Abonneer Log in

Samen voor ons eigen

SOLIDARITEIT ONDER DRUK?

Samenleving & Politiek, Jaargang 20, 2013, nr. 10 (december), pagina 51 tot 58

In Vlaanderen stijgen de kinderarmoedecijfers, terwijl Vlaanderen-in-Actie (ViA) ambieert om de kinderarmoede te halveren tegen 2020. We stellen in dit artikel de cijfers nog eens scherp en verkennen de sporen voor een sterkere herverdeling die op een structurele manier de armoede uit Vlaanderen moet verbannen. Zoals zo vaak, gaat het in eerste instantie over het beter gebruik van bestaande instrumenten met veel potentieel. We sluiten af met een glimp op het maatschappelijke draagvlak voor structurele armoedebestrijding. We bouwen dit korte verhaal op met inzichten uit ons nieuwe Jaarboek Armoede en Sociale Uitsluiting 2013. U weet bij deze waarheen voor meer.

SOLIDARITEIT ONDER DRUK?

Armoede bestrijden: de oplossing ligt bij de mensen zelf?
Frederic Vanhauwaert
De verzorgingsstaat: stevig en gegeerd, maar kwetsbaar
Paul Callewaert, Evelyne Hens en Mark Elchardus
Samen voor ons eigen
Jill Coene en Danielle Dierckx
De nieuwe beroepsziektes
Paul Verhaeghe

De luxe van deze tijd is dat analisten van allerlei allooi - vanuit praktijk, onderzoek en beleid - voorstellen presenteren om armoede structureel te bestrijden. Aan intenties om armoede te bestrijden, ontbreekt het evenmin. De Europese Unie wil dat 20 miljoen minder mensen in 2020 in armoede leven (EU2020-strategie). De federale overheid neemt er daarvan 380.000 op zich (federaal armoedeplan). De Vlaamse overheid zou dat aantal op zich al ruimschoots halen als ze erin slaagt om haar Pact 2020-doelstelling over armoede te halen, namelijk dat tegen 2020 niemand in Vlaanderen meer moet leven met een inkomen onder de Europese armoederisicogrens.

De armoedecijfers tonen voorlopig nog geen vooruitgang. We kunnen ons bovendien niet van de indruk ontdoen dat in vele beleidsplannen rond de hete brij wordt gefietst. Problemen zijn ontrafeld, oplossingen gekend, alleen de belangenstrijd moet nog worden gestreden. De argumenten ter verantwoording van het gebrek aan vooruitgang zijn divers. Een beperkt beschikbaar budget en besparingen in crisistijden zijn legio. Maar ook het discours over de voorwaardelijkheid van sociale steun gooit roet in het eten. Het beheersen van de Nederlandse taal is in Vlaanderen de meest geëxpliciteerde voorwaarde, die in verschillende domeinen geldt (o.a. bij activering of op de sociale huurmarkt).

We bekijken in dit artikel de recente evoluties in de problematiek, enkele van de beschikbare strategieën om armoede structureel te bestrijden en het maatschappelijk draagvlak voor deze hervormingen.

HARDNEKKIGE ARMOEDECIJFERS

In het Jaarboek Armoede en Sociale Uitsluiting 2013 wijzen we telkens op de nieuwe evoluties in de problematiek. Zelden tot nooit is dat een goednieuwsshow. De algemene armoedecijfers blijven quasi onveranderd: 15,3% Belgen leefde in 2010 in armoede (dat wil zeggen: moest rondkomen met een beschikbaar equivalent huishoudinkomen lager dan 60% van het mediane equivalent beschikbaar inkomen; voor een alleenstaande is dat €1.000). Kinderen, 65-plussers, eenoudergezinnen, alleenstaanden, laaggeschoolden, werklozen, andere inactieven en huurders lopen het hoogste risico op armoede (ADSEI, 2013). Hoewel de armoede in ons land grotendeels stabiel bleef doorheen de jaren, nam de kinderarmoede significant toe van 15,3% in 2005 naar 18,7% in 2010 (Vandenbroucke, 2013). Dit is vooral te wijten aan een toename van de armoederisico’s in gezinnen met een werkintensiteit lager dan 85%. Een andere verklaring moet wellicht gezocht worden in migratie: de groep kinderen uit migratie groeit. Personen van vreemde herkomst hebben een hoger armoederisico en meer van deze gezinnen met kinderen zijn werkarm. Ook in werkrijke gezinnen van vreemde herkomst ligt het armoederisico hoger (Vandenbroucke en Vinck, 2013).

