Log in

'De economie van goed en kwaad. De zoektocht naar economische zingeving van Gilgamesj tot Wall Street'

Uitgelezen

Samenleving & Politiek, Jaargang 20, 2013, nr. 4 (april), pagina 84 tot 85

De economie van goed en kwaad. De zoektocht naar economische zingeving van Gilgamesj tot Wall Street

Tomáš Sedlácek
Scriptum, Schiedam, 2012

De economie presenteert zich vandaag gemakkelijk als een waardevrije, en dus objectieve en dwingende manier van denken. Ze baseert zich op cijfers en mathematische modellen, op kosten-baten en risicoanalyses. En ze is gericht op efficiëntie, groei, vooruitgang, preferentiebevrediging en winst. Zowat alles in onze samenleving moet aan deze dwingende logica geloven: het productieproces in bedrijven, hoe we omgaan met de schuldencrisis, het ‘produceren’ van onderwijs en zorg, het management van sociale voorzieningen, de ziekteverzekeringen, etcetera. Wie deze logica in vraag durft te stellen, zet zichzelf als een wereldvreemde buitenspel. There is no alternative.

Het boek van Tomáš Sedlácek - een Tsjechische macro-econoom en gewezen adviseur van Václav Havel - is in dat opzicht een interessante tegenstem. Anders dan Milton Friedman in zijn bekende Essay in Positive Economics (1953) stelt, is economie volgens Sedlácek helemaal geen positivistische wetenschap. Economie is zoveel meer dan wiskunde; het is een sociale wetenschap die uitgaat van een bepaald mensbeeld en vaak veel dichter bij het normatieve zit dan velen lijken te willen zien. Ook in de economie kunnen immers keuzes worden gemaakt en deze keuzes kunnen op hun (on)waarde beoordeeld worden. Zo kan er dus wel degelijk sprake zijn van een economie van goed en kwaad. En wie enkel en alleen econoom is, en met getallen speelt zonder moreel besef, wordt nooit een goed econoom.

Door in de geschiedenis te duiken en de visie op economie in allerlei teksten uit het verleden te expliciteren en te bespreken, maakt Sedlácek op een erg erudiete manier duidelijk dat ons economisch denken op allerlei niet-noodzakelijke vooronderstellingen is gebaseerd. Kort samengevat is de doelstellingen van het boek ‘om in de oude mythen te zoeken naar het denken over de economie, en omgekeerd in het denken over de economie van vandaag de mythen te vinden’ (p. 13). Het boek is geen economisch werkstuk, maar een leesbaar boek over economie, zoals het verschijnt in filosofie en literatuur.

Sedlácek begint zijn verhaal lang voor de officiële start van de economische wetenschap. Hij leest met ons het Gilgamesj epos, Griekse mythen en filosofen, stukken Oude en Nieuwe Testament, Augustinus, Thomas van Aquino, Descartes, David Hume, Mandeville en Adam Smith. De worsteling met het menselijk verlangen naar beter en meer, naar controle en efficiëntie en naar geluk is immers zo oud als de mens zelf. Nadat het boek in een eerste deel voornamelijk chronologisch is opgebouwd, bespreekt het tweede thematische deel belangrijke economische concepten als hebzucht, vooruitgang, de onzichtbare hand en de homo economicus. Sedlácek toont aan dat ethiek en economie lange tijd (zeker tot bij Smith die niet alleen auteur is van Wealth of Nations maar eerder ook The Theory of Moral Sentiments publiceerde) nauw met elkaar verbonden waren, terwijl op vandaag de moraal nagenoeg helemaal uit de economie is verdwenen. De economen sturen nu hun boodschappen met zoveel mogelijk wiskundige zekerheid de wereld in en vergeten of verdonkeremanen dat ze zich normatief uitspreken over ethische vraagstukken.

Niet alle stukken uit dit dikke boek zijn even interessant/relevant en de manier waarop Sedlácek bepaalde teksten interpreteert en duidt, is bediscussieerbaar. Het is vooral zijn achterliggende visie op economie die interessant is. Hij presenteert economie in de eerste plaats als mensenwerk. De concepten die we vandaag hanteren in de economie zijn geen vaststaande objectiviteiten, maar komen ergens vandaan en hebben een geschiedenis. Eigenlijk maakt Sedlácek een oefening waarin hij het orthodox marxistische uitgangspunt omdraait: in plaats van de cultuur te beschouwen als het resultaat van de sociaaleconomische basisstructuur, laat Sedlácek de economie verschijnen als een product van cultuur. De manier waarop we vandaag over economie denken in termen van privaat bezit, vooruitgang, efficiëntie, geld, groei, rente, consumptie, concurrentie en vrije markt is enerzijds typisch voor ons tijdsgewricht en anderzijds schatplichtig aan de cultuurgeschiedenis die tot op vandaag haar sporen nalaat in onze manier van denken - ook over economie.

Sedlácek pleit ervoor om te leren uit de geschiedenis die laat zien dat economie niet dwingend objectief is, maar ook morele keuzes impliceert. Zo toont hij dat er naast het dominante hedonistische programma (gebaseerd op groei door aanbod te vergroten), ook een stoïcijns programma mogelijk is (gebaseerd op het verkleinen van de vraag naar goederen). Sedlácek zelf is er van overtuigd dat we opnieuw meer oog moeten hebben voor die laatste optie waardoor rust, voldoening en dankbaarheid in de plaats kunnen komen van het voortdurend meer te willen, meer te willen consumeren, meer te willen bezitten, meer winst te maken, etcetera. Hij pleit voor een sabbat-economie en bestrijdt de idee dat een economie noodzakelijk moet groeien: ‘je kunt blijven staan zonder om te vallen’. Als ngo’s of niet-economen deze boodschap brengen, wordt het vaak als onrealistisch soft geneuzel aan de kant gezet, maar hier wordt de boodschap geformuleerd door een gezaghebbend econoom. Zijn de grenzen aan de groei dan toch niet alleen wenselijk maar ook mogelijk?

Samenleving & Politiek, Jaargang 20, 2013, nr. 4 (april), pagina 84 tot 85