Log in

Adembenoemende procedures

Politieke benoemingen zijn zowat het meest hypocriete thema in de Belgische politiek. Desgevraagd is zowat elke partij er tegen, doen ze er zelf niet of slechts node aan mee, en beweert men allerlei procedures te steunen die wél op een objectieve manier de beste kandidaat selecteren zonder dat die een partijkaart moet kunnen voorleggen. Men schakelt headhunters in die de benoeming het aureool geven van professioneel en neutraal te zijn. Terwijl die zoals elk bedrijf gewoon leveren wat de klant vraagt. Ik was kabinetsmedewerker in 1990 en kabinetschef van 1991 tot 2004. Dat leverde me 14 jaar ervaring op met benoemingen in de Vlaamse overheid. Achteraf bekeken was het misschien niet zo slim mezelf nergens te benoemen, maar ik kan er nu dus wel vrijuit over schrijven als ervaringsdeskundige.

POLITIEKE BENOEMINGEN, EEN GESCHIEDENIS EN EEN TOEKOMST

De problemen eind augustus rond een aantal federale topbenoemingen voor overheidsbedrijven als NMBS, Infrabel, Nationale Loterij, Belgocontrol en FPIM hebben de problematiek terug onder de aandacht gebracht. Dat komt niet omdat het mechanisme anders of slechter was dan deze van de overheden in het verleden, maar er zijn zoveel kinken in de kabel gekomen dat het dossier met grote zichtbaarheid in de pers uitgevochten werd. Ik heb er geen statistisch materiaal voor, maar het is zeker niet de eerste keer dat een vacature bijzonder lang blijft open staan omdat er geen akkoord over de winnaar kon worden gevonden. Maar dat gebeurde stilletjes achter de schermen, wat ook al eens een deal mogelijk maakte. Jouw partij krijgt die topfunctie, als wij die drie kleinere postjes krijgen. Dat bleek bij de NMBS onmogelijk geworden. Met alvast één duidelijk slachtoffer in de figuur van Ellen Joncheere die blijkbaar niet aan de benoemingsvoorwaarden voldeed. Ondertussen leerden al haar medewerkers dat ze kandidaat was. En iemand die met een voet buiten staat, verliest nu eenmaal veel gezag. Daarom is het bij elke aanwerving in de overheid en in de privé belangrijk dat de kandidatenlijst zeer geheim blijft.

Politieke benoemingen zijn in Vlaanderen en België quasi onuitroeibaar, zo lijkt het. Al sinds jaar en dag worden zowat alle topfuncties politiek verdeeld en aangeduid. De systemen veranderen, maar het eindresultaat blijft dat de functies per politieke partij worden verdeeld. En elke partij kiest dan een verdienstelijk lid om een grote functie in de wacht te slepen. Af en toe wordt er echt nog wel een partijloze expert benoemd, maar zelfs dan wordt die er van verdacht ook buiten het stemhokje een politieke voorkeur te hebben. Het systeem kan nu eenmaal moeilijk overweg met politiek daklozen. Vooraf: het is zeker niet zo dat élke topfunctie politiek ingevuld werd, en ook niet dat elke politiek aangestelde onbekwaam zou zijn. Een partij kan vaak nog het best ervaren hoe sterk een van haar leden is, al zijn de interne criteria niet altijd gelijk aan die voor een overheidsmanager.

Het is vrij nieuw dat de strijd om een benoeming publiek en in de pers gevoerd wordt, met naam en toenaam van de kandidaten. Vroeger was die strijd niet minder, maar speelde zich voor een groot deel af binnen de partijen zelf. Binnen de regering werden de functies verdeeld onder de coalitiepartners, en dan barstte binnen een partij de competitie los over wie de gelukkige zou worden. Veel ambtenaren kochten alvast lidkaarten van meerdere partijen om in elk scenario te kunnen meedoen. Ik heb het zelf nog meegemaakt dat we over een bepaalde kandidaat discussieerden, elk in de overtuiging dat het er een ‘van ons’ was. Sinds de politieke epidemie van de ‘Nieuwe Politieke Cultuur’ in de jaren 1990 probeert men alvast de indruk te wekken dat er niet meer politiek benoemd wordt. Dat leverde dure procedures op met selectiebureaus waar veel enthousiaste kandidaten veel werk steken in hun kandidaatsstelling en de diverse testen. Waar dan toch één kandidaat heen trekt, stilletjes de hit van Bram Vermeulen zingend naar de anderen ‘Dit is een wedstrijd, die je niet winnen kan’.