In onze analyses zoeken we naar wat er zich achter die algemene cijfers afspeelt. We stellen ons bijvoorbeeld de vraag of het altijd dezelfde mensen zijn die al die tijd in armoede leven. Een manier om dat na te gaan is om armoede over een langere periode te beschouwen. Tussen 2006 en 2009 was 27,8% van de Belgen arm. 15,4% daarvan was gedurende 1 of 2 jaar arm. 12,4% was gedurende drie of vier jaar arm. Kijken we naar de duur van armoede over een periode van vier jaar, dan blijkt dus dat de meerderheid vrij snel terug overeind krabbelt. Maar ook hier zijn weer verschillen merkbaar tussen categorieën. Laaggeschoolden, werklozen en personen die huishoudelijke of verzorgende taken opnemen2 blijken kwetsbaar: zij hebben een groter risico om in armoede te belanden, maar een lagere kans om er uit te geraken dan hooggeschoolden, studenten en werknemers (Van Haarlem, Coene & Thévenot, 2013).

Armoede kennen we als een multidimensioneel probleem dat niet enkel over inkomen gaat. Al in de jaren 1970 bepleitte het armoedebestrijdende middenveld dit inzicht; ongeveer een decennium later krijgt het ingang in het beleidsdiscours (Dierckx, 2007). 10% van de Belgen was in 2010 op verschillende fronten gedepriveerd en gemiddeld scoorden zij op 5 indicatoren slecht (Van Haarlem & Raeymaeckers, 2013). De vaakst voorkomende problemen zijn het gevoel hebben de eindjes niet aan elkaar te kunnen knopen, zich geen grote aankopen kunnen permitteren, inkomensarmoede en wonen in een woning van slechte staat. We nuanceren de armoedecijfers ook naar de specifieke groep van personen met een handicap. Zij hebben doorgaans een lager inkomen, maar hebben tegelijkertijd bijkomende kosten, waardoor hun levensstandaard lager is dan die van andere personen. 39,3% van de gerechtigden op een inkomensvervangende of integratietegemoetkoming leeft in armoede en 29,6% is ernstig materieel gedepriveerd (Vermeulen en Hermans, 2013).

Recente onderzoeksresultaten bevestigen dat voor sommige mensen kansen tot ontwikkeling en een minimale levensstandaard worden beknot. Hoewel het onderwijs wordt aangeprezen als een meritocratisch systeem, blijkt al jaren dat het voor sommige leerlingen minder rendeert. Zelfs bij de overgang van het basisonderwijs naar het secundair onderwijs speelt de sociale achtergrond van leerlingen, ongeacht hun prestaties, een rol in de studiekeuze, met een negatieve invloed op de verdere onderwijscarrière van de kinderen uit arbeidersklasse- en lagere middenklassengezinnen (Boone & Van Houtte, 2013). De arbeidsmarkt blijft ook minder toegankelijk voor allerhande kansengroepen, zoals laaggeschoolden, jongeren, personen met een handicap en allochtonen. Hun werkloosheidsgraad varieert tussen 7,1% (laaggeschoolden) en 24,6% (personen met een niet-EU nationaliteit), terwijl het gemiddelde in Vlaanderen op 4,6% ligt (Coene, 2013). Ons Belgisch gezondheidszorgsysteem gooit hoge ogen op het vlak van patiënttevredenheid, maar objectieve parameters over de kwaliteit en toegankelijkheid van de zorg zijn minder rooskleurig (Vrijens e.a., 2013). Ondanks de bestaande systemen om de financiële toegankelijkheid van de gezondheidszorg te verbeteren, stelt 14% van de Belgen medische zorgen uit omwille van financiële redenen (Schokkaert & Van de Voorde, 2013). Ook de toegang tot maatschappelijke hulpverlening wordt belemmerd door verschillende drempels, niet in het minst voor personen van vreemde herkomst. Voor hen zijn de drempels vaak nog hoger omwille van taboe of taalbarrières (Dierckx & Van Dam, 2013). Ongelijkheid uit zich ook op de woningmarkt. Eind 2012 stonden 107.308 kandidaat-huurders op de wachtlijst van de sociale huisvesting, met een gemiddelde wachttijd van 970 dagen. Het gaat om mensen die het heel moeilijk redden op de private huurmarkt (VMSW, 2013).

