Log in

Vermogensfiscaliteit: mythe en werkelijkheid

Samenleving & Politiek, Jaargang 20, 2013, nr. 9 (november), pagina 12 tot 23

Het inkomen uit vermogen wordt door progressieven naar voor geschoven als belastingbasis die een deel van de druk op arbeidsinkomsten kan opvangen. In deze bijdrage gaan we op basis van enkele recente studies na hoe het gesteld is met de omvang, de verdeling en de fiscale behandeling van het gezinsvermogen. Is er ruimte voor een belastingverschuiving? Wie zijn de winnaars en verliezers van zo’n verschuiving? En wat is de impact op de economie?

Een visie over belastingen is fundamenteel verbonden met een visie op de samenleving en over welke rol de overheid daarin te spelen heeft. De meningen lopen uiteen over de mate waarin en de wijze waarop de markt gecorrigeerd moet worden en, daarmee samenhangend, over de zogenaamde omvang van de overheid. Er is wel overeenstemming over een aantal principes die de fundamenten van de financiering van de overheid moeten uitmaken zoals het draagkrachtbeginsel en het gelijkheidsbeginsel. Hoe groter iemands financiële draagkracht is, hoe meer die kan bijdragen, en van mensen met een gelijke draagkracht wordt een gelijke bijdrage verwacht. Daar waar het algemeen onderschrijven van het draagkrachtbeginsel niet betekent dat er overeenstemming moet zijn over de gewenste progressiviteit van het bijdragesysteem, is die marge er niet wat het gelijkheidsbeginsel betreft. Met inkomen als belangrijkste maatstaf voor iemands draagkracht1 is het gelijkheidsbeginsel moeilijk te verzoenen met grote verschillen in de fiscale behandeling van inkomsten naargelang de bron of het type van die inkomsten.

De globalisering van inkomsten was het uitgangspunt van de belastinghervorming van 1962. Goed vijftig jaar later is het vermogensinkomen dat opduikt in de aangiften personenbelasting verwaarloosbaar en beperkt het zich tot onroerende inkomsten. Roerende inkomsten zijn ofwel vrijgesteld van belasting ofwel onderworpen aan een bevrijdende roerende voorheffing. Het is deze dualiteit die aanleiding geeft tot discussie. Is de huidige situatie fair? Want het vermogen, net als het milieu overigens, betaalt geen belastingen. Mensen betalen belastingen. En wiens inkomen hoofdzakelijk uit loon bestaat heeft minstens de indruk dat hij of zij relatief meer moet bijdragen aan de financiering van de gemeenschapsmiddelen dan wiens inkomen hoofdzakelijk uit vermogensinkomsten bestaat. Als we voor de eenvoud veronderstellen dat twee gezinnen een gelijk inkomen hebben, en alleen de samenstelling van dat inkomen verschilt, dan stelt zich een probleem met het gelijkheidsbeginsel. Geen zurigheid. Geen afgunst. Alleen de vraag gelijk behandeld te worden, gelijk bij te dragen tot de publieke voorzieningen en de sociale zekerheid.

In haar rapport ‘Belasting op arbeid, werkgelegenheid en concurrentievermogen’ stelt de Hoge Raad van Financiën: ‘Welke indicator ook gebruikt wordt, de internationale vergelijking toont een belasting van loonarbeid aan die hoger is dan in het merendeel van de andere landen, zowel wanneer als referentiezone de Europese Unie als de OESO gehanteerd worden. Deze vaststelling geldt ook ten opzichte van onze meest nabije buurlanden (Duitsland, Frankrijk, Nederland)’.2 Er is grote eensgezindheid over de nood aan een verlaging van de fiscale en sociale bijdragen op arbeidsinkomsten. De partijen aan de (centrum)linkerzijde van het politieke spectrum stellen voor de belastingdruk te verschuiven: minder op arbeidsinkomsten en meer op vermogensinkomsten. Aan de (centrum)rechtse kant van het politieke spectrum kan die piste op weinig meeval rekenen.