DE OUDE TIJD VAN DE POLITIEKE BENOEMINGEN

In de jaren 1960 tot 1990 had de beroemde commissie-Dekens (Mangeleer, Missant), genoemd naar het kabinetslid van de premier die dat overleg organiseerde, een verfijnd puntensysteem uitgewerkt waarbij alle bevorderingen van hoog tot laag in evenredigheid met de verkiezingsuitslag verdeeld werd over de politieke partijen. Zeker op de lagere rangen was lidmaatschap van een van de overheidsvakbonden ook een pluspunt. Ik heb nog zo’n tabel gezien met de punten per partij berekend en dan verdeeld over elke benoemingsgraad, van de toenmalige rang 11 tot en met 17. De partijen konden dan intern beslissen wie wanneer welke bevordering krijgt. Daar werd ook niet verder over gediscussieerd, als een partij een zwak persoon liet benoemen dan namen de coalitiepartners daar akte van, en wachtten tot het moment dat de nieuwe topman op z’n bek ging. Dat kon later nog van pas komen als men een eigen partijlid in bescherming moest nemen en men dan keurig een akkoord sloot om ze beiden maar ongemoeid te laten.

Het wervingsexamen van het Vast Wervingssecretariaat mocht dan bij de eerste werving van een jonge ambtenaar al een stevige drempel zijn, nadien hing de loopbaan af van anciënniteit, en vooral, de juiste politieke kleur. Waarbij de CVP de meeste kaarten had, maar jammer genoeg ook de meeste aangeslotenen. L’embarras du choix. Het gebeurde wel meer dan eens dat een ambtenaar meerdere lidkaarten kocht om zijn loopbaan te bevorderen.

Een benoemingsprocedure kwam er toen op neer dat de kandidaten aan de minister hun dossier bezorgden en dat er dan een vergelijkende tabel werd gemaakt. De kandidaten werden gerangschikt volgens een aantal criteria waar dan de geschikte kandidaat als eerste uitkwam. Ik schreef daar jaren geleden eens een cursiefje over op mijn blog:

Herfst 2042. Zit ik met mijn kleinkinderen op schoot rond de digitale haard, vraagt er toch wel een: ’Opa, zo’n politieke benoeming, hoe deed je dat?’. Ik dronk nog eens van m’n kamillethee en dacht, zou ik dat nu wel uitleggen? Maar waarom niet eigenlijk, de feiten zijn al lang verjaard. En nu doen ze dat toch op een andere manier. En dus biechtte ik op.

Kijk kindje, in 1990 toen ik dat begon te doen, had ik nog geen PC op het werk of zelfs geen elektrische typmachine. Je moest toen nog alles met de hand schrijven. Ze hadden op het kabinet gezien dat ik een groot Literair Talent was, en dat ik veel fantasie had. Meer moest je niet hebben voor een goed benoemingsbesluit. Let wel, ik spreek over de tijd van voor de Nieuwe Politieke Cultuur en Agusta en Dassault. Het was de tijd van de Goede Vrijdagbenoemingen. Nu bestaat dat allemaal niet meer, kindje, nu wordt enkel nog de beste kandidaat benoemd, zonder dat er zelfs nog maar gekeken wordt naar lidmaatschap van een partij of een vakbond.

Zo’n politieke benoeming uitschrijven was een groot werk, hoor. Want er waren altijd veel kandidaten voor een hoge functie aan de staat. Wat een beetje gek was, want de minister wist toch op voorhand wie hij de job zou geven. Eigenlijk had je iedereen die dan toch een brief opstuurde meteen kunnen weigeren. Want wie zo naïef is, is duidelijk niet geschikt. Maar het was anderzijds wel goed dat er een paar kandidaturen waren, dat gaf toch meteen de indruk dat het allemaal ernstig verliep. En in nood kon het zelfs zijn dat we iemand uit die stapel haalden.

Ik heb eens geweten dat iemand die we wilden benoemen op het nippertje een andere job had gevonden. We moesten snel nog een andere kandidaat zoeken. Gelukkig vonden we toen iemand in het pak die de broer was van een journaliste die we kenden. Die broer was wel niet van de juiste partij maar het was toch beter dan niets.

De kandidaturen kwamen toen op het kabinet aan, en ik legde die op een stapeltje tot de uiterste datum. Natuurlijk hield ik in het oog of de mens die van de regering de job zou krijgen zich wel kandidaat stelde. Het zou niet de eerste keer zijn dat ik iemand de laatste dag nog moest bellen met de vraag of hij dan toch astemblieftdankuwel de moeite wou doen om zijn curriculum op te sturen.

En dan begon je een dag of twee later met het schrijven van een grote nota aan de Regering. Eigenlijk twee nota’s, om de spanning er in te houden. In de eerste moest je een beetje vertellen over de administratie en de job en zo. Niemand zou dat nog lezen. Maar een goeie regeringsnota is een dikke nota. En dan kwam het moeilijk stuk. Je moest schrijven aan welke objectieve criteria de kandidaat zou moeten voldoen om gekozen te worden. Het handige was dat we dat in die dagen niet op voorhand beslisten. De Raad van State keek immers toe of de regering haar keuze goed motiveerde op basis van objectieve criteria. Allez, ze waren ook niet onmogelijk bij de Raad van State. Ze keken niet of je motivatie klopte, alleen maar of er wel één geschreven was. Stel je voor dat je ook nog zou moeten aantonen dat je beschermeling écht beter was. Maar je wou ook niet het risico lopen dat er een ongewenst persoon nog véél méér aan de objectieve criteria zou voldoen dan de gewenste persoon. En dus kozen we die criteria pas als we eens goed het curriculum van elke kandidaat hadden bestudeerd.

Stel dat je iemand zoekt om generaal te worden, dan zou het kunnen zijn dat er een of andere kolonel kandidaat is die al vier veldslagen gewonnen heeft. Als uw beschermeling dan een burger is zonder militaire ervaring zou je in de problemen kunnen komen. Maar dan zet je er bijvoorbeeld in dat de generaal ‘strijdlustig moet zijn’ of ‘strategisch doorzicht moet hebben’. Dat klinkt heel goed, en achteraf kan je dan opmerken dat je kandidaat al eens veroordeeld is wegens slagen en verwondingen en dus heel goed kan vechten, of dat hij thuis een doos Stratego staan heeft en dus alle dagen kan oefenen.

En die criteria zette je toen in de eerste nota. Daar mocht dan ook een lijstje bij van de kandidaten. Maar je zette er nog niet bij wie gewonnen had. Dat kon alleen maar te vroeg in de gazetten komen, en dat was nergens goed voor. Dus liet je iedereen nog even in spanning en schreef dat de Minister ‘ter zitting een voorstel zou doen’. En dan kon je beginnen aan je tweede nota.

Dat was eigenlijk een grote tabel. In een kolom zette je alle kandidaten, en bovenaan de criteria die je gekozen had. En dan zette je plusjes en minnetjes in elk vakje. Of zelfs drie plusjes als de kandidaat in meerdere mate aan het criterium voldeed. En dan moest je alles wat samenvatten en lo and behold: uw man (zelden een vrouw) was de meest geschikte.

Niet dat het zo eenvoudig was, kindje. Ik had mijn nota’s eens tijdens een weekend helemaal uitgeschreven, kant en klaar, toen mijn chef binnenkwam en vertelde dat een partij van gedacht veranderd was. En dat er een andere winnaar was. Ik mocht herbeginnen. Opeens waren managementcapaciteiten van geen tel meer en grote talenkennis wel. Of er was eens één winnaar die nu eens echt geen enkel talent had. Die mens was altijd een heel verdienstelijke militant van zijn partij geweest, affiches plakken en zo, maar had nooit iets gedaan om te motiveren dat hij een goed directeur-generaal zou zijn. Let wel, er was ook niets dat zei dat hij dat niet goed zou doen. Het is niet omdat iemand kabinetslid is, dat hij geen goed topambtenaar zou zijn. Maar toen zat ik echt vast. Dus heb ik hem gebeld met de vraag of hij mij een nieuw curriculum kon bezorgen. En ik heb hem zelfs gedicteerd wat hij er in moest schrijven. Als zijn kabinetschef wou bevestigen dat hij een topexpert was dan kon er niemand dat tegenspreken. Ja, er werd wat afgelachen in die tijd.

Maar het was misschien niet netjes, de oude tijd van de politieke benoemingen. Gelukkig is dat nu allemaal afgeschaft en doen ze aan ‘super objectieve’ headhunting. En zo’n selectiebureau weet wel beter dan de kandidaat te leveren die hun opdrachtgever graag zou benoemd zien.

Ik dronk m’n thee helemaal uit, en zag dat m’n kleinkindertjes allemaal in een diepe slaap waren verzonken. Het Zandmanneke had z’n werk weer goed gedaan.

NIEUWE POLITIEKE CULTUUR (NPC)

Tot zover de prehistorie van de politieke benoemingen. In de jaren 1990 groeide het verzet daartegen en onder de vlag van de ‘Nieuwe Politieke Cultuur’ werden een aantal maatregelen genomen om die flagrante verkaveling van het overheidsapparaat te counteren. Het is onbetwistbaar de verdienste van toenmalig Minister van Ambtenarenzaken Luc Van den Bossche om dat systeem in de Vlaamse overheid ongedaan te maken voor de bevorderingen tot afdelingshoofd. Behoudens een uitzondering werden sindsdien enkel nog ambtenaren bevorderd die slaagden voor een assessmentproef. De allereerste assessmentronde richtte een bloedbad aan bij veel kabinetsleden die tot kort daarvoor zonder probleem zouden zijn opgestuwd in de vaart der volkeren, maar nu niet de minimale capaciteiten om afdelingshoofd te worden konden voorleggen. Er was veel gemor en geweeklaag, maar de Minister hield voet bij stuk. Maar ook hij is niet aan de depolitisering van de topbenoemingen durven of willen beginnen.

In de Nieuwe Politieke Cultuur werden Assessment centers, evaluaties, interne potentieelinschattingen steeds vaker gehanteerd om het middenkader te testen op leidinggevende capaciteiten. Maar steeds vaker werd een parallel kanaal geopend, waarbij een aantal topkaders werd gerekruteerd door private ‘search’ bureaus. Zou de overheid niet beter werken door een instroom van managers uit de private sector? Maar ook die headhunters leverden doorgaans netjes de kandidaat af waar al een politiek akkoord over gesloten was. Eerder dan de oude techniek waarbij de minister zélf de ganse selectieprocedure in handen had, kwam het zoveel keuriger over als men die uitbesteedde.

Zo was er een ambtenaar die de functie waar hij voor kandideerde al meerdere jaren ‘dienstdoend’ uitoefende. Nu de job eindelijk vacant werd verklaard, dacht de man enige kans te hebben bij die benoeming. Tot zijn verbazing werd hij er al uitgeselecteerd in de eerste ronde, de schifting op cv. Bij navraag bleek de bevoegde minister de headhunter vooraf duidelijk gemaakt te hebben dat ze die man niet wilden. En dan was het blijkbaar nog het eenvoudigst om hem er meteen uit te schrijven en te verklaren dat de job al jaren doen niet voldoende grond was om hem te overwegen in de rest van de procedure. En dat is zeker niet het enige geval waar potentieel sterke tegenkandidaten snel werden uitgewied. Zo waren in een groot agentschap alle directeurs kandidaat en werden die snel ongeschikt bevonden. Zo kon het selectiebureau drie kandidaten aan de regering voorstellen die ik vaak omschrijf als ‘diegene die het moest worden en twee analfabeten’. Waarna de regering oprecht kon verklaren dat de winnaar de beste was van de shortlist van het selectiebureau. En zelf kreeg ik ooit een telefoontje van een bureau met het advies mijn kandidatuur in te trekken ‘want ze zouden me toch niet voordragen’. Naast de opmerkelijke mededeling mag het ook verwondering wekken dat die vraag kwam nog voor de periode om kandidaturen in te dienen, verstreken was.

BETER BESTUURLIJK BELEID (BBB)

In zijn Copernicus hervorming van de federale administratie was zijn plan aanvankelijk ook vrij radicaal. Alle zittende topambtenaren verloren hun aanstelling en konden zich opnieuw kandidaat stellen voor hun eventuele herbenoeming. Het is bekend hoe dit binnen de regering al tot veel verzet leidde en nogal wat creatieve oplossingen om de oude vrienden terug op hun post te krijgen. In die jaren deed ik trouwens zelf mee aan zo’n procedure. In de Vlaamse overheid overwoog men een soortgelijk assessment in te voeren in het kader van Beter Bestuurlijk Beleid (BBB) en ik wou vooral eens uit eerste hand weten hoe zo’n procedure verliep. Tot mijn verbazing werd ik als eerste gerangschikt voor een functie van voorzitter van een bepaalde FOD. Ik kende de minister lang genoeg om te weten dat hij niet iemand op een topfunctie zou benoemen die hij niet al vooraf in gedachten had. Ik ben dus in de laatste ronde bij de Minister gegaan en hem meteen gezegd: ‘Ik weet wel dat je mij niet wil benoemen dus gaan we het mekaar niet moeilijk maken. Maar schrijf er mij dan wel een beetje elegant uit.’ Ik wou vermijden dat hij me in een officieel document een randdebiel zou noemen. Hij is toen de procedure herbegonnen. Ik heb nooit geweten wat er met de kandidaat die het de eerste keer had moeten worden, gebeurd was: niet geslaagd of niet deelgenomen. Maar slagen voor die loeizware procedure was wel goed voor mijn ego. En later kon Van den Bossche in een interview naar waarheid vertellen dat hij zelfs ‘een partijgenoot niet benoemd had’.

Bij de Vlaamse topambtenaren zat de schrik voor een Copernicaanse procedure er flink in. Gans Beter Bestuurlijk Beleid (BBB) was eigenlijk verlopen zonder veel belangstelling vanwege de kabinetten of de parlementairen. Maar toen het hoofdstuk ‘benoemingsprocedures’ werd aangesneden, keek plots iedereen wél naar de teksten. Het verzet van een aantal ambtenaren tegen elke vorm van evaluatie van hun leidinggevende capaciteiten was bijzonder sterk. Ik herkende ze als diegenen die bijna een abonnement hadden op een bespreking bij de jaarlijkse evaluaties. Nadat een extern bedrijf Bottom Up en Top Down Evaluatie had opgehaald, waren er altijd wel een paar die niet direct als ‘top’ bestempeld werden, maar door de kabinetschefs in een ‘we gaan mekaar geen pijn doen’ collegiale benadering werden gedelibereerd.

Aangezien ze terecht vreesden dat in een Copernicaanse hervorming ze reddeloos verloren zouden gaan, hebben ze geijverd om alle ‘zittende pachters’ een job te laten kiezen uit de vele nieuwe topfuncties die in BBB werden gecreëerd. En nadien verliepen de nieuwe vacatures bijzonder gecontroleerd. In zijn doctoraat beschreef Christophe Pelgrims de methodiek van de benoemingen in BBB.1 Hij beschrijft de ganse historiek met zoveel detail en inside information dat je haast zou denken dat hij zelf alle vergaderingen bijwoonde. Hij citeert vlot uit verslagen van Interkabinetten werkgroepen. Maar er hebben duidelijk ook veel mensen hun verhaal gedaan.

De 66 nieuwe functies van leidend ambtenaar van de entiteiten onder Beter Bestuurlijk Beleid (BBB) werden in drie ronden aangeduid. In de eerste mochten de ‘zittende pachters’, de leidende ambtenaren van voor de hervorming zich kandidaat stellen voor de nieuwe entiteiten. Uit een interview blijkt dat ambtenaren binnen een bepaald beleidsdomein een overeenkomst hadden om geen voorkeur uit te drukken voor elkaars functies. Ook dat gebeurde zeer collegiaal. Ik kreeg ooit een Excel waarbij alle functies waren opgelijst en een aantal ambtenaren onder mekaar de functies hadden herverdeeld. Maar dat lukte blijkbaar niet overal. En dan mocht de politiek ook haar rol spelen. ‘De socialistische partij had beslist dat Y moest komen en dat X moest worden gedumpt. Waar moet hij dan wel terecht komen? Hij had zich voor een aantal functies kandidaat gesteld maar daar mocht X dan van de andere coalitiepartners niet komen’.

In de tweede ronde mochten, conform een opmerkelijk amendement op het ‘Kaderdecreet’, ook de adjunct-leidende ambtenaren van de vroegere Vlaamse Openbare Instellingen zich kandidaat stellen voor een bevordering tot leidend ambtenaar. Ook hier netjes één kandidaat per functie, zodat er niet meer moest worden vergeleken. Maar voor een bepaald agentschap beschrijft Pelgrims wel een merkwaardig verhaal. ‘CD&V heeft aan ambtenaar X de job beloofd. De coalitiepartners konden ambtenaar Y niet afschieten want dan was de VLD naar de verdoemenis.’ Dat werd dan maar opgelost door het decreet te wijzigen en daar twee topambtenaren te voorzien.

De derde ronde was dan de echte vacature die ook voor externe kandidaten openstonden. Pelgrims analyseert in detail hoe de selectie uit alle kandidaturen werd gemaakt. De helft van de externe kandidaten werd om dezelfde reden geweigerd. Zowat alle kabinetsleden werden geschikt bevonden op basis van hun cv, bij de andere was dat vaak ook weer een hinderpaal. Het ‘verkennend interview’ gaf ook de voorkeur aan kabinetsleden boven kandidaten zonder kabinetservaring. En dus eindigde de reeks benoemingen met 60% benoemingen van interne kandidaten, waarvan 40% uit de kabinetten kwamen.

TRANSPARANTIE

Het motief van partijen om hard te strijden voor een topfunctie is in die zin merkwaardig dat de ‘return on investment’ relatief laag is. Het is al lang niet meer zo dat een topambtenaar zonder meer richtlijnen van zijn partij kan of wil uitvoeren. Wat ze wel doen is de partij informeren en adviseren over de ontwikkelingen in hun beleidsdomein. En de zwakkere elementen weten hun partij dan weer wel te vinden op het moment dat ze moeten worden beschermd tegen een negatieve evaluatie of erger. En traditioneel vindt de gelukkige meteen dat de procedure via de headhunter bewijst dat hij de beste kandidaat was en hij zijn benoeming enkel aan zichzelf te danken heeft. Dus is een politieke benoeming in wezen niet meer dan een beloning voor bewezen diensten van een partijgenoot. En het motiveert wellicht de andere partijleden om zich ook wat meer in de gunst te netwerken. Ze versterken nauwelijks de politieke slagkracht van een partij, al zijn er ook wel enkele verhalen van gekleurde topambtenaren die hun obediëntie ook laten doorspelen bij de selectie van het eigen middenkader. Anderzijds moet men de macht van een topambtenaar zeker niet onderschatten. Het blijft dom van de politiek dat men vooral focust op beleidsvorming en te weinig op de uitvoering ervan.

Moet het gezegd dat het ganse benoemingssysteem bijzonder demotiverend is voor wie partijloos is, of de verkeerde kaart heeft voor de functie waar die het meest geschikt voor is? Het zou bijzonder naïef zijn om hier te eindigen met een pleidooi voor het afschaffen van politieke benoemingen. Dat laat ik over aan de politici die tegelijk weten dat hun eigen partij volop meegaat in die logica. Zoals de N-VA de benoemingscarrousel op federaal niveau aanklaagt, terwijl in Vlaanderen toch al een paar kabinetsleden en vertrouwelingen van de eigen partij op niet onaardige functies geland zijn. Het overzicht van De Tijd miste trouwens een paar benoemingen. En ook Agalev was er indertijd niet vies van en vroeg afspraken over de benoemingen, maar door hun voortijdig vertrek uit de regering hebben ze de BBB-trein gemist. Er is dus een ruime politieke consensus (openlijk of stiekem) dat de topfuncties verdeeld moeten worden per partij.

Ik wil daarom enkel pleiten voor transparantie. Als de job al op voorhand ‘verkocht’ is, kom er dan gewoon voor uit. Het is geen schande. Het is bijzonder duur om een procedure op te starten met een extern selectiebureau en tientallen kandidaten zich te laten uitputten in de verdediging van hun dossier terwijl ze geen enkele kans maken. Dan is het Amerikaanse ‘spoil systeem’ veel eerlijker waarbij de verkozen president meteen zijn vertrouwelingen mag benoemen op de sleutelfuncties. Al worden die vooraf nog zwaar op de rooster gelegd in hun parlement. En het is in ieders belang dat de minister de competenties van zijn beschermeling toch ook grondig laat testen. Als de nieuwe minister zelf zijn leidend ambtenaar kan aanduiden, zou hij die best ook meteen de leiding van zijn kabinet toevertrouwen. Zo bespaar je zowel op zinloze selectieprocedures als op het aantal topmannen (en -vrouwen), om nog niet te spreken van de procedures bij de Raad van State die vaak ook een zeer geschikt middel zijn om een dienst te verlammen. Kijk maar naar de BIPT-saga. En als er geen echt geschikte kandidaat in de eigen rangen te vinden is, start dan wel een professionele selectieprocedure op. Waarbij iedereen met gelijke kansen kan aan deelnemen. En in elk scenario blijft de regering verantwoordelijk om de best mogelijke topman aan te duiden, en hard op te treden als die de verwachtingen niet inlost.

Geert Mareels
Ere-kabinetschef en redactielid van Samenleving en politiek

Noot
1/ Pelgrims Christophe, Bestuurlijke hervormingen vanuit een politiek perspectief. Politieke actoren als stakeholders in Beter Bestuurlijk Beleid en de Copernicushervorming, Brugge: Vandenbroele, 2008, 455 p.

Beter Bestuurlijk Beleid - politieke benoemingen - politieke vernieuwing

Samenleving & Politiek, Jaargang 20, 2013, nr. 7 (september), pagina 53 tot 56 en pagina 65 tot 68