HERVERDELING LIGT VOOR DE HAND

Herverdeling is de sleutel tot structurele, duurzame armoedebestrijding. Ons belastingsysteem en de sociale zekerheid hebben op dat vlak al vele diensten bewezen. Het Belgische belastingsysteem is progressief en een van de meest herverdelende van Europa (Decoster, 2009). Vergelijkt men het bruto-inkomen (marktinkomen en publieke pensioenen, zonder andere sociale uitkeringen en belastingen) voor en na sociale transfers in cash (werkloosheidsuitkering, uitkering voor ziekte of handicap en eventuele toeslagen voor kinderen, school, huisvesting), dan blijkt dat de inkomensongelijkheid afneemt. Na inhouding van belastingen en werknemersbijdragen voor de sociale zekerheid daalt de ongelijkheid verder. Zo lieten de belastingen en sociale zekerheid de inkomensongelijkheid in de periode 2003-2010 dalen met gemiddeld 25% (Federaal planbureau, 2013). Ook het armoederisico ligt lager dankzij de sociale zekerheid. Zonder sociale transfers en pensioenen zou het armoederisico in ons land niet 15,3%, maar 42% bedragen (ADSEI, 2013).

De sociale zekerheid is dus een enorme transfermachine, maar we stellen vast dat haar armoedereducerende capaciteit doorheen de jaren afnam. De armoede bij werkarme gezinnen nam toe, terwijl de doelmatigheid van vervangingsinkomens voor uitkeringstrekkers op actieve leeftijd afnam (Cantillon & Van Mechelen, 2013). Kinderbijslagen volstaan niet om de minimumkosten die gepaard gaan met het opvoeden van kinderen te dekken en boetten sinds 1992 in aan welvaart (Cantillon e.a., 2013). De sociale minima volstaan niet om het hoofd boven water te houden. Het leefloon en de meeste andere sociale uitkeringen liggen nog altijd onder de armoedegrens. Ter illustratie: het leefloon van een alleenstaande bedraagt € 817,36, of € 182,64 te weinig om de armoedegrens te bereiken. Er hapert dus genoeg aan onze welvaartsstaat om verbeteringen door te voeren. Vlaanderen krijgt met de zesde staatshervorming alvast drie bevoegdheden in handen waarin herverdelende keuzes kunnen worden gemaakt. Op het vlak van inkomensherverdeling springen twee bevoegdheden in het oog: de kinderbijslag en de woonbonus. Een derde hervorming, de uitbreiding van de arbeidsmarktbevoegdheden, kan worden aangewend om versterkt in te zetten op herverdeling van jobkansen (hierover weiden we in dit artikel niet verder uit). Het is nu het moment om het maatschappelijke en politieke debat te voeren, om vanaf half 2014 de herverdeling op koerssnelheid te brengen. Welke inzichten kunnen daarbij nuttig zijn?

Kinderbijslag

Het kinderbijslagsysteem is nu zo georganiseerd dat de bedragen vrij universeel zijn: ieder kind heeft recht op een basisbedrag, dat wordt verhoogd naargelang de leeftijd van het kind, zijn rang in het gezin en het voorkomen van een handicap. Voor bepaalde lage inkomensgroepen bestaan sociale toeslagen. Deze blijken terecht te komen bij wie ze nodig heeft, maar zijn beperkt in omvang. De kinderbijslag en fiscale voordelen voor gezinnen met kinderen ten laste slagen er vrij goed in om kinderarmoede terug te dringen, maar voorkomen niet dat voornamelijk eenoudergezinnen en grote gezinnen nog steeds een hoog armoederisico laten optekenen (Cantillon e.a., 2013). Om de bescherming door de kinderbijslag te verhogen, zouden ten eerste de bedragen welvaartsvast moeten worden gemaakt. Daarnaast dringt een herdenking van de bedragen zich op. Een microsimulatie toont aan dat het grootste armoedereducerende effect wordt bereikt wanneer de kinderbijslag volledig selectief zou worden ingezet, voor die gezinnen met een inkomen dat lager ligt dan de inkomensgrens voor het OMNIO-statuut (Van Lancker en Coene, 2013). De kinderarmoede zou dalen van 11,2% naar 6,6%. Dergelijk scenario lijdt onder de kritiek dat het het risico inhoudt minder legitimiteit bij de brede bevolking te genieten, omdat het een volledig selectief systeem is. In functie van meer garanties op draagvlak zou een middenweg kunnen zijn om de selectiviteit van de kinderbijslag te verhogen door het basisbedrag voor iedereen te verlagen en de sociale toeslagen op te trekken. Dergelijk scenario zou ook een gunstige uitwerking hebben op de kinderarmoede en armoede bij gezinnen met kinderen, terwijl het tegelijkertijd kan steunen op een breder draagvlak.

Woonbeleid

Ook op het vlak van wonen doen zich opportuniteiten voor. Het huidige woonbeleid stimuleert eigenaarschap, maar laat private huurders nagenoeg in de kou staan. Het aandeel begunstigden van fiscale voordelen voor eigenaars stijgt met het inkomen en het percentage van dit voordeel in het beschikbaar huishoudinkomen is het hoogst voor de op een na rijkste inkomensgroep (Verbist & Vanhille, 2013). Voor de laagste inkomens bestaat sociale huisvesting, waarvan het aanbod niet omvangrijk genoeg is om de vele kandidaat-huurders op te vangen. Een huursubsidie zou soelaas kunnen brengen voor private huurders. Een huursubsidie die aan de bovenkant begrensd is door de werkelijk betaalde huurprijs, met een maximum van € 520 per maand plus € 36,4 per persoon ten laste, zou volgens Verbist & Vanhille (2013) gefinancierd kunnen worden door de belastingsvoordelen voor eigenaars met 12% te verminderen. 43% van de eigenaars zou door dergelijke maatregel verliezen, maar het verlies zou beperkt blijven tot 0,4% van hun beschikbaar huishoudinkomen. Daarentegen zou 17% van de private huurders winnen; het aandeel van de huursubsidie in hun beschikbaar inkomen zou 24,8% bedragen en vooral de laagste inkomens zouden erbij gebaat zijn. Het armoederisico van private huurders zou er lichtjes op verbeteren, maar vooral de kloof tussen hun inkomen en de armoedegrens zou worden gedicht. Voor eigenaars veroorzaakt dergelijke ingreep een te verwaarlozen stijging van het armoederisico, terwijl hun armoedekloof gelijk zou blijven.

Andere maatregelen

Andere maatregelen voor meer herverdeling zijn talrijk. Het kan gaan over het afschaffen van de notionele intrestaftrek of het invoeren van een vermogensbelasting. Jobkansen kunnen worden herverdeeld door arbeidsduurvermindering. Dat vergemakkelijkt ook de combinatie werk-gezin. Een Europees minimumloon zou ook de toegang tot werkgelegenheid kunnen herverdelen, aangezien lidstaten niet meer hoeven te concurreren voor de laagste lonen. De toegang tot zorg kan worden herverdeeld door nog meer in te zetten op de betaalbaarheid voor lage inkomensgezinnen. De inkomensongelijkheid bij ouderen (los van woningbezit en andere vermogensbronnen) kan worden aangepakt met een onvoorwaardelijk sociaal pensioen dat minstens even hoog is als de armoedegrens en dat is losgekoppeld van de voorafgaande beroepssituatie (Vandeninden, 2012). Van een vergelijkbare orde, maar met impact op een omvangrijkere bevolkingsgroep, is het basisinkomen. Dit onvoorwaardelijke inkomen voor iedereen, ongeacht het inkomen en zonder dat er een tegenprestatie voor wordt verwacht, wordt in verschillende Europese landen bediscussieerd, misschien wel het luidst in Zwitserland (Vanderborght, 2013). Ondanks mogelijke bezwaren (leidt het basisinkomen er niet toe dat sommigen freeriden? Lokt het geen aanzuigeffect van migratie uit? Ontneemt het niet de stimulans om verder te studeren?) zou dergelijk basisinkomen kunnen dienen als subsidie voor laagbetaald werk en zou het geen werkloosheidsval veroorzaken. Het zou het mogelijk maken om precaire jobs te weigeren, maar zich tegelijk in te zetten voor maatschappelijk relevante activiteiten zoals zorg, vrijwilligerswerk of het opvoeden van kinderen. Hoewel dit op het eerste zicht irreëel klinkend idee vaak onthaald wordt met enige terughoudendheid, gaan her en der stemmen op om een basisinkomen ter hoogte van de armoedegrens in te voeren (Basic Income European Citizens’ Initiative, 2013). De financiering van dergelijk plan is wat anders; momenteel lijkt er nog niet direct een pasklaar antwoord te bestaan en lijkt enkel een laag basisinkomen een betaalbare kaart. Dat neemt niet weg dat dromen van dergelijke modellen doet nadenken over wenselijke ingrepen om herverdeling na te streven en armoede structureel aan te pakken.

