Abonneer Log in

'Capital in the Twenty-First Century'

Uitgelezen

Samenleving & Politiek, Jaargang 21, 2014, nr. 4 (april), pagina 76 tot 77

Capital in the Twenty-First Century

Thomas Piketty
The Belknap Press of Harvard University Press, Cambridge, Massachusetts, 2014

Wat is de langetermijnevolutie van de verdeling van rijkdom, en welke lessen kunnen we daaruit trekken voor de 21ste eeuw? De ambitie en maatschappelijke relevantie van de vraag die Thomas Piketty (Paris School of Economics) zichzelf stelt aan het begin van deze stevige monografie - een synthese van 15 jaar collaboratief onderzoek naar vermogens- en inkomensongelijkheid - staat buiten kijf. Maar de uniciteit van het boek betreft vooral de manier waarop hij deze vraag beantwoordt: op basis van ongezien grondige historische tijdsreeksen en in een zeer toegankelijke schrijfstijl.

Piketty slaagt erin om tijdsreeksen van vermogensverdelingen e.d. te reconstrueren tot in de 19de of 18de eeuw, én deze trends in comparatief perspectief te plaatsen. Hij kiest ook bewust voor een toegankelijke schrijfstijl, door o.a. de technische details online beschikbaar te stellen en passages uit romans van o.a. Austen en Balzac te citeren ter illustratie van (culturele beelden van) ongelijkheid in vroegere periodes. Deze aandacht voor toegankelijkheid en de ‘democratisering’ van economische kennis is een terugkerend element in het werk van Piketty, bijvoorbeeld via een publiek simulatiesysteem voor belastinghervormingen en datasets zoals de World Top Incomes Database.

Op basis van deze comparatieve tijdsreeksen en heldere macro-economische argumentatie schraagt Piketty zijn twee voornaamste conclusies.

Ten eerste, er is geen natuurlijke, spontane trend in de richting van meer gelijkheid: dwingende macro-economische mechanismen kunnen op lange termijn zowel leiden tot toenemende convergentie als divergentie. Hiermee zet hij zich af tegen het naoorlogse optimisme van economen zoals Kuznets en Solow, maar tevens het apocalyptische toekomstbeeld van Marx.

Zulk een dwingend mechanisme is bijvoorbeeld de verhouding tussen de opbrengstvoet op kapitaal en de economische groei. Overtreft de eerste grootheid de tweede - zoals vandaag de dag het geval is - dan neemt het belang toe van overgeërfd vermogen t.o.v. eigen inkomen, resulterend in toenemende vermogensongelijkheid.

De empirische staving van deze trend over twee eeuwen heen is bijzonder ontnuchterend. Het toont hoe historisch uitzonderlijk het relatief lage niveau van ongelijkheid medio 20ste eeuw was, en hoe snel we terug geëvolueerd zijn naar een niveau van ongelijkheid en overerving dat we associëren met bijvoorbeeld de belle époque. Daarenboven is er geen reden om aan te nemen dat in de toekomst dit ongelijkheid versterkend mechanisme automatisch aan impact zal verliezen.

De - ondertussen reeds enigszins iconische - grafieken van deze U-vormige ongelijkheidstrend doorheen de 20ste eeuw leiden ook tot Piketty’s tweede centrale conclusie. Ondanks de dwingende aard van de beschreven, aan het kapitalisme inherente, mechanismen, dient men beducht te zijn voor elke vorm van economisch determinisme. Het effect van bijvoorbeeld belastinghervormingen en politieke dynamieken, gelinkt aan de schokken van beide wereldoorlogen, zijn duidelijk zichtbaar doorheen de 20ste eeuw: Piketty blijft uiteindelijk geloven in de mogelijkheid van een ‘gereguleerd kapitalisme’.

Het onderbouwen van deze tweede conclusie is echter minder rigoureus en helder. Zo gaat de duiding over de oorzaken van deze politieke dynamieken vaak niet verder dan relatief algemene intuïties over attitudinale verschuivingen, bijvoorbeeld bij het bespreken van de ‘conservatieve revolutie’ van Thatcher en Reagan.

Ook de relatief abstracte behandeling van sociale actoren speelt hier mogelijk een rol. Terwijl in het begin van het boek nog de noodzaak van goed begrip van verdelingsdynamieken én de structuur van sociale klassen in één adem worden genoemd, lijken verder de vermogens/inkomensverdeling en de stratificatiestructuur samen te vallen. Bijvoorbeeld ‘de middenklasse’ wordt simpelweg afgebakend als vier decielen halverwege de vermogensverdeling. Piketty’s historisch-economische analyse is hier mogelijk complementair met een sociologische herwaardering van een relationele, categorische stratificatiebenadering (cfr. het pleidooi van Marc Elchardus voor ‘onderwijsklassen’ in het februari-nummer 2014 van Samenleving en politiek).

Deze minder rigoureuze onderbouw verzwakt enigszins de overgang naar het laatste deel van het boek, waar de implicaties voor een aantal actuele debatten (bijvoorbeeld overheidsschuld) en mogelijke oplossingen aan bod komen. Welke sociale actoren en politieke krachten kunnen zulke dwingende mechanismen ombuigen? Wel alle lof voor de bereidheid om ook duidelijke (politieke) voorstellen te formuleren, i.c. het zelfzeker pleiten voor een graduele uitbouw van een globale vermogensbelasting.

Verwachten dat Piketty ook nog de vertaalslag maakt naar een uitgewerkte socio-politieke analyse is dan ook niet redelijk. Deze opdracht is weggelegd voor anderen binnen o.a. de sociaaldemocratische beweging. Het staat wel reeds vast dat zij hierbij niet buiten dit boek kunnen, met haar verontrustende en grondig gedocumenteerde bevindingen over de langetermijnevolutie van de verdeling van rijkdom.

Samenleving & Politiek, Jaargang 21, 2014, nr. 4 (april), pagina 76 tot 77