Log in

'Islam en radicalisme bij Marokkanen in Brussel'

Uitgelezen

Islam en radicalisme bij Marokkanen in Brussel

Bilal Benyaich
Uitgeverij Van Halewijck, Leuven, 2013

‘In Brussel woedt een bitse strijd om islamitische zielen’,schrijft Bilal Benyaich in zijn nieuwste boek. Het is een ontluisterend, en toch wel schandelijk, verhaal over hoe sommige Golfstaten en Saoedi-Arabië in het bijzonder geld noch moeite sparen om predikers, moskeeën en andere islamitische structuren te financieren. Dat heeft geleid tot de penetratie van het salafisme in het dagelijks leven. En hoewel salafisten slechts een kleine minderheid onder de moslims zijn, worden hun ideeën hoe langer hoe meer als ‘vanzelfsprekend’ beschouwd. De Belgische autoriteiten? ‘Die staan erbij en kijken ernaar’.
Ooit was het anders. Het interessante aan Benyaich’s boek is precies dat hij de geschiedenis schetst van de Marokkaanse aanwezigheid in Brussel. Dat Marokkaanse Belgen zich identificeren met de islam, is geen gevolg van de grote stroom gastarbeiders die decennia geleden naar Brussel is afgezakt. De islam maakte voor deze mensen deel uit van hun algemene, culturele achtergrond, maar dat geloof speelde geen rol van betekenis in het dagelijks leven.
De heropleving is het gevolg van de bekeringsijver van Saoedi-Arabië en het feit dat koning Boudewijn het oosterse paviljoen ‘aan de moslims’ schonk na de steun van het land aan de slachtoffers van de brand in de Innovation (1967). Het werd een ‘Islamitisch Cultureel Centrum’, waar niet religieuzen van bij ons maar buitenlandse diplomaten de plak zwaaiden. De ideologische invloed van het conservatieve, wahabitische Saoedi-Arabië is er bijzonder groot.
Maar ook de economische crisis speelde een grote rol. De structurele werkloosheid en de identiteitscrisis van de tweedegeneratiemigranten zorgden voor een sociaal en psychologisch vacuüm waarin ‘de goedgelovige massa’s vogels voor de Saoedische woestijnkat werden’ (p. 59). In een tiental Brusselse wijken bedraagt de jeugdwerkloosheid meer dan 50%.
Een tweede interessante vaststelling is de enorme invloed van internet. ‘Islamitische internetgebruikers proberen een virtuele oemma op te bouwen omdat ze zich geïsoleerd voelen in hun samenleving’,citeert Benyaich de Franse politoloog Olivier Roy. Die virtuele oemma sluit aan bij het individualisme en bij een virtuele egalitaire gemeenschap van internetgebruikers.
Benyaich geeft een zeer gedetailleerd overzicht van de talrijke verenigingen, moskeeën en predikers in Brussel. Hij legt de vele verschillende nuances binnen het salafisme bloot en toont met zijn interviews van zo’n tweehonderd Marokkanen aan dat er heel wat redelijkheid en besef van westerse waarden aanwezig is binnen de Marokkaanse islamgemeenschap.
Wat niet wegneemt dat er toch meer dan honderd Belgische jongeren naar Syrië zijn getrokken, en dat is niet ‘om voedselpaketten uit te delen aan de vluchtelingen’ (p.134). De Belgen vechten er zij aan zij met aan Al Qaeda gelieerde veteranen uit Afghanistan en Irak.
Benyaich stelt vast dat de radicalisering zowel bij hooggeschoolden als bij laaggeschoolden plaatsvindt. Bij de eersten heeft ze een uitgesproken politieke dimensie, bij de tweeden gaat het vaak om een vorm van psycho-sociale kwetsbaarheid.
Die radicalisering, aldus nog de auteur, vindt niet plaats in een vacuüm. ‘Maatschappelijke ontwikkelingen bepalen mee de ontwikkeling van mensen. Als jongeren vervreemden van de samenleving, dan ligt het probleem niet louter bij de jongeren en hun directe omgeving. Het zegt ook wat over de samenleving. Om het cru uit te drukken: elke samenleving krijgt de radicalen die het verdient’ (p. 137).
Benyaich doet dan ook vrij cynisch over de ‘bijziendheid’ van de Belgische en Europese autoriteiten. De jihadisten vormen een bijzonder kleine groep, maar ze zijn er wel degelijk en de auteur vraagt zich af waarom sommigen ongemoeid met hun proselitisme kunnen verder gaan.
Toen enkele maanden geleden in België de heisa over de jongeren begon die naar Syrië waren getrokken, werd er vooral in linkse kringen erg neerbuigend op gereageerd. Alweer een staaltje van islamofobie, zo werd gesteld. Wie het boek van Benyaich leest kan het traject van de toenemende radicalisering goed volgen en kan niet anders dan zich zorgen maken. Niet over de islam, niet over de moslims, maar over de door het buitenland gefinancierde radicalisering. Het gaat niet om een ‘Marokkaans probleem’, zo stelt Benyaich, het is een sociaal probleem dat politiek wordt misbruikt. Het is een illusie te denken dat het ‘kosmopolitische’ Brussel alleen maar ‘wereldburgers’ voortbrengt.
Over de juistheid van de manier waarop de auteur mensen en verenigingen categoriseert, kan ik niet oordelen. Er kan zeker speling op zitten. Maar dit boek is een aanrader voor wie iets meer wil leren over de Marokkaanse gemeenschap in Brussel en over de vele verschillende gezichten van de islam.

Samenleving & Politiek, Jaargang 20, 2013, nr. 7 (september), pagina 110 tot 111