OVERAL TOP

‘België aan top EU voor taksen op vermogen’ kopte De Tijd in december 2010. Sindsdien krijgen we deze boodschap wel vaker te lezen, vaak genoeg om het tegendeel als ‘mythe’3 en zelfs ‘gratuite bewering’4 te kunnen bestempelen. In het debat over de hervorming van de fiscaliteit wordt het argument van de reeds te hoge belasting op vermogen door sommigen aangegrepen om een belastingverschuiving van tafel te vegen. ‘Arbeid, kapitaal en consumptie worden al te zwaar belast om belastingen te verschuiven’5 schreef Trends. ‘Alle inkomsten worden in België zwaar belast’ echode een partijvoorzitter in het Parlement.6 De lasten op kapitaal zijn volgens Trends de tweede hoogste van Europa: ‘De belastingopbrengst uit kapitaal (vermogen) bedraagt 9,2% van het bbp. Dat is het tweede hoogste niveau in Europa na Frankrijk (10,2%).’ Die cijfers kloppen. Ze komen van Eurostat. Alleen wordt Luxemburg, dat Frankrijk voorafgaat, vergeten. Luxemburg Europees kampioen in het belasten van kapitaal? Ja, als je kijkt naar de belastinginkomsten als percentage van het bbp. Maar wat zegt dat over de Luxemburgse belastingdruk op vermogen en inkomens uit vermogen? Eigenlijk niets. Volgens de Nationale Bank is ‘de omvang van de heffingen op het vermogen en op de inkomens uit vermogen in verhouding tot het BBP geen relevant gegeven voor het niveau van de heffingstarieven in een bepaald land’.7 De inkomsten die een belasting genereert worden immers bepaald door de effectieve tarieven enerzijds en de omvang van de belastingbasis anderzijds. Ter illustratie daarvan Grafiek 1 over de vennootschapsbelasting, op basis van cijfergegevens die werden samengebracht door de liberale denktank Itinera.8 De belastinginkomsten als percentage van het bbp blijven opmerkelijk stabiel terwijl dat van de basis (ondernemingswinsten als % BBP) en het effectieve belastingtarief (werkelijk betaalde belasting als % van de vennootschapswinst) allerminst kan worden gezegd.

Grafiek 1. Vennootschapswinst en vennootschapsbelasting. (Bron: Itinera)

Waarom wordt het BBP dan zo vaak gebruikt als benadering van de belastingbasis voor het bepalen van om het even welke belastingdruk? Het voordeel daarvan is dat makkelijk en snel internationaal vergelijkbare percentages worden bekomen. Nadeel is dat deze, zoals gezegd, weinig of niets zeggen over de belastingdruk die belastingplichtigen werkelijk ondervinden van deze of gene belasting, noch een antwoord kunnen geven op de vraag of deze in internationaal opzicht relatief hoog of laag is. Er wordt overigens niet alleen verwarring gezaaid door inkomsten als percentage van het BBP te beschouwen als belastingdruk, meestal gooit men ook de inkomsten uit de successie-, schenkings-, en registratierechten op één hoop met de belasting op vermogensinkomsten van gezinnen terwijl deze fundamenteel verschillend zijn. Zo zijn de registratierechten een transactiebelasting die volledig ten laste valt van de koper van het onroerend goed, en dus feitelijk een consumptiebelasting.

BELASTING VAN VERMOGENSINKOMSTEN IN INTERNATIONAAL PERSPECTIEF

Voor we meer in detail bespreken hoe het gesteld is met de belasting van vermogensinkomsten en deze vergelijken met andere landen, is het zinvol het begrip ‘belastingdruk’ te verduidelijken. Wat inkomen betreft begrijpen we hieronder de verschuldigde belasting (verschil tussen het inkomen voor belasting en het inkomen na belasting) gedeeld door het inkomen voor belasting. Vertrekkende van dit concept maakt de OESO al vele jaren de oefening voor de inkomsten uit arbeid met het jaarlijkse rapport ‘Taxing Wages’.9 Voor een aantal representatieve gezinssituaties, rekening houdend met verschillende inkomensniveaus en verschillende gezinssamenstelling, wordt de zogenaamde belastingkloof (tax wedge) bepaald die van toepassing is in de verschillende landen van de OESO. De belastingkloof is het verschil tussen de totale kost voor de werkgever en het nettoloon van de werknemer en houdt rekening met zowel de fiscale als parafiscale bijdragen. De OESO finaliseert momenteel een gelijkaardige oefening voor de inkomsten uit vermogen.10 Voor vier types van vermogensinkomsten - dividenden, intresten, meerwaarde op aandelen en meerwaarde op vastgoed - die een representatief individu geniet, wordt de maximale gecombineerde belastingdruk in de OESO-landen berekend door telkens het rendement voor belasting te vergelijken met het rendement na belasting. Voor dividenden en de meerwaarde op aandelen wordt rekening gehouden met de vennootschapsbelasting omdat uitgekeerde dividenden eerst op niveau van de vennootschap worden belast en vervolgens op niveau van de aandeelhouder, wat in België betekent dat ze aan de roerende voorheffing worden onderworpen.11 Het rendement voor belasting wordt verondersteld 4% te bedragen. Dit veronderstelde rendement is van belang omdat in een aantal landen, waaronder België door de aftrek voor risicokapitaal, de maximale gecombineerde belastingdruk hiervan afhankelijk is.