SOLIDARITEIT EN HET DRAAGVLAK VOOR HERVERDELING

Vlaanderen kan op dit scharniermoment kiezen om via een sterkere herverdeling haar ambitie om een topregio in de wereld te worden ook op sociaal vlak waar te maken. Tegen 2020 elk gezin een inkomen geven tot aan minimum de armoederisicogrens, kan door inkomens op te trekken en/of kosten te verlagen. De keuzes die beleidsverantwoordelijken en politieke partijen maken, hebben sterke ideologische wortels, maar worden ook beïnvloed door het soms ongrijpbare en ondefinieerbare maatschappelijke draagvlak. Uit peilingen, vroegere verkiezingsuitslagen en discussies in de media, worden conclusies afgeleid over het draagvlak voor de welvaartsstaat (Dierckx & Ghys, 2013). Welke elementen komen daarbij aan bod? Binnen ettelijke jaren zal de vergrijzing veel middelen vereisen voor pensioenen en ouderenzorg. De actieve generatie zou niet meer bereid zijn om de kosten daarvoor te dragen. Migratie stelt de welvaartsstaat verder op de proef: hoe lang moeten migranten in België verblijven alvorens ze worden beschouwd als burgers met rechten op dezelfde voorzieningen als de rest van de samenleving? Personen van vreemde herkomst hebben te kampen met uitsluiting van onderwijs en arbeidsmarkt en zouden daarom buitenproportioneel beroep doen op onze sociale zekerheid. De welvaartsstaat wordt met de vinger gewezen, want ze zou mensen aanzetten om zich te wentelen in luiheid en profiteurgedrag in de hand werken. Mensen moeten worden geactiveerd, de uitkering van langdurig werklozen wordt afgebouwd als trigger om sneller uit de afhankelijkheidsrelatie met de sociale zekerheid te stappen. Langdurig werklozen en leefloners zouden vrijwilligerswerk moeten verrichten. De sluier van onwetendheid gaat niet langer op. Risico’s zijn niet gelijk gespreid over de bevolking, zo weet men van laaggeschoolden dat ze wellicht meer dan anderen zullen terugvallen op werkloosheid en dat ze hogere gezondheidskosten hebben. Wie hooggeschoold, gezond en/of actief is op de arbeidsmarkt, zou wel eens minder geneigd kunnen zijn om borg te staan voor anderen. De welvaartsstaat organiseert solidariteit bovendien via een bureaucratisch apparaat, waarbij de ander anoniem blijft. Er is geen rechtstreekse band tussen gever en ontvanger. Dat creëert een zekere afstandelijkheid.

Het argument van een tanend draagvlak waarmee sommigen een sterkere herverdeling afremmen, berust slechts op perceptie. Eerder in dit blad beargumenteerden Meuleman, Reeskens en van Oorschot (oktober 2011, nr.8) dat er in het maatschappelijk debat en de media te veel aandacht uitgaat naar de negatieve consequenties van de sociale zekerheid, terwijl positieve gevolgen onderbelicht blijven. Uit een enquête van het Instituut voor Sociaal en Politiek Opinie-onderzoek eind 2010-begin 2011 blijkt dat 69,8% van de Vlamingen vindt dat de verzorgingsstaat het beste systeem is om het welzijn van iedereen te garanderen (Meuleman & van Oorschot, 2013). Drie zaken vallen daarbij op:
Ten eerste streeft de Vlaming gelijkheid na. 73,2% is het eens met de stelling dat de klassenverschillen kleiner zouden moeten zijn dan nu; 66,7% is het oneens met de stelling dat de verschillen tussen hoge en lage inkomens moeten blijven zoals ze zijn; en 56,9% vindt dat de overheid moet ingrijpen om de inkomensverschillen te verkleinen. Op twintig jaar tijd is dit gelijkheidsstreven weinig geëvolueerd: anno 2010 lag het gelijkheidsstreven iets lager dan in 1991, maar het gaat slechts om een beperkte daling.
Ten tweede blijken Vlamingen verdeeld te zijn over de rol die voor de overheid is weggelegd om zich te bemoeien met het bedrijfsleven of om de welvaart te herverdelen. Nochtans is een grote meerderheid (70,2%) het oneens met de stelling dat de taken van de verzorgingsstaat dan beter aan de vrije markt worden overgelaten.
Ten derde is de kritiek op de welvaartsstaat beperkt. Hoewel 33,5% vindt dat de verzorgingsstaat te veel kost in vergelijking met wat ze oplevert, is een iets grotere groep (37,1%) van het tegendeel overtuigd en heeft nog eens een derde geen mening. 27,6% is het eens met de stelling dat de verzorgingsstaat ervoor zorgt dat mensen onverantwoordelijk en lui worden, maar 44,2% is het daarmee oneens. Bovendien is de meerderheid van de bevolking bereid om bij te dragen aan ons welvaartsstelsel. In dit nummer van Samenleving en politiek zal Mark Elchardus deze cijfers bevestigen.

