Log in

'België, quo vadis? Waarheen na de zesde staatshervorming?'

Uitgelezen

België, quo vadis? Waarheen na de zesde staatshervorming?

Dave Sinardet, Patricia Popelier, Jan Velaers, Bea Cantillon (eds.)
Intersentia, Antwerpen / Cambridge, 2012

Enkele weken geleden werden de wetteksten van de zesde staatshervorming in Kamer en Senaat gestemd. Een historisch moment. Historisch omdat nog maar drie jaar geleden het land in een schijnbaar oeverloze institutionele impasse verkeerde. Historisch omdat het bevoegdheidsoverdrachten naar de gewesten en gemeenschappen betreft ten belope van bijna twintig miljard euro.

Vandaag liggen de over te hevelen bevoegheden op de tekentafel van de deelstaten. Op termijn lijken nieuwe beleidskeuzes onvermijdelijk. De contouren en haalbaarheid hiervan kan beter vandaag dan morgen worden uitgetekend. De Vlaamse administratie heeft in 2013 een inventarisatie opgemaakt van de over te hevelen bevoegdheden. Na consultatie van relevante middenveldorganisaties en strategische adviesraden zag het Groenboek Zesde Staatshervorming het licht: een lijvige oplijsting van de nieuwe bevoegdheden en mogelijke beleidsscenario’s. De uitkomst van de regionale verkiezingen van 25 mei zal bepalen voor welke beleidsopties uit het Groenboek zal worden geopteerd. Anders gezegd, het Witboek Zesde Staatshervorming en het regeerakkoord 2014-2019 zullen samenvallen.

Wie in het boek België, quo vadis? Waarheen na de zesde staatshervorming? concrete antwoorden zoekt op deze staatshervormingsactualiteit zal ze niet onmiddelijk vinden. Dit heeft alles te maken met de periode waarin dit boek tot stand kwam: bijna twee jaar geleden. Het Vlinderakkoord was toen weliswaar een feit maar het werk inzake de concrete interpretatie, invulling en uitwerking van dat akkoord moest nog beginnen. Het boek is ‘een premature doorlichting, maar tegelijk een levensverwachting’, aldus de redacteurs ervan.

België, quo vadis? is een bundeling van de congresteksten van het ‘Forum Federalisme’ dat eind 2011 over de toekomst van België reflecteerde. Het is een verzameling van academische artikels van Vlaamse, Waalse en Brusselse wetenschappers uit uiteenlopende disciplines.

Het boek is ingedeeld in zes delen: taal en territorialiteit, de dubbele gelaagdheid van het federalisme, Brussel, de bevoegdheidsverdeling, fiscaliteit en financieringswet en tot slot sociale zekerheid. De sterkte van het boek is de grote diversteit aan thema’s en de multidisciplinariteit. Maar van deze diversiteit werd jammer genoeg ook een zwakte gemaakt. Immers, het boek ontbeert een rode draad, zelfs een algemene conclusie ontbreekt. België, quo vadis? is met andere woorden een los geheel.

Het feit dat het boek weinig redactionele samenhang kent doet echter niets af aan de kwaliteit van de individuele stukken. Op de bijdrage van Hendrik Vuye na (Brussel: enkele modellen en hun (on)mogelijke gevolgen. Pleidooi voor een asymmetrische benadering). Niet de inhoud maar de pamflettaire manier waarop hij zijn analyse brengt steekt schril af tegen de andere bijdragen. Een minder polemische (lees: populistische) toon zou het betoog van Vuye versterkt kunnen hebben want de man slaat hier en daar nagels met koppen.

Verder doen alle delen van het boek het met twee of meer artikels, op het deel sociale zekerheid na. Hier is enkel een gedegen analyse van Bea Cantillon opgenomen. Gezien het belang van de omvang van de over te dragen bevoegdheden inzake ‘gezondheids- en gezinsbeleid’ naar de deelstaten was meer aandacht voor de toekomst van de sociale zekerheid aan de hand van verschillende artikels meer op zijn plaats geweest.

Kortom, België, quo vadis? is rijk aan informatie maar mist samenhang en evenwicht. Het is evenwel een absolute aanrader voor eenieder die van ver of dichtbij te maken heeft met de (toekomst van de) institutionele architectuur van ons land.

Samenleving & Politiek, Jaargang 21, 2014, nr. 1 (januari), pagina 103 tot 104