Abonneer Log in

SPD-nederlaag met perspectief?

Samenleving & Politiek, Jaargang 20, 2013, nr. 8 (oktober), pagina 23 tot 29

Angela Merkel werd op 22 september autoritair herverkozen als bondskanselier van Duitsland. Dat is geen verrassing, maar in de lente van 2013 zag het er toch minder rooskleurig uit voor de kanselier: in deze bijdrage schetsen we het relaas van de hoopvolle start van de SPD-campagne tot de grote verkiezingsoverwinning van Merkel. We brengen een eerste analyse waarom de SPD de verkiezingen verloren heeft. Op het moment van schrijven gaan we, net zoals in 2005-2009, naar een Grote Coalitie van CDU-CSU en SPD. Mogen we een aanpassing van het sociale beleid in Duitsland of een koerswijziging inzake Europa verwachten?

VAN HOOPVOLLE START NAAR VERKIEZINGSNEDERLAAG

Duitsland is het enige grote land in Europa dat er in slaagde de gevolgen van de financiële crisis reeds na twee jaar te overwinnen. Na de dip, steeg in 2010 het Duitse bbp opnieuw met 3,8%. Dat was vooral het gevolg van een felle aangroei van de export aan vervoer- en bouwmateriaal naar de nieuwe industrielanden. Dankzij het toevloeien van vreemde deviezen kon het de eurokoersen op de wisselmarkten ondersteunen en de zuidelijke eurolidstaten in betalingsmoeilijkheden ter hulp komen.

Hierdoor verwierf Duitsland een groot prestige en kon Merkel druk uitoefenen op eurolidstaten om hun overheidsdeficit te verlagen. Haar coalitieregering met de liberalen (CDU-CSU-FDP) voerde een beleid gericht op het laaghouden van lonen van vooral ongeschoolde arbeidskrachten. Dit bevorderde de competitiviteit van de Duitse bedrijven op de internationale markten, maar verhoogde in Duitsland de armoede.

Geleidelijk aan groeide het verzet tegen deze rechtse politiek. In de loop van 2011-2013 verloren de coalitiepartijen CDU-CSU en FDP verkiezing na verkiezing voor de parlementen van de noordelijke deelstaten. De SPD en de Groenen behaalden een meerderheid in Hamburg (20 februari 2011), in Bremen (22 mei 2011), in Schleswig-Holstein en in Nordrhein-Westfalen (6 mei 2012) en in Niedersachsen (20 januari 2013). De nucleaire ramp in Fukushima (11 maart 2011) verhoogde de populariteit van de Groenen. Elf dagen later wonnen ze, samen met de SPD, de deelstaatverkiezingen in Baden-Württemberg.

De CDU-CSU-FDP regering had in de lente van 2013 geen meerderheid meer in de Bundesrat, samengesteld uit vertegenwoordigers van de deelstaten. Halverwege de legislatuur voorzagen de meeste politieke observatoren dat Angela Merkel de federale verkiezingen van 22 september 2013 zou verliezen en dat een roodgroene coalitie tot stand zou komen. Dat dit niet is geschied, is het gevolg van een aantal omstandigheden. We overlopen hieronder een aantal elementen in detail.

BETWISTINGEN BINNEN DE SPD

De Duitse sociaaldemocraten zijn diep verscheurd. De betwistingen tussen de aanhangers van ‘Die Neue Mitte’ en de meer traditionele linkse ideologen vingen aan na de verkiezingsoverwinning in oktober 1998. In de daaropvolgende roodgroene regering wenste SPD-bondskanselier Gerhard Schröder, net als Tony Blair, de fiscale druk beperkt te houden om bedrijven competitiever te maken, terwijl zijn minister van Financiën, Oskar Lafontaine, aandrong op een sociaal beleid gericht op het beperken van de inkomensongelijkheid. In maart 1999 nam Lafontaine ontslag. Hij vormde nadien met linkse West-Duitse socialisten en de in het oosten vrij sterke PDS (Partei demokratischer Sozialismus) een nieuwe partij, Die Linke, die sindsdien regelmatig stemmen wegkaapt van de SPD.

Toenmalig kanselier Gerhard Schröder trachtte het aanhoudende begrotingstekort te beperken door een hervorming van de arbeidswetgeving. Zijn vriend Peter Hartz, personeelschef van Volkswagen, werd in 2002 voorzitter van een commissie die voorstellen moest uitwerken voor een meer efficiënte wettelijke regeling van de verhoudingen tussen de bedrijven en hun personeel. Vooral de Hartz IV-maatregel, die in 2005 in voege trad en de werklozensteun beperkte tot één jaar, botste op veel weerstand in syndicale kringen. De vrees dat, in diepe armoede gedompelde, werklozen werk zouden aanvaarden tegen zeer lage lonen, werd bewaarheid. Vandaag verdienen zo’n 2 miljoen working poor minder dan 500 euro.

In 2005 schreef Gerhard Schröder verkiezingen uit, die SPD nipt verloor. De groenrode coalitie werd ingewisseld voor een Grote Coalitie met CDU-CSU. Meerdere gewezen medewerkers van Schröder werden minister onder Merkel: Peer Steinbrück, minister van Financiën, Frank Walter Steinmeier, minister van Buitenlandse Zaken en Franz Müntefering, minister van Arbeid en Sociale Zaken. De beperking van de sociale uitgaven, samen met de verhoging van de BTW, lieten toe het overheidstekort weg te werken. Maar er was kritiek op de strengheid van het werkloosheidsbeleid. In vele arbeidersgezinnen waar de man werkonbekwaam was geworden, was de vrouw verplicht slecht betaalde arbeid te aanvaarden. Dit leidde tot wantoestanden en heftige kritiek vanuit arbeidersmiddens. Bij de verkiezingen van 2009 verwierf de SPD slechts 23% van de stemmen, haar slechtste naoorlogse verkiezingsresultaat ooit.

Oppositie werd haar deel. Toenmalig SPD-voorzitter, Franz Müntefering, nam ontslag en werd opgevolgd door Sigmar Gabriel. Die was in de Grote Coalitie minister voor Milieu en Nucleaire Veiligheid. Partijsecretaris werd Andrea Nahles, voormalig voorzitster van de Socialistische jongeren en bekend om haar kritiek op het beleid van Schröder. Dankzij de samenwerking tussen Gabriel en Nahles bleef de eenheid in de SPD min of meer bewaard.

In de loop van 2012 werd Sigmar Gabriel geconfronteerd met de moeilijke keuze wie als kanselierskandidaat aan te duiden. Volgens een opinieonderzoek door Der Spiegel was Hannelore Kraft, minister-president van Nordrhein-Westfalen, de populairste SPD’er van het land. In de algemene rangschikking van Duitse politici bekleedde ze zelfs de derde plaats, na president Joachim Gauck en kanselier Angela Merkel. Kraft wenste echter minister-president te blijven van haar deelstaat. Sigmar Gabriel, zelf slechts dertiende op bovenstaande ranglijst, koos voor Peer Steinbrück, 65 jaar oud en man van vele kwaliteiten. Hij was een begaafd redenaar met zin voor humor. Maar qua levensstijl was hij geen sociaaldemocraat. Hij hield voor dat hij nooit goedkope wijn dronk en vond de kanselierswedde te laag.

In de campagne beging Peer Steinbrück flater na flater. Hij verweet Merkel dat ze, als gewezen Oost-Duitse, onvoldoende belangstelling had voor de eenmaking van Europa, waarmee hij de Oost-Duitsers schoffeerde. En zijn Stinkefinger in het Süddeutsche Zeitung Magazin werd ook niet goed onthaald. Zijn populariteit verminderde, maar herstelde zich enigszins na een televisiedebat met Merkel waaruit bleek dat hij een begaafd redenaar was die zijn dossier goed kende. Peer Steinbrück ging in op de vraag van Andrea Nahles om in de laatste veertien dagen voor de verkiezingen zoveel mogelijk plaatselijke SPD-afdelingen te bezoeken. Hij slaagde er in voor een soms vrij beperkt publiek een grote populariteit te winnen met een grappige uiteenzetting, gevolgd door spirituele antwoorden op de gestelde vragen. Hij kwam evenwel over als sympathieke grapjas; niet als ernstige kandidaat voor het kanselierschap.

Sigmar Gabriel meende dat de partij stemmen kon halen bij de duizenden goed betaalde technici door te beloven dat de SPD geen belastingverhoging zou doorvoeren als ze erin slaagde grote belastingontduikende firma’s te doen afdokken. Hiermee deed de SPD-voorzitter een stap in de richting van de politieke opvattingen van SPD-kandidaat Peer Steinbrück, maar bracht hij tegelijk verwarring over de doeleinden van de partij. Het heeft waarschijnlijk een aantal potentiële SPD-kiezers doen overlopen naar Die Linke, die vooral in Oost-Duitsland een goed resultaat behaalde.