Kortom, de vaststellingen wijzen erop dat een groot deel van de bevolking belang heeft bij het voortbestaan van onze welvaartsstaat. Pessimisme over een tanend draagvlak is dus niet direct aan de orde. Dat neemt niet weg dat burgers bereid zijn om met iedereen te delen: solidariteit wordt afgetoetst naargelang de hulpwaardigheid van een bepaalde groep. Sociaal beleid dat zich richt op groepen die in de ogen van het publiek meer hulpwaardig of ‘deserving’ zijn, kan steunen op een groter draagvlak dan een beleid dat zich richt op minder ‘deserving’ groepen (Dierckx, 2007; van Oorschot, 2013). Men beoordeelt de hulpwaardigheid van groepen aan de hand van een aantal criteria. Zo is men meer bereid om te delen met personen die geen eigen schuld aan hun situatie hebben, die gelijkenissen vertonen met de eigen groep, die behoeftig zijn, van wie men in het verleden steun kreeg of van wie men verwacht in de toekomst steun te krijgen. Om die reden beschouwt men in ons land ouderen als meest ‘deserving’, gevolgd door zieken en arbeidsgehandicapten. Werklozen worden minder ‘deserving’ beschouwd en migranten sluiten het rijtje af (van Oorschot, 2013). Een aanvulling hierbij is de door sommigen voorgestelde inperking van de solidariteitscirkel. Dergelijke redenering zou het draagvlak voor herverdeling onder druk kunnen zetten (ook al omdat minder middelen gegenereerd worden), maar laat het duidelijk zijn dat dit voorlopig niet aan de orde is.

Danielle Dierckx
Universiteit Antwerpen, Centrum OASeS, professor

Jill Coene
Universiteit Antwerpen, Centrum OASeS, onderzoekster

Noten
1/ 'Samen voor ons eigen', uit het lied 'De populaire partijpotpourri’ van Van Kooten & De Bie (1981).
2/ Het gaat hier om een zelfgedefinieerde economische status.

Referenties
- ADSEI (2013). Statistieken, via http://statbel.fgov.be/nl/statistieken/cijfers/.
- Basic Income European Citizens’ Initiative (2013). Europees Burgerinitiatief inzake het Onvoorwaardelijk Basisinkomen, via http://basicincome2013.eu/ubi/nl/.
- Boone, S., Van Houtte, M. (2013). De overgang van basis- naar secundair onderwijs: een bron van bijkomende onderwijsongelijkheden?, In: Dierckx, D., Coene, J., Van Haarlem, A., Raeymaeckers, P. (2013). Armoede en Sociale Uitsluiting, Jaarboek 2013, Leuven/Den Haag: Acco.
- Cantillon, B., Van Lancker, W., Goedemé, T., Verbist, G., Salanauskaite, L., De Maesschalck, V., Van Mechelen, N. (2013). Bouwen aan een nieuwe toekomst voor de kinderbijslagen: een must voor al wie het ernstig neemt met armoedebestrijding, CSB Berichten, Antwerpen, Centrum voor Sociaal Beleid Herman Deleeck.
- Cantillon, B., Van Mechelen, N. (2013). Armoedebestrijding en sociale zekerheid: barsten in een beleidsparadigma, In: Dierckx, D., e.a. (2013). ut supra.
- Coene, J. (2013). Is er ruimte voor kansengroepen op de arbeidsmarkt?, In: Dierckx, e.a. (2013). ut supra.
- Debusscher, M., Elchardus, M. (2003). Het draagvlak van de solidariteit: Deelrapport 4: De steun voor de sociale zekerheid. Brussel: Vrije Universiteit Brussel.
- Decoster, A. (2009). Zijn onze belastingen (nog) progressief?, In: Vranken, J., Campaert, G., Dierckx, D. & van Haarlem, A. (2009). Armoede en Sociale Uitsluiting, Jaarboek 2009, Leuven/Den Haag: Acco.
- Dierckx, D. (2007). Tussen armoedebeleid en beleidsarmoede. Een retrospectieve en interventiegerichte analyse van de Vlaamse beleidspraktijk. Leuven: Acco.
- Dierckx, D., Ghys, T. (2013). Solidariteit en herverdeling in structurele armoedebestrijding, In: Dierckx, D., e.a. (2013). ut supra.
- Dierckx, D., Van Dam, S. (2013). ‘Thouiza’ voorbij. Over hulpvraagtrajecten van personen van buitenlandse herkomst in armoede, In: Dierckx, D., e.a. (2013). ut supra.
- Federaal Planbureau (2013). Short term update 1-13. Quarterly Newsletter March 2013.
- Meuleman, B., Reeskens, T., van Oorschot, W. (2011). De legitimiteit van de welvaartsstaat onder de loep, in: Samenleving en politiek, jg. 18/nr.8, oktober 2011.
- Meuleman, B., van Oorschot, W. (2013). De legitimiteit van de welvaartsstaat op een hellend vlak? Kritische bedenkingen bij het draagvlak-denken, In: Dierckx, D., e.a. (2013). ut supra.
- Schokkaert, E., Van de Voorde, C. (2013). Is het Belgische gezondheidssysteem billijk?, In: Dierckx, D., e.a. (2013). ut supra.
- Vandenbroucke, F. (2013). Bestaansonzekerheid bij kinderen: vaststellingen en uitdagingen, In: Dierckx, D., e.a. (2013). ut supra.
- Vandeninden, F. (2012). Pensioenen en armoede in België: de sociale pensioenen, In: Vranken, J., Lahaye, W., Geerts, A., Coppé, C., Armoede in België, Jaarboek 2012, Leuven/Den Haag: Acco.
- Vanderborght, Y. (2013). Basisinkomen, sociale rechtvaardigheid en armoede, In: Dierckx, D., e.a. (2013). ut supra.
- Van Haarlem, A., Coene, J., Thévenot, C. (2013). Armoede vanuit een dynamisch perspectief, In: Dierckx, D., e.a. (2013). ut supra.
- Van Haarlem, A., Raeymaeckers, P. (2013). Multidimensionele armoede in Europa, In: Dierckx, D., e.a. (2013). ut supra.
- Van Lancker, W., Coene, J. (2013). De impact van de kinderbijslag voor gezinnen in armoede, In: Dierckx, D., e.a. (2013). ut supra.
- van Oorschot, W. (2013). Het eigenbelang van de middenklasse als basis voor solidaire herverdeling, In: Dierckx, D., e.a. (2013). ut supra.
- Verbist, G., Vanhille, J. (2013). Tussen huursubsidies en woonbonus: een verdelingsanalyse voor Vlaanderen, In: Dierckx, D., e.a. (2013). ut supra.
- Vermeulen, B., Hermans, K. (2013). Armoede bij personen met een handicap onderschat, In: Dierckx, D., e.a. (2013). ut supra.
- Vrijens, F., F. Renard, P. Jonckheer, K. Van den Heede, A. Desomer, C. Van de Voorde, D. Dubois, C. Walckiers, C. Camberlin, J. Vlayen, H. Van Oyen, C. Leonard, & P. Meeus. 2012. Performance of the Belgian Health System. Report 2012. KCE-rapport 196C. Brussel: Federaal Kenniscentrum voor de Gezondheidszorg (KCE).

solidariteit - armoede - armoedebestrijding ** **

Samenleving & Politiek, Jaargang 20, 2013, nr. 10 (december), pagina 51 tot 58