een meer pragmatische en mercantiele strategie rond ontwikkelingshulp en ontwikkelingssamenwerking’.

Eindigen doet Timmermans met een hoofdstuk over de politiek, ‘Politiek…coherent’. Hij lijkt het Rijnlandmodel, met een sociaal gecorrigeerde markteconomie, te aanvaarden. Maar de kritiek op de overheid is niet mals: overdreven regelzucht, te veel op korte termijn, te veel stop-en-go beleid, onduidelijke en betwistbare regels… Het recept: de overheid moet minder zelf doen, wat men doet efficiënter doen en dat doen wat echt nodig en prioritair is.

Na het lezen van het boek wordt het moeilijk om tot een open en (intellectueel) eerlijk debat te komen. Hoe graag de VBO-topman dat ook zou willen. Daarvoor zijn de aangebrachte gedachten te dogmatisch geformuleerd. Zo kunnen we niet winnen.

Samenleving & Politiek, Jaargang 20, 2013, nr. 3 (maart), pagina 85 tot 87