DE TANENDE POPULARITEIT VAN DE GROENEN

De Groenen haalden op 22 september slechts 8,5% van de stemmen. Tijdens de campagne slaagden ze er niet in hun al tanende populariteit op te krikken. Al vroeg werd duidelijk dat een roodgroene regering onmogelijk zou zijn. De Groenen begingen twee grote fouten in de campagne. Ze legden te veel nadruk op de noodzaak de belastingen te verhogen om de vervanging van de kerncentrales door windmolens, zonnepanelen en andere bronnen van alternatieve energie te financieren. De meeste Duitsers zijn ervan overtuigd dat op lange termijn zo’n omschakeling noodzakelijk is maar willen daar vandaag geen welvaart voor opofferen.

Een tweede flater was hun voorstel om het vleesverbruik in Duitsland te verlagen. In refters van scholen en bedrijven zou minstens eenmaal per week geen vlees mogen worden aangeboden. De Duitsers zijn grote vleeseters. Tegenstanders maakten van dit voorstel handig gebruik om aan te klagen dat de Groenen de vrijheid van de burgers om hun eigen dieet uit te stippelen, wilden beperken.

Ten slotte moest voorzitter Jürgen Trittin, ondertussen afgetreden, in de campagne erkennen dat hij in het begin van zijn politieke carrière eens met andere Groenen een voorstel had goedgekeurd om seks met een kind van minder dan 14 jaar niet langer strafbaar te stellen. Woordvoerders van de christelijke partijen leidden daaruit af dat de Groenen niet alleen homohuwelijken (nog steeds niet wettelijk in Duitsland) goedkeurden maar ook pedofielen wilden beschermen. In het katholieke Baden-Württemberg, dat bij de deelstaatverkiezingen in 2011 groen had gestemd, gingen deze keer vele stemmen terug naar Angela Merkel.

HANDIGE KEUZES VAN CDU-CSU

In het verkiezingsprogramma van de CDU-CSU stonden meerdere voorstellen die oorspronkelijk afkomstig waren van de SPD en de Groenen, waardoor het voor vele CDU-CSU kiezers niet nodig leek van partij te veranderen om een aantal hervormingen te realiseren. Tegelijk wist Merkel hiermee kiezers van andere partijen aan te trekken. Dat ging zover dat sommige journalisten beweerden dat Merkel kandidate van de SPD had kunnen zijn.

De diverse programmapunten waren evenwel zo geformuleerd dat de minder politiek geïnteresseerde lezer niet opmerkte dat in feite minder werd beloofd dan in het SPD-programma. Dat voorzag bijvoorbeeld het invoeren van wettelijke minimumlonen voor álle beroepen, terwijl het programma van de CDU-CSU enkel voorzag dat, als er door de onderhandelingen tussen patroons en vakbonden geen lonen waren bepaald, de overheid bepaalde minimumlonen zou kunnen opleggen. Dit liet de deur open voor het behoud van lage lonen voor bepaalde vormen van ongeschoolde arbeid.

Het verkiezingsprogramma van de CDU-CSU was daarenboven erg populistisch. Het hield meer beloften in dan financierbaar was zonder belastingverhoging. Zo’n verhoging sloten de christendemocraten evenwel uit, omdat werd gevreesd stemmen te verliezen aan de liberalen die een belastingvermindering beloofden. Vooral de beloften van Merkel inzake de verhoging van het kindergeld en de invoering van een ‘Mutterrente’ (een pensioensupplement op de leeftijd van 67 jaar voor elk kind dat een moeder had opgevoed), kost geld.

Maar het had weinig belang wat Merkel beloofde. Kiezers stelden een onbeperkt vertrouwen in de Mutti. De SPD-leiding stond voor een dilemma: om Merkel te verslaan moesten de drie oppositiepartijen hun krachten verenigen en dit hield in dat ze de belastingen zouden moeten verhogen om de voornaamste doeleinden van hun programma’s te verwezenlijken. Merkel liet niet na regelmatig te wijzen op het gevaar van zo’n evolutie. Zo verloren SPD en de Groenen stemmen van betere verdieners. Wat de SPD ook ondernam, de zege van Merkel was onvermijdelijk.

OP WEG NAAR EEN GROTE COALITIE

De SPD-leiding heeft slechte herinneringen aan de vorige Grote Coalitie met de CDU-CSU (2005-2009). Die eindigde in een verpletterende nederlaag. Ze had zich dan ook voorgenomen dit experiment niet te herhalen. Maar de verkiezingsuitslag maakt het bijna onmogelijk zo’n coalitie uit de weg te gaan. De liberale FDP haalde de kiesdrempel niet. En de Groenen leden een zware nederlaag. De partij is te fel verzwakt om zich als coalitiepartner op de politieke voorgrond te werken. Ze zou in een gelijkaardige positie terechtkomen als de FDP, die de laatste vier jaar bijna niets van haar programma kon verwezenlijken en daarvoor werd afgestraft.

SPD start dus gesprekken op met de CDU-CSU. Een eventueel akkoord tot Grote Coalitie zal ter stemming worden voorgelegd aan de 470.000 partijleden. Momenteel is 57% van de SPD-kiezers voor een Grote Coalitie, maar 65% van de SPD-leden tegen. Sigmar Gabriel zal dus een aantal uitgesproken linkse toetsen in het akkoord moeten krijgen. Tegelijk moet hij opletten niet uitsluitend voorstellen op te nemen die ook in het CDU-programma voorkomen. Anders kan SPD niet beweren dat ze door haar regeringsdeelname een verschil maakt.

Sigmar Gabriel staat voor een moeilijke opdracht. Hij kan wellicht een oplossing vinden door aan Merkel voor te stellen haar geplande maatregelen voor moederrente en meer kindergeld in het programma op te nemen in ruil voor het aanvaarden van het SPD-programma voor vroegtijdige pensionering van arbeiders die 45 jaar onafgebroken hebben gewerkt. Wie dan vanaf zijn 18 jaar heeft gewerkt, zou dan reeds op 63 jaar, in plaats van 67 jaar, zijn volledig pensioen krijgen. Zo’n maatregel zou populair zijn in de arbeidersmiddens en een meerderheid van de SPD-leden kunnen overtuigen om voor een regeringsdeelname te stemmen. Het is echter een maatregel die geld kost - vele Duitsers startten hun carrière op 16 jaar als stagiair in een bedrijf. Maar volgens minister van Financiën, Wolfgang Schäuble, moet dat lukken. Hij beweert dat de overheidsinkomsten door de economische heropleving zo zullen toenemen dat de nieuwe regering zich grote uitgaven kan veroorloven. Als dit klopt, kan dergelijk compromis afgesloten worden zonder dat wordt ingegaan op de SPD-eis om de belastingen op grote inkomens te verhogen.

Want tegelijkertijd zal Merkel III geconfronteerd worden met grote uitgaven voor het onderhoud van het wegennet en voor de energievoorziening. De vorige regeringen hebben een inspanning geleverd om de oudste atoomcentrales te sluiten en de productie van alternatieve energie met windmolens en zonnepanelen uit te breiden. In 2012 was slechts 16% van de bruto productie aan elektriciteit afkomstig van atoomcentrales en 21,9% van alternatieve energiebronnen. Vervuilende steenkolen- en gascentrales staan dus nog altijd in voor het grootste deel van de elektriciteitsproductie. Die kunnen niet allemaal worden gesloten, want tijdens de sombere winterdagen en windstille periodes is de productie aan alternatieve energie onvoldoende. Ook moet de overheid de elektriciteitsmaatschappijen vergoeden voor het stilleggen van die centrales bij een grote productie aan alternatieve energie. Daarenboven moeten nog heel wat kabels worden aangelegd voor het vervoer van energie uit windmolens in de Noordzee en de Baltische zee naar de industriële bedrijven in Zuid-Duitsland. Deze bekabeling valt door de hoge koperprijzen erg duur uit.

Met andere woorden, indien de hierboven vermelde dure projecten voor kinderzorg en pensioenen worden uitgevoerd, lijkt een deficit onvermijdelijk. Merkel zal dus moeten kiezen tussen een verhoging van de belastingen of het niet uitvoeren van een deel van het regeringsprogramma.

In tegenstelling tot wat al te veel wordt gedacht, ziet de toekomst van Duitsland er dus niet zo goed uit. Het lage geboortecijfer verantwoordt een grotere subsidiëring van de kroostrijke gezinnen. De veroudering van de bevolking verhoogt in sterke mate de last van pensioenen en medische kosten. En het te groot aantal gezinnen dat moet leven van slecht betaalde mini-jobs maakt het noodzakelijk hogere sociale lasten te aanvaarden en wettelijke minimumlonen te voorzien. In die omstandigheden is het dan ook niet onbegrijpelijk dat de Duitse regering niet erg happig is om, ook in de nabije toekomst, veel geld te besteden aan eurolanden met een overheidstekort.

HET EUROPEES BELEID VAN DE DUITSE REGERING

In het voorjaar van 2013 hoopten eurolidstaten met financiële moeilijkheden dat na de Duitse verkiezingen een guller hulpprogramma tot stand zou komen. Indien Merkel werd herkozen, dat ze zou aanvaarden dat landen in financiële moeilijkheden slechts geleidelijk hun schulden zouden aflossen. Indien een roodgroene regering werd opgericht, dat die zou geneigd zijn zo’n toegeeflijk beheer te aanvaarden om de Franse socialisten ter hulp te komen. SPD-kandidaat Peer Steinbrück liet in de campagne evenwel horen dat van een schuldenovername geen sprake kon zijn. Na een bezoek van François Hollande aan het Berlijnse SPD-hoofdkwartier wijzigde hij zijn houding: men kon een soort ‘Marshall plan’ voor Europa bedenken dat wordt gefinancierd door de uitgifte van euro-obligaties. Tijdens de campagne speelde dit element echter geen enkele rol. Steinbrück zag in dat de Duitsers niets voelden voor een Europees avontuur en zweeg als vermoord over zijn ambitieus Europees plan.

Merkel blijft dus aan het Duitse roer. Ze sprak bij haar overwinningsrede in Berlijn klare taal: ‘We moeten verder gaan op het pad dat we hebben ingeslagen. Tien jaar geleden was Duitsland de zieke man van Europa. Ons financieel en economisch beleid heeft ons tot de sterkste natie van Europa gemaakt. We mogen van de andere lidstaten verwachten dat ze ons voorbeeld volgen’. Het is duidelijk dat Merkel ook in de toekomst niet bereid is schulden van eurolanden in financiële moeilijkheden over te nemen.

Toch ziet Duits minister van Financiën, Wolfgang Schäuble, in dat men niet eeuwig kan verder gaan met het vernieuwen van uitstaande kredieten en het uitschrijven van nieuwe leningen, dat er iets moet worden ondernomen om in de noodlijdende eurolanden de economie tot bloei te brengen en werk te verschaffen aan de miljoenen jonge werklozen. Op 19 juli vloog hij naar Athene met een voorstel van de Duitse staatsbank KfW om tot 100 miljoen euro te lenen aan kleine Griekse ondernemingen. Dit moet vooral in de toeristische sector leiden tot meer werkgelegenheid, wat op haar beurt een grotere vraag naar goederen en meer werk in de bouwnijverheid verwekt. In de beheerraad van de KfW rees verzet tegen dit initiatief, maar Schäuble suste de tegenstanders met een staatswaarborg voor deze leningen.

Schäuble lijkt er Merkel van overtuigd te hebben althans een deel van de oplossing te hebben gevonden. Daarom aanvaardt de bondskanselier dat Schäuble zijn initiatieven tot ondersteuning van een investeringsbeleid in kleine ondernemingen uitbreidt. Want andere mogelijkheden om samenwerking met de EU-landen uit te breiden, ziet Merkel niet. De recente moeilijke dossiers van de uitwisseling van de bankgegevens of de uniformering van het fiscale beleid, tonen aan dat alle politici hardnekkig de enge nationale belangen verdedigen. In dergelijke omstandigheden is het enigszins begrijpelijk dat Merkel niet geneigd is initiatieven te ontwikkelen voor meer Europese eenmaking. Een echte verandering inzake Europa, ook met de sociaaldemocraten in een Grote Coalitie, valt dus niet te verwachten.

Gaston Vandewalle
Professor emeritus, Universiteit Gent

verkiezingen - Duitsland - SPD - Europa

Samenleving & Politiek, Jaargang 20, 2013, nr. 8 (oktober), pagina 23 tot 29