Waar situeert ons land zich binnen de OESO als het op de belasting van vermogensinkomsten aankomt? Wat dividenden betreft kennen alleen Estland en Slovakije een lagere maximale belastingdruk dan België12, tegenover 31 OESO-landen waar dividenden zwaarder belast worden. Het OESO-gemiddelde bedraagt 41%, tegenover 26% in België. Voor de meerwaarde op aandelen is in geen enkel OESO-land de fiscale behandeling zo genereus als onze 2%. Het OESO-gemiddelde bedraagt 36%. En voor de gerealiseerde meerwaarde op vastgoed behoort België tot de groep landen die deze volledig vrijstellen, tegenover een OESO-gemiddelde van 15%. De intrestinkomsten worden in België aan maximaal 15% (spaarboekjes) en 25% (obligaties) belast. Tegenover die 15% doen alleen Griekenland, Luxemburg en Estland beter, en ook het tarief van 25% ligt lager dan het OESO-gemiddelde. In de studie wordt bovendien geen rekening gehouden met de ruime vrijstelling voor intrestinkomsten van gereglementeerde spaarboekjes. Van het totale bedrag op gereglementeerde spaarrekeningen is meer dan 90%, of 215 miljard euro in 2013, vrijgesteld in de zin dat de intresten op die 215 miljard euro volledig vrijgesteld zijn van roerende voorheffing.13 In Grafiek 214 geven we een overzicht van de maximale gecombineerde belastingdruk op vermogensinkomsten voor een individu. België blijkt zowat het meest fiscaal gunstige land van de OESO te zijn.

Grafiek 2. De maximale gecombineerde belastingdruk op vermogensinkomsten. (Bron: Oeso)

Wat weten we over de fiscale behandeling van onroerende inkomsten, andere dan de gerealiseerde meerwaarde? Inzake onroerende inkomsten is de heffingsgrondslag het kadastraal inkomen (KI), zowel voor de onroerende voorheffing die de Gewesten heffen als voor de personenbelasting, met dien verstande dat voor de enige en eigen woning het KI in de personenbelasting is vrijgesteld. Tegelijk zijn er belangrijke fiscale uitgaven in de personenbelasting die de belastingen op onroerende inkomsten compenseren. De fiscale uitgave voor het bouwsparen, de woonbonus en de intrestaftrek bedroegen voor de inkomsten van 2009 meer dan 2,3 miljard euro. De onroerende voorheffing bedroeg voor datzelfde jaar in totaal 2,8 miljard euro. Volgens een OESO-analyse zijn de eigenaars van privaat verhuurde woningen de ‘winnaars’ van het Belgische systeem door de steeds groter wordende kloof tussen het KI en de werkelijke inkomsten uit privéhuur.15 De belaste waarde van privaat verhuurde woningen is volgens de voormelde studie gemiddeld lager dan de helft van de werkelijke waarde.

DE OMVANG EN VERDELING VAN HET GEZINSVERMOGEN

In België is er nagenoeg geen informatie beschikbaar over de inkomsten uit vermogen, laat staan over de verdeling van die inkomsten over de gezinnen. Dit leidt tot een belangrijke handicap in het debat over hoe de fiscale hervorming er moet uitzien, en meer concreet over de impact van een verschuiving van de lasten op arbeid naar vermogensinkomsten. Neem de discussie over de verhoging van de roerende voorheffing op dividenden. Sommigen beweren stellig dat de ‘middenklasse’ het slachtoffer is. De simpele waarheid is dat we het niet zeker weten. In de discussie over meerwaarden, zowel op aandelen als op onroerende goederen, tasten we niet alleen in het duister over de verdeling van de gerealiseerde meerwaarden maar ook zelfs over de omvang van die (mogelijke) belastingbasis. Voor inkomen uit arbeid en vervangingsinkomens geldt volledige openheid, voor inkomen uit vermogen is intransparantie nog steeds de regel. Dit is vreemd. En vaak wordt voor dit onderscheid verwezen naar de privacy. Dat is nog vreemder. Want waarom zouden vermogensinkomsten meer tot de persoonlijke levenssfeer horen dan andere inkomsten? In Nederland bijvoorbeeld maakt de overheid in samenwerking met de financiële instellingen routinematig een jaarlijkse vermogensstaat op. De banken beschouwen die medewerking als een dienstverlening voor hun klanten. Voor het Belgische systeem zou dit een kleine revolutie zijn, maar bij onze noorderburen wordt deze praktijk als normaal ervaren.

