Log in

Detentiehuizen

Project in de kijker

Aan de wijze waarop een land met zijn gestrafte burgers omgaat, kan men de graad van zijn beschaving aflezen. Dit is in zekere mate onwaar voor België. Op tal van domeinen heeft dit land een hoge ontwikkeling bereikt. De gezondheidszorg, het onderwijs, het stelsel van de sociale zekerheid, zijn technologische, economische en culturele prestaties zijn van hoge kwaliteit. Het is daarom bedroevend dat wij in het penitentiaire veld de voorsprong hebben prijsgegeven. Het kleinschalig detentiehuis kan een nieuwe stap betekenen in de humanisering van de straf.

DE WET VAN DE REMMENDE VOORSPRONG?

De beginnende staat België wilde van meet af aan vooral ook op moreel vlak van hoog aanzien zijn. Voor het parlement ontvouwde Edouard Ducpétiaux zijn grote hervormingsvoorstellen. Dood- en lijfstraffen die al enigszins op de terugweg waren, zouden door de eenzame opsluiting kunnen worden opgevolgd. Het panopticon-idee van Bentham vond definitief zijn weg naar de strafuitvoering. Die stervormige cellulaire gevangenis zou het beeld van de detentie tot op de dag van vandaag volledig bepalen.
Het was nochtans een excentrieke gedachte. Een Ducpétiaux-gevangenis was een heel bijzonder bouwwerk waarin de crimineel op zichzelf werd teruggeworpen, in eenzame afzondering. Als dusdanig kon hij, ontdaan van de slechte invloeden van zijn - promiscue - omgeving na zijn straf als een bekeerd en beter mens terug in de maatschappij komen.
Maar de mens bleek integendeel een sociaal wezen te zijn…

DE LIBERALISERING VAN DE GEVANGENISREGIMES EN HAAR GRENZEN

Het Algemeen Reglement van 1965 gