Log in

Uitdagingen voor de politiek

DE REVIVAL VAN DE COÖPERATIE (2)

Meer dan 150 jaar nadat de eerste coöperaties ontstonden om via economische activiteiten gemeenschappelijke oplossingen voor gemeenschappelijke problemen van arbeiders en boeren te formuleren, zit het coöperatief ondernemerschap in Vlaanderen opnieuw in de lift. Wat kan de overheid doen om deze dynamiek verder te ondersteunen? Op federaal niveau, waar vooral de regelgeving in het vennootschapsrecht en de erkenning door de Nationale Raad voor de Coöperatie (NRC) van tel zijn, vegen we het bord best helemaal schoon. Op Vlaams niveau, waar de ondersteunende maatregelen uitgetekend worden, bestaat de uitdaging erin om het gevoerde beleid niet te laten stilvallen.

COÖPERATIEVE ONTWIKKELING

Ter afsluiting van het Internationaal Jaar van de Coöperaties 2012 gaf de Internationale Coöperatieve Alliantie (ICA) een ‘Blauwdruk voor het komende decennium’ uit. Daarin werd de ambitie geformuleerd dat de coöperaties tegen 2020 wereldwijd alom erkend zouden zijn als leider op het vlak van economische, maatschappelijke en ecologische duurzaamheid, door mensen als voorkeurmodel om te ondernemen gekozen worden én de snelst groeiende ondernemingsvorm zijn.

Een steile ambitie! Maar één die gedeeld wordt door tal van actoren; ook in eigen land. Dat kan je afleiden uit de recente strategische plannen van overkoepelende en ondersteunende organisaties zoals Febecoop en Coopkracht maar ook en vooral op het terrein. Meer dan ooit tevoren toetsen traditionele coöperaties zoals bijvoorbeeld P&V Verzekeringen, Multipharma en COOP Apotheken (zie ‘Project in de kijker’: pp. 17-19) in de verzekerings- en gezondheidssector hun bedrijfsbeleid permanent af aan hun coöperatieve waarden. Tegelijk ontdekken steeds meer jonge ondernemers het concept ‘coöperatie’ als alternatief voor wie het zelfstandig ondernemerschap een te schraal solitair en eenzaam bestaan lijkt te zijn. Niet toevallig zien we nieuwe coöperaties ontstaan in sectoren als reclame en grafische opmaak. Creatief en bij voorkeur ongebonden door welke vorm van hiërarchie dan ook. Liever gelijkheid dan gezag. Maar ook in maatschappelijk relevante sectoren als mobiliteit, biolandbouw, wonen, kinderopvang,… steken nieuwe coöperaties de kop op. De rode draad in de bedrijfsvoering? De initiatiefnemers denken bewust na over hoe ze kunnen ondernemen met zoveel mogelijk respect voor de samenleving en hun vennoten, die niet zelden behalve geldschieter ook actieve gebruiker zijn. Vaak streven coöperaties naar maximale werknemersparticipatie en beschouwen ze winst niet als doel op zich, maar als middel om het bedrijf en zijn omgeving te verbeteren. Voor andere initiatiefnemers vormen ecologische motieven dan weer de drijvende kracht. Duurzaamheid is anno 2013 zo veel meer dan de bescherming van boompjes, bloempjes en vogeltjes. In een harde sector als de productie van elektriciteit nam de coöperatie het voortouw op het vlak van de productie van hernieuwbare energie.

BELGIË: NOOD AAN EEN DUIDELIJK EN EENDUIDIG WETGEVEND KADER

Als het gaat over waarden, kunnencoöperaties terugvallen op een eenduidig internationaal kader, opgesteld in de schoot van de Internationale Coöperatieve Alliantie (ICA). Over de zeven basiswaarden die wereldwijd als maatstaf voor coöperatief ondernemen worden gehanteerd, leest u meer in het artikel van Lieve Jacobs en Wim Van Opstal verderop dit nummer (pp. 44-49).

Wat het regelgevend kader betreft, is er heel wat minder eenduidigheid en duidelijkheid. De Europese Unie telt zo veel regelgevingen rond coöperatieve vennootschappen als er lidstaten zijn.
Sommige landen zijn bijzonder strikt en verbieden bijvoorbeeld coöperatieve vennootschappen om diensten te leveren aan klanten die geen vennoot zijn. Terwijl België met zijn zeer vrije wetgeving dan weer gekozen heeft voor het andere uiterste. Vandaag worden we geconfronteerd met een uitermate liberale wetgeving die enkel stipuleert dat een coöperatieve vennootschap een ondernemingsvorm is met een veranderlijk aantal vennoten met veranderlijke inbrengen. Daarnaast laat ze omwille van een groot aantal regels van aanvullend recht een zeer grote souplesse toe om de statuten vrij in te vullen. Dit leidt vaak tot banale coöperatieve vennootschappen op het vlak van bedrijfsethiek maar soms ook tot regelrechte misbruiken door malafide ondernemers die hun arbeiders het statuut van zelfstandige aansmeren via de hoedanigheid van werkend vennoot of de coöperatie zien als een vlot op te richten en even snel te deconstrueren bedrijfsvehikel. Uiteraard heeft dit een negatieve impact op het imago van de vele waardegedreven coöperatieve vennootschappen afzonderlijk en op de coöperatieve beweging in zijn geheel.

Om het ontbreken van zelfs maar de minste vereisten omtrent de coöperatieve waarden in de vennootschapswetgeving te compenseren, werd in 1955 de Nationale Raad voor de Coöperatie (NRC) in het leven geroepen. Die heeft behalve het uitdragen van het coöperatieve ideaal als doelstelling om coöperatieve vennootschappen te erkennen die een aantal coöperatieve waarden respecteren. Denk hierbij aan een beperking van de uitkering van dividenden aan aandeelhouders en een zekere mate van democratisch stemrecht op de Algemene Vergadering. Zo wil de NRC het onderscheid maken met de gewone commerciële vennootschappen die de coöperatieve structuur om pragmatische redenen hebben aangenomen en diegene die in hun statuten een aantal principes duurzaam verankeren.

Maar ook de regelgeving omtrent de erkenningsvoorwaarden en -voordelen van de NRC zorgt voor kopbrekers. Dit is een gevolg van het feit dat die geënt is op de interne en externe context waarbinnen de coöperaties zich na de Tweede Wereldoorlog bevonden en die ondertussen uiteraard fundamenteel gewijzigd is. Maar evengoed omdat de verschillende wetgevingen (sociale zekerheidsrecht, fiscaliteit, vennootschapsrecht) waarop de voordelen van de erkenning gestoeld zijn de laatste vijftig jaar grondig veranderd zijn. Als zelfs juridische exegeten hun tanden stukbijten op de interpretatie dan hoeft het geen verwondering te wekken dat de NRC niet echt als een magneet werkt op de talrijke nieuwe waardegedreven coöperaties.

Kan het nog complexer? Ja, want sedert 1995 laat de Belgische wetgever toe dat ondernemingen die commerciële activiteiten uitvoeren en niet gericht zijn op de verrijking van de vennoten, handelsvennootschappen kunnen oprichten onder het statuut van de Vennootschap met Sociaal Oogmerk. Dit statuut, gecreëerd om een juridische leemte op te vullen tussen de vzw en de vennootschap1 kan op haast elk type vennootschap (coöperatieve vennootschap, naamloze vennootschap, besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid) worden geënt op voorwaarde dat zij voldoet aan een aantal statutaire verplichtingen waarvan sommige overgenomen werden uit de regelgeving met betrekking tot de erkende coöperaties, met name het beperken van de uitkering van dividenden en het democratisch stemrecht op de Algemene Vergadering. De keuze van de wetgever voor een transversaal statuut voor een vehikel dat nauw aansluit bij de coöperatieve principes maakt het kiezen van een rechtsvorm er voor starters niet eenvoudiger op. Temeer omdat ook in de regelgeving omtrent de Vennootschap met Sociaal Oogmerk een aantal onduidelijkheden geslopen zijn. Zo zijn de bestuurders of zaakvoerders verplicht om ieder jaar een bijzonder verslag uit te brengen over de wijze waarop de vennootschap toezicht heeft uitgeoefend op het oogmerk dat zij overeenkomstig haar statuten heeft vastgesteld . Behalve deze tekst uit het wetboek van vennootschappen, geeft geen enkel geschreven stuk aanwijzingen over de werkwijze, de inhoud van het bijzonder verslag of de openbaarheid die eraan moet worden gegeven.

Kortom, vandaag staan de waardegedreven ondernemers voor de keuze om een gewone coöperatieve vennootschap op te richten, al dan niet te kiezen voor een erkenning door de Nationale Raad voor de Coöperatie (NRC) of, radicaler, te gaan voor de Vennootschap met Sociaal Oogmerk. We stellen vast dat zij hierdoor vaak de bomen door het bos niet meer zien. Maar dit geldt al evenzeer of nog meer voor de instanties die het coöperatieve statuut zouden moeten promoten: hogescholen, universiteiten, middenstandsorganisaties, overheden die het coöperatieve gedachtegoed willen promoten,… Reden waarom het statuut steevast stiefmoederlijk behandeld wordt.

In het kader van een verdere algemene coöperatieve relance dringt op het federale niveau een fundamentele wijziging van de regelgeving omtrent de coöperatieve vennootschappen zoals deze gedefinieerd wordt in artikels 350 tot en met 436 van vennootschapswetgeving zich dus op. De uitdaging is het opstellen van één transparante wetgeving die de universele waarden van de Internationale Coöperatieve Alliantie (ICA) en de supplementaire regelgevingen omtrent respectievelijk de erkende coöperatie en de Vennootschap met Sociaal Oogmerk integreert. Tegelijk kan, ter vervanging van de huidige NRC, een overheidsorgaan gecreëerd worden dat meer dan vandaag toeziet op de erkenning van nieuwe coöperaties en vooral op de naleving van de basisregels door bestaande coöperaties, inclusief de bedrijfseconomische aspecten. We merken in dat verband terloops op dat de NRC in zijn huidige vorm het debacle van de verschillende coöperaties binnen de ARCO-groep - toch alle erkend - niet kon voorkomen.

VLAANDEREN: DE ONTWIKKELDE DYNAMIEK VERDERZETTEN

In het Vlaamse Gewest zagen we tijdens deze legislatuur dat een coherent beleid de ontwikkeling van nieuwe en bestaande coöperaties een forse duw in de rug kan geven. Het is de verdienste van Freya Van den Bossche, Vlaams Minister van Energie, Wonen, Steden en Sociale Economie, dat zij is ingegaan op de roep van de sector om het coöperatief leven en werken in Vlaanderen beleidsmatig te steunen, o.a. door in te zetten op de promotie van coöperaties via de website www.cooperatiefvlaanderen.be, het laagdrempelig maken van eerstelijns- en tweedelijnsadvies, het organiseren van informatieve en promotionele activiteiten en, niet in het minst, het opzetten van een reeks pilootprojecten in niches als hernieuwbare energie, duurzame productie en consumptie, cultuur, kinderopvang, armoedebestrijding.

Enkele voorbeelden van de impact? In het actieplan van de Minister stond de doelstelling om in één jaar voor 30 opstartende coöperatieve projecten eerstelijnsadvies te subsidiëren. Minder dan zes maanden na de lancering van het aanbod, plaatsen de adviesbureaus die deze dienst aanboden het bordje ‘volzet’. Idem dito voor de verschillende seminaries die voor startende of voor gevorderde coöperaties georganiseerd worden: telkens moesten de organisatoren op zoek naar een grotere zaal omwille van de grote interesse. Binnen datzelfde actieplan werd een projectoproep uitgeschreven om het coöperatief ondernemerschap via pilootprojecten te ondersteunen. De respons was zo groot dat enkel diegene met de hoogste onderscheiding (meer dan 80%) aan de slag kunnen.

Deze beleidsdynamiek leidde op vrij korte termijn tot de oprichting van tientallen nieuwe coöperaties: van een biologische frituur, over nieuwe burgerinitiatieven rond hernieuwbare energie, co-housing of samenaankoop, het efficiënter vermarkten van streekproducten, enzovoort. Een hele reeks andere veelbelovende coöperaties staat in de steigers.

Op Vlaams niveau bestaat de grootste uitdaging er dan ook in om deze dynamiek niet te laten stilvallen. Het nieuwe ondersteuningsdecreet bevat een hele reeks maatregelen die in die zin perspectieven bieden. Zo zullen zowel startende als bestaande coöperatieve ondernemers zeker hun voordeel doen met het goed gevulde palet aan ondersteuningsmaatregelen: professioneel managementadvies, vlot toegang tot risicokapitaal, innovatiesteun, enzovoort.

Kritischer wordt er gekeken naar de oprichting van het zogenaamde ondersteuningsorgaan. Dit is een privéspeler met wie de Vlaamse Regering binnenkort een convenant zal afsluiten om eerstelijnsinformatie te verschaffen, opleidings- en uitwisselingstrajecten te organiseren, kennis over de sector op te bouwen, enzovoort. Vanuit Coopkracht, het netwerk van de Vlaamse mens- en milieuvriendelijke coöperaties, werd reeds de bezorgdheid geuit over het gevaar dat dergelijke structuur snel een eigen leven gaat leiden (bijvoorbeeld door in te zetten op de opbouw van een eigen nieuw personeelskader in plaats van beroep te doen op de expertise opgebouwd in de sector), weinig of geen voeling zal hebben met de reële noden op de coöperatieve bedrijfsvloer en niet noodzakelijk de strategische ambities van de sector zal delen.
En dit terwijl het harmonieuze samenspel tussen een uitgesproken visie van het beleid, de onmiskenbare competentie van de administratie en de coherente input van een eensgezinde sector de laatste jaren zijn deugdelijkheid bewezen heeft.

Ten slotte, kijken we ook reikhalzend in de richting van Minister van Onderwijs Pascal Smet. In zowat in elk debat over randvoorwaarden om coöperatief ondernemerschap duurzaam in de samenleving in te bedden, wordt er gewezen op het belang om jongeren al van op de schoolbanken vertrouwd te maken met een andere aanpak van ‘economie bedrijven’. Lopen er in de verschillende onderwijsgraden al zinvolle initiatieven om de ondernemingszin te stimuleren, dan zijn deze steevast op de klassieke leest geschoeid: hoe kan je als jongere een bedrijf opzetten en een product commercialiseren opdat er aandeelhouderswaarde kan worden gecreëerd?

Na het institutionele en morele faillissement van het dominerend economisch systeem is het de hoogste tijd om de toekomstige generatie vanaf het lager onderwijs tot en met de business schools te leren dat de economie en de samenleving geen gescheiden werelden hoeven te zijn en dat bedrijven kunnen streven naar maatschappelijke winst. Eigenlijk zou dit, zoals de ICA het stelt, het gangbare model moeten worden. Coöperaties tonen aan dit geen utopie maar dagelijkse realiteit is.

Peter Bosmans
Lid beheerscomité Febecoop Adviesbureau Vlaanderen

Noot
1/ Cf. art 1 vzw wetgeving; ‘De vereniging zonder winstoogmerk is die, welke niet nijverheids- of handelszaken drijft en welke niet tracht een stoffelijk voordeel aan haar leden te verschaffen’ en art. 1 wetboek van Vennootschappen ‘Een vennootschap wordt opgericht door een contract op grond waarvan twee of meer personen overeenkomen iets in gemeenschap te brengen met als doel één of meer nauwkeurig omschreven activiteiten uit te oefenen en met het oogmerk aan de vennoten een rechtstreeks of onrechtstreeks vermogensvoordeel te bezorgen.’

coöperaties - politiek - overheid

Samenleving & Politiek, Jaargang 20, 2013, nr. 4 (april), pagina 39 tot 43