Het gevolg van de quasi totale afwezigheid van informatie over verdeling van de inkomsten uit vermogen, zijn we voor een juist beeld aangewezen op buitenlandse bronnen en op beschikbare informatie over de basis van de vermogensinkomsten, het vermogen. Het totale financiële vermogen van de gezinnen kan worden afgeleid uit de financiële rekeningen. Het totale reële vermogen van de gezinnen kan worden geschat aan de hand van ramingen van het vastgoedbezit en van de vastgoedprijzen. Op datum van 30 september 2012 bedroeg het totale nettovermogen van de huishoudens 1.882 miljard euro, waarvan 1.003 miljard financiële activa, 1.090 miljard onroerend vermogen, en 211 miljard schulden.16 Dat is 5 keer het bruto binnenlands product van 2012. Wat het gemiddeld nettovermogen per Belg betreft staat ons land daarmee op de 4de plaats binnen de EU en de 9de wereldwijd.17 Voor het financiële nettovermogen blijken we het rijkste land van de EU te zijn en gaan ons wereldwijd slechts 3 landen vooraf.18

Het nettovermogen is niet alleen relatief omvangrijk, het groeit ook sneller dan de economie. Voor de periode 1998-2012 kunnen we stellen dat het nettovermogen meer dan twee keer zo snel groeide dan het BBP. Zoals gezegd is de verhouding nu 5 op 1. In 1998 was dat nog 4,3 op 1. Die stijgende verhouding in ons land is geen alleenstaand gegeven. In heel Europa zitten vermogens-inkomensratio’s al sinds de jaren 1970 in de lift. In Frankrijk bevindt de vermogens-inkomensratio als percentage van het BBP zich bijna terug op het niveau van voor de Eerste Wereldoorlog. Het economisch mechanisme hierachter wordt beschreven door Thomas Piketty.19 Wanneer de rente na belastingen hoger ligt dan de groeivoet van het BBP, brengt geaccumuleerde rijkdom meer op dan dat er nieuwe rijkdom wordt bij gecreëerd. De mate van oud, overgeërfd vermogen in iemands ‘life time wealth’ neemt dan ook toe, wat vanuit meritocratisch oogpunt niet wenselijk is. Alleen in de jaren na de Tweede Wereldoorlog was de groeivoet hoog genoeg, zodat voor de mensen die toen actief waren, rijkdom werkelijk ‘selfmade’ was. Piketty berekende dat voor deze generatie het aandeel van overgeërfd vermogen in de totale rijkdom over het hele leven een 16% was. Voor de generaties geboren na 1980 zou dat aandeel rond de 30% schommelen.

Wat de verdeling van het vermogen over de gezinnen betreft, moesten we het heel lang stellen met een studie van Rademaekers en Vuchelen uit 1999 op basis van enquêtegegevens van 1994.20 Dat is intussen bijna twintig jaar geleden. Sinds kort beschikken we evenwel over nieuwe gedetailleerde gegevens dankzij de ‘Household Finance and Consumption Survey’, een initiatief van de Europese Centrale Bank (ECB). Het betreft een geharmoniseerde enquête over het financiële gedrag van de gezinnen in alle eurolanden en laat dus toe een internationale vergelijking te maken. De enquête geeft niet alleen een zicht op de verdeling van de vermogens over de gezinnen maar ook op de samenstelling van de vermogens van individuele gezinnen. Dergelijke micro-economische informatie was tot voor kort in België nauwelijks of niet beschikbaar.

De NBB maakte reeds een eerste analyse van de resultaten van de ECB-enquête.21 Wat de participatie van de gezinnen in de verschillende types van activa betreft stellen we vast dat nagenoeg alle gezinnen een zicht- en/of spaarrekening bezitten. De participatie in andere financiële activa is veeleer laag te noemen. Slechts 7,5% van de gezinnen bezit obligaties of kasbons, minder dan 15% bezit aandelen en minder dan 18% bezit beleggingsfondsen. Bovendien blijkt dat binnen die kleine groep de mediaanwaarde van het betrokken beleggingsproduct laag is. Voor obligaties en kasbons, beleggingsfondsen en aandelen is dit afgerond respectievelijk 30.000 euro, 20.000 euro en 5.000 euro. Met andere woorden: 85% van de gezinnen bezit geen individuele aandelen en bij de 15% die er wel bezitten, bedraagt de mediaanwaarde 5.000 euro. De participatie van de gezinnen in aanvullende pensioenen en levensverzekeringen ligt met 43% een stuk hoger. Maar deze producten kennen een negatieve effectieve belastingvoet, en worden dus gesubsidieerd, als gevolg van de ruime belastingaftrek die van toepassing is.22 Wat onroerende goederen betreft bezitten volgens de ECB 69,6% van de gezinnen een eigen woning, tegenover 60,1% in het eurogebied als geheel. Dit komt overeen met andere beschikbare bronnen en toont de sterke voorkeur van Belgische gezinnen voor een eigen huis. Zo’n 16,4% van de gezinnen bezit extra vastgoed naast de eigen woning.

We zien dus duidelijk een hiërarchie in het beleggingspatroon van de Belg: eerst belegt hij in zijn huis en zijn spaarboekje, dan in een pensioen- of levensverzekering, en als er dan nog wat overblijft in een offensief beleggingsfonds, in individuele aandelen en obligaties of in een tweede eigendom. De lage participatiegraad én lage mediaanwaarde voor aandelen, obligaties en beleggingsfondsen wijst er bovendien op dat de verhoging van de roerende voorheffing door de regering-Di Rupo voor de meeste mensen van geen tel is geweest.

Naast een analyse van de participatie van de gezinnen in de verschillende beleggingstypes, laat de ECB-enquête ook toe een analyse te maken van de verdeling van het totale vermogen over de gezinnen. De verdeling van het vermogen is niet alleen ongelijker dan de verdeling van de inkomens uit arbeid, ook in internationaal opzicht is het vermogen in België ongelijker verdeeld. Financieel vermogen behoort bij de meest ongelijk verdeelde van Europa. Voor elke 1.000 euro van iemand in het laagste deciel bezit iemand in het hoogste deciel 335.000 euro. Alleen in Spanje is het verschil tussen het gemiddeld vermogen van de rijkste en de armste 10% groter. De Gini-coëfficiënt, een spreidingsmaatstaf die minder gewicht geeft aan extreme waarden, plaatst ons land op de 5de plaats, achter Frankrijk, Portugal, Slovenië en Spanje. Het onroerend vermogen is in ons land veel minder ongelijk verdeeld, wat de globale ongelijkheid dan weer mildert. Dit laatste is het belangrijkste verschil met de eerdere studie van Rademaekers en Vuchelen, waar onroerend en roerend vermogen ongeveer even ongelijk waren verdeeld.

De ECB-enquête geeft ons evenwel geen informatie over de verdeling van de inkomsten uit vermogen. We kijken dus noodgedwongen naar het buitenland. Een studie door de Franse ‘Conseil des Prélèvements Obligatoires’23 wijst uit dat terwijl de hoogste 10% fiscale inkomens 47% van de dividenden en interesten innen (noot: interessant genoeg liggen de interesten op vrijgestelde spaarboekjes hier niet ver onder), zij 97% van de gerealiseerde (fiscale) meerwaarden opstrijken. Voor vermogensinkomsten geldt dus eenzelfde hiërarchie naar de vorm waarin ze opduiken. Dat meerwaarden zo’n belangrijke inkomensbron voor de hoogste inkomens is geworden, zegt iets over hoe gesofisticeerd de moderne kapitaalmarkt is. Waar in de VS de J.P. Morgans en Rockefellers van de 19de eeuw hun inkomen op een vrij passieve manier uit rente en dividend trokken, spelen de Romneys en de Buffets van deze wereld op de beurs24, waar inkomen wordt verpakt in gesofisticeerde producten die aan de lopende band worden verkocht en doorverkocht. Als Mitt Romney Belg was, zou hij een 55% van zijn inkomen vrijgesteld zien van belasting.

Grafiek 3. Ratio financiële vermogen rijkste/armste deciel (p10/p90 ratio). (Bron: Europese Centrale Bank - ECB)

HOE EN HOEVEEL HET BEST BELASTEN?

De fiscale beleidsmakers worden geconfronteerd met een aantal uitdagingen die de beleidsmarge beperken. Zo wordt al snel gewaarschuwd voor kapitaalvlucht wanneer nog maar luidop gedacht wordt aan een belastingverhoging op vermogensinkomsten. Niet zelden komt de waarschuwing van diezelfden die beweren dat de belastingen op vermogensinkomsten reeds tot de Europese top behoren. Hoe dit alles te rijmen valt met de vaststelling dat wereldwijd slechts drie landen België voorafgaan wat financieel nettovermogen per inwoner betreft, is een raadsel. Maar feit is dat vermogensinkomen zowat de meest mobiele belastingbasis is. En landen concurreren om mobiele belastingbasissen. In de concurrentiestrijd om vermogen zijn lage tarieven onvoldoende, daarbovenop moet ook geheimhouding gegarandeerd worden. De meeste landen belasten inwoners immers op hun wereldwijde inkomen. Buitenlandse vermogensinkomsten moeten dan ook in het thuisland aangegeven worden. En dat kan je alleen in alle rust vergeten als je er zeker van bent dat niemand anders de fiscus inlicht. Die zekerheid is er lang geweest maar die tijd is voorbij. De G20 riep dit jaar de automatische uitwisseling van inlichtingen uit tot de nieuwe internationale standaard.25 Het plan van de G20 - waarvan ook een Europese versie op tafel van de Europese Raad ligt - is dat banken beginnend in 2015 alle financiële gegevens (lees: vermogensinkomsten) van buitenlandse klanten meedelen aan de fiscale administratie van het land waar de bank gevestigd is, en dat die administratie die gegevens vervolgens bezorgt aan de administratie van het land waar die klanten belastingplichtig zijn. Het onvoorstelbare succes van de fiscale regularisatie dit jaar wijst erop dat de betrokkenen geloven dat het menens is. Ook hun adviseurs zijn overtuigd. Volgens fiscaal advocaat Anton van Zantbeek is het ‘duidelijk dat volledige informatie-uitwisseling voor de deur staat. Dit ontkennen, is het zonlicht ontkennen’.26

Een tweede belangrijke uitdaging en mogelijke beperking voor de fiscale beleidsmakers is de impact van verschillende belastingen op de economie. Voor wie de fiscale druk wil herverdelen, zijn de potentieel negatieve effecten van belastingen een limiet op wat de overheid kan bereiken. Sinds de jaren 1980 maakt de idee opgang dat de kost van belastingen zeer hoog zijn, en dan vooral aan de top van de inkomensverdeling. Lastenverlagingen op vermogensinkomsten en op hoge lonen zouden zich daarom terugbetalen in de vorm van hogere groei. De magische terugverdieneffecten die Arthur Laffer aan Ronald Reagan beloofde, hebben zich niet gematerialiseerd. Maar de discussie blijft pertinent: zijn de kosten van lasten op vermogensinkomen groot, en hoe verhouden ze zich tot kosten van lasten op arbeid?

De OESO verwoordt de conventionele wijsheid27: lasten op financieel vermogen zouden de grootste negatieve effecten op groei hebben, gevolg door arbeid, consumptie en onroerend goed. Een verschuiving van de fiscaliteit richting financieel vermogen zou dus de economische groei op lange termijn beperken. Lagere belastingen op vermogensinkomsten zouden de groei op lange termijn aanzwengelen. Deze conventionele wijsheid komt steeds meer onder vuur te liggen. In de lijn met het onderzoek van Thomas Piketty en anderen28 over de economische effecten van toptarieven in de inkomstenbelasting, stelt Filip Spagnoli dat de verlaging van het toptarief in de meerwaardebelasting - een stokpaardje van Reaganomics - niet de verhoopte positieve effecten heeft gehad.29 De studiedienst van het Amerikaanse Congres (CRS) kwam recent tot dezelfde conclusie na een grondige analyse van de periode 1945-2010. Het CRS stelt dat de belastingverlagingen niet gecorreleerd blijken te zijn met investeringen en productiviteitsgroei en dat er geen verband is tussen de hoogte van de belastingtarieven en de economische groei.30

Het is Warren Buffet zelf niet ontgaan: ‘Ik heb zestig jaar met investeerders samengewerkt en ik ben niemand tegengekomen die afziet van een serieuze investering wegens de belastingvoet op de potentiële winst. Mensen investeren om geld te verdienen, en potentiële belastingen schrikken hen niet af.’ Hij wees er ook op dat er in de VS tussen 1980 en 2000 veertig miljoen banen bijkwamen. ‘En je weet wat er daarna gebeurd is: lagere belastingvoeten en nog veel lagere banengroei’.31

Maar ook in de groeitheorie beweegt wat. Aghion en Cagé32 vinden dat in landen waar de overheid slecht werkt, gemeten naar een internationale corruptie-index, de hoogste marginale belastingvoet op vermogen inderdaad een negatief effect heeft op groei. In landen waar de overheid goed presteert, is er echter geen negatief verband. Over het relatief belang van arbeid en vermogen voor groei is de theorie dubbelzinnig33: beide hebben een positieve bijdrage te leveren aan innovatie, dus vanuit theoretisch oogpunt is er dan ook geen reden waarom vermogen of arbeid bevoordeeld zou worden.

Vanuit optimale belastingtheorie is er dan ook geen reden om de ene factor te bevoordelen tegenover de andere. Integendeel, de literatuur leverde de afgelopen jaren de ene reden na de andere waarom het uitbalanceren van lasten op vermogen en arbeid de economie kan helpen. Zo ontmoedigen lasten op arbeid investeringen in onderwijs. Herverdelen van de druk in de richting van fysiek kapitaal zal daarom investeringen in menselijk kapitaal aanmoedigen. Ook zullen belastingen op vermogen falen in kapitaal- en verzekeringsmarkten aanpakken, bijvoorbeeld door te herverdelen van mensen die al hebben, naar mensen die niet kunnen lenen om hun projecten waar te maken.

Hoe vermogensinkomsten belasten is een ander heet hangijzer. Hoewel de praktijk, ook in België, er is om kapitaal aan vlakke tarieven te belasten zijn er uitzonderingen. Vooral in de Angelsaksische wereld, maar ook in Denemarken, bestaat er progressiviteit in diverse vormen. Ook in de theoretische literatuur is er geen brede consensus. Sommigen zijn zeer stellig in hun afwijzen van progressiviteit, anderen kiezen dan weer radicaal voor de andere optie: volledige globalisering. Een gezaghebbend artikel in Mirrlees Review34 stelt voorzichtig dat er vanuit economisch standpunt geen reden is om een van beide radicale oplossingen te verkiezen. Wel zeggen de auteurs dat er goede redenen kunnen zijn om progressiviteit te verkiezen, als sommige mensen om diverse redenen in staat zijn hogere rendementen te halen dan anderen. Het Amerikaans systeem, waarbij er een verband is tussen de marginale tarieven op arbeid en vermogen, zou volgens hun intuïtie dicht bij het ‘juiste’ systeem aanleunen.

CONCLUSIE

In deze bijdrage hebben we getracht een discussiekader te schetsen voor het debat over de herverdeling van de belastingdruk: minder op arbeidsinkomen en meer op vermogensinkomen. We argumenteren dat het in de eerste plaats een zaak is van gelijke behandeling: zelfde inkomen, zelfde belasting. De vaststelling is dat België wat vermogensinkomsten betreft het meest fiscaal voordelige OESO-land blijkt te zijn. Dat staat in schril contrast met de internationale ranking inzake belasting op arbeid. Het totale nettovermogen van de Belgen blijkt zeer omvangrijk. Uitgaande van een verondersteld rendement van 3% op dat vermogen en een veronderstelde belastingvoet van 25%, komen we op een theoretische belastingopbrengst van 14 miljard euro. Met dergelijke orde van grootte is een significante belastingverschuiving mogelijk. Bovendien wijst de lage participatiegraad in en de zeer ongelijke verdeling van het financieel vermogen er volgens ons op dat zo’n belastingverschuiving voordelig is voor de lage- en middeninkomens. Verder merken we op dat het risico op kapitaalvlucht beperkt wordt door de recente internationale ontwikkelingen en dat hogere belastingtarieven op vermogensinkomsten geen negatieve impact op de economische groei blijken te hebben. Integendeel, we argumenteren dat het uitbalanceren van belastingen op vermogen en arbeid de economie net vooruit kunnen helpen. De beleidsmarge om te verschuiven is er. We geloven dat het kan zonder de factuur toch weer terug te sturen naar het modale gezin. Dan rest alleen nog politieke wil.

Inti Ghysels
Kabinet John Crombez
Alex Van Steenbergen
Studiedienst sp.a

Noten
1/ Voor de bepaling van iemands financiële draagkracht is, wat ons betreft, niet enkel het inkomen van belang - ongeacht de bron van dat inkomen - maar ook het bestedingspatroon, het vermogensbezit en de persoonlijke situatie van de belastingplichtige zoals het aantal personen ten laste.
2/ Hoge Raad van Financiën (2007), ‘Belasting op arbeid, werkgelegenheid en concurrentievermogen’, augustus 2007.
3/ Noels, G. (2010), ‘België als belastingmuseum’, www.trends.be, 17/12/2010.
4/ Parl. St. Kamer 2011-2012, nr. 53-2343/003, p. 6.
5/ Nuttin, M. (2013), ‘Arbeid, Kapitaal en Consumptie worden al te zwaar belast om belastingen te verschuiven’, www.trends.be, 30/08/2013.
6/ Parl. St. Kamer 2011-2012, nr. 53-2343/003, p. 6.
7/ Nautet, M., Van Cauter, K., Van Meensel, L. (2010), ‘Tendensen inzake belastingen op de activa van de particulieren’, Economisch Tijdschrift, December 2010, NBB.
8/ Itinera Institute (2012), Analyse Vennootschapsbelasting.
9/ OECD (2013), ‘Taxing Wages 2013’, OECD Publishing.
10/ Harding, M. (2013), ‘Taxation of Dividend, Interest and Capital Gain Income’, OECD Taxation Working Papers, forthcoming.
11/ Er wordt wel eens beweerd dat dividenden zo dubbel belast worden, al is een ‘belasting in twee stappen’ beter geschikt als omschrijving.
12/ Zoals gezegd is het veronderstelde rendement relevant voor de maximale gecombineerde belastingdruk in België voor dividenden. Zelfs als we een ‘rate of return’ van 10% veronderstellen, die aanleiding geeft tot een gecombineerde belastingdruk voor de aandeelhouder (in geval van dividenduitkering) van 41%, komen we uit op het OESO-gemiddelde en blijven we onder het tarief van Luxemburg.
13/ In macro-economische zin zouden we kunnen zeggen dat het effectief tarief op intresten van gereglementeerde spaarboekjes geen 15% maar 1,5% bedraagt.
14/ Eigen opmaak op basis van de gegevens in Harding, M. (2013).
15/ Høj, J. (2009), ‘How to Reform the Belgian Tax System to Enhance Economic Growth’, OECD Economics Department Working Papers, No. 741.
16/ NBB (2013), ‘Verslag 2012’.
17/ Crédit Suisse (2013), ‘Global Wealth Report’.
18/ Allianz (2012), ‘Global Wealth Report’.
19/ Piketty, T. (2011), ‘On The Long Run Evolution of Inheritance: France 1820-2050’, The Quarterly Journal of Economics, 126(3).
20/ Rademaekers, K. en Vuchelen, J. (1999), ‘De verdeling van het Belgische gezinsvermogen’, Extraits de Cahiers Economiques de Bruxelles, n° 164.
21/ Du Caju, Ph. (2013), ‘Structuur en verdeling van het gezinsvermogen: een analyse op basis van de HFCS’, Economisch Tijdschrift, september 2013, NBB.
22/ Nautet, M., Van Cauter, K., Van Meensel, L. (2010), ‘Tendensen inzake belastingen op de activa van de particulieren’, Economisch Tijdschrift, December 2010, NBB.
23/ - (2011), Prélèvements Obligatoires sur les Ménages: Progressivité et Effets Redistributifs, Conseil des Prélèvements Obligatoires.
24/ Voor de cijfers: Saez, E. & Atkinson, T. (2011), ‘Top Incomes in the Long Run of History´, Journal of Economics Literature, 49(1).
25/ G20 Leaders, (2013), ‘Tax Annex to the Saint Petersburg G20 Leaders Declaration’.
26/ Van Zantbeek, A. (2013), ‘Zwitserland vult Belgische staatskas’, www.moneytalk.be, 19/06/2013.
27/ OESO (2010), ‘Tax Policy Reform and Economic Growth’, OECD Tax Policy Studies No. 20.
28/ Piketty, T., Saez, E. en Stantcheva, S. (2011), ‘Optimal Taxation of Top Labor Incomes: A Tale of Three Elasticities’, NBER Working Paper No. 17616.
29/ Spagnoli, F. (2012), ‘There’s No There There: Low Tax Rates and Economic Growth’, working paper.
30/ Hungerford, T. (2012), ‘Taxes and the Economy: An Economic Analysis of the Top Tax Rates Since 1945’, Congressional Research Service Report for Congress, September 14, 2012.
31/ De Morgen online, ‘Buffet vraagt Congres taksen voor miljonairs te verhogen’, 15/8/2011.
32/ Aghion, P. en Cagé, J. (2012), ‘Rethinking Growth and the State’, in: ‘Ascent After decline’, Canuto, O. en Leipziger, D. (eds.), Wereldbank.
33/ Aghion, P., Akcigit, U. en Fernandez-Villaverde, J. (2013), ‘Optimal Capital Versus Labor Taxation with Innovation-Led Growth’, NBER Working Paper No. 19086.
34/ Banks and Diamond (2008), ‘The Base for Direct Taxation’, hoofdstuk 6 in: The Mirrlees Review: Dimensions of Tax Design, Institute for Fiscal Studies, London.

vermogensbelasting - fiscaliteit - belastingstelsel

Samenleving & Politiek, Jaargang 20, 2013, nr. 9 (november), pagina 12 tot 23