Log in

'Het moedige midden. Voor het versterken van mensen'

Uitgelezen

Samenleving & Politiek, Jaargang 20, 2013, nr. 7 (september), pagina 102 tot 104

Het moedige midden. Voor het versterken van mensen

Wouter Beke
Pelckmans, Kalmthout, 2013

De voorzitter van de CD&V heeft zijn ideologische keuzes op papier gezet. De titel zegt al heel veel: in het midden, geen extreme positie waar socialisme, liberalisme en nationalisme voor kiezen. In het midden kun je ervoor zorgen dat mensen niet ondergeschikt zijn aan een systeem (overheid, markt, natie). Om in het midden te staan moet je moed hebben.

Wouter Beke is niet voor ideologische dogma’s, maar dat belet niet dat hij zich op christelijke waarden beroept. Solidariteit, verantwoordelijkheid, personalisme en rentmeesterschap komen uit de bron van alle waarden, de christelijke traditie en cultuur. Er wordt wel eens onverdraagzaam gereageerd op christelijke symbolen (Beke doet dat niet op symbolen van vrijmetselaars in het Warandepark), maar het is niet toevallig dat op moeilijke momenten iedereen ernaar terug grijpt. Alleen moet men plaats houden voor andere godsdiensten.
Op 9/11 is duidelijk geworden dat de samenleving meer dan de optelsom is van individuen. Er moet een gemeenschappelijke sokkel zijn van waarden en normen, maar ook van rechten en plichten. Dat is een cultureel minimum dat door iedereen moet worden gedeeld.
De vrije markt moet worden gecorrigeerd, maar dat is nog geen planeconomie. Het Rijnlandmodel is het beste model, want dat laat toe economische vooruitgang te herverdelen. Wouter Beke pleit voor een zorg-ethische benadering. Dat impliceert ook voldoende mogelijkheden om arbeid en gezin te combineren. Naast gekende instrumenten als kinderopvang pleit Beke voor tijdsleningen: men neemt extra vakantie omwille van de zorg voor kinderen en betaalt die achteraf terug met extra bijdragen op het loon.
Beke geeft veel aandacht aan de school. Het is het ideale startpunt om vrije en sterke mensen te maken. Zij leven in een samenleving die van hen is en niet van de markt. Een sociale markteconomie kan men dat noemen: ‘Het sociale in het begrip ‘sociale markteconomie’ betekent een markteconomie die de capaciteiten van mensen verhoogt en dus niet minder maar meer markt creëert, in het voordeel van iedereen. Het gaat dus om een ‘verbreding’ en een ‘verdieping’ van de markteconomie en niet om een ‘inperking’ ervan.’ (p. 74).
De val van de Muur betekende het failliet van het socialistisch systeem, dat alles in handen van de staat wilde. Het heeft aanleiding gegeven tot een te vergaande deregulering, die dan weer tot de huidige economische crisis heeft geleid. De financiële crisis was een waardencrisis. De wereldeconomie heeft regels nodig. Het Rijnlandmodel biedt de beste garanties, ook met de plaats die het geeft aan het sociaal overleg. Jammer dat de socialistische vakbond telkens haar verantwoordelijkheid ontloopt.
Het middenveld is in elk geval onmisbaar. Dit moet echter meer zijn dan een veredeld adviesorgaan. Het moet een krachtig middenveld zijn, dat er mee kan voor zorgen dat de democratie geen drama- of toeschouwersdemocratie, maar een participatiedemocratie is. In het eerste geval hebben de kiezers alleen maar de illusie dat hun keuze er toe doet. In werkelijkheid zijn het de media die de keuzes bepalen. Door het middenveld kan de betrokkenheid reëel zijn. Het moet dan wel geherwaardeerd worden. Dat kan meer solidariteit en vertrouwen opleveren, maar ook meer economisch welbehagen en consumentenvertrouwen. Het middenveld moet een goede maatschappelijke dienstverlening verzekeren, maar het is daar perfect toe in staat, niet in de laatste plaats omdat er op dat niveau concurrentie bestaat. Het moet er wel voor oppassen niet al te ver mee te gaan in het marktdenken.
Nadat Wouter Beke een aantal zaken heeft uiteengezet over stedelijke identiteit, gaat hij in op het niveau Vlaanderen en Europa. Hij verantwoordt - en beroept zich daarvoor uitvoerig op Hugo Schiltz - waarom hij gekozen heeft voor de zesde staatshervorming. Het is een zaak van rustige, weloverwogen verantwoordelijkheidszin. Iets anders is dat er na die staatshervorming nog een vervolg zal komen. Van Europa schetst hij uitvoerig de verdiensten. Onder meer de schuldgraad is er minder gestegen dan in de VS. Natuurlijk wil dit niet zeggen dat niet alles beter kan.
De epiloog wordt opgehangen aan de uitdrukkingen ‘Vrijheid, gelijkheid en broederlijkheid’. Het is de gelegenheid om nogmaals de tussenpositie te verdedigen. De staat en de markt zijn niet in staat de vrijheid te garanderen. Mensen zijn geen abstracte individuen, maar concrete mensen met een eigen levensverhaal. Vrijheid moet aan verantwoordelijkheid gekoppeld worden. De overheid moet het kader aanbieden om dat mogelijk te maken. Vrijheid is op te vatten als positieve vrijheid en niet als negatieve vrijheid. Negatieve vrijheid komt neer op doen wat men wil, positieve vrijheid is de mogelijkheden hebben om iets te realiseren. Het marktdenken mag niet uitgebreid worden naar alle terreinen. ‘Op de oude stronken van de christelijke cultuur van het goede leven hebben we nieuwe scheuten nodig. Anders zal het marktdenken alles domineren en wordt het goede leven beperkt tot waar er vraag en aanbod voor is.’ (p. 157). Beke wil sociale samenwerking, geen polariserend links-rechts-denken.

Ieder hoofdstuk begint met een persoonlijke anekdote van de auteur. Het is een mooie formule, die het boek leesbaarder moet maken. Dit kan echter niet verhullen dat die lezer weinig nieuwe dingen zal ontdekken. Het is een eerder saai boek geworden. Niettemin blijft het interessant te lezen hoe de CD&V probeert haar middenpositie te verdedigen: ze moet de socialisten toch weer in de hoek van het staatsdenken zetten en de liberalen in die van de verdedigers van de totaal vrije markt. Dat beantwoordt natuurlijk niet aan enige realiteit. Ik denk niet dat er veel liberalen rondlopen die tegen iedere correctie van de vrije markt zouden zijn. Ik weet zeker dat socialisten niet alles aan de staat willen toevertrouwen. ‘Het socialisme tegen de staat’ van Emile Vandervelde dateert maar van 1949!
Ook merkwaardig is dat zich beroepen op de christelijke cultuur. Niet dat ikzelf zou willen ontkennen dat onze samenleving ook vandaag nog diep doordrongen is van die cultuur. Maar dat christendom is zelf niet uit de lucht komen vallen en vooral heeft het in de loop van de geschiedenis toch ook wel af en toe getoond dat het kan ontaarden in geweld en fanatisme. Ik meen te weten dat er in die christelijke cultuur wel degelijk nog van dogma’s uitgegaan wordt.
Het pleidooi voor het middenveld is belangrijk, in een tijd waarin dit inderdaad meer en meer in de verdrukking komt. Ik ben het met de auteur eens dat dat middenveld een heel belangrijke rol kan spelen in het inperken van het zogenaamde marktdenken, dat de mens ondergeschikt maakt aan het systeem. Ik kan mij ook voorstellen dat de christendemocraten daar een rol kunnen in spelen. Alleen hebben zij een beetje weinig mortel om dat ook ideologisch uit te bouwen. Dat verhaal van dat moedige midden plakt toch niet goed meer.

Samenleving & Politiek, Jaargang 20, 2013, nr. 7 (september), pagina 102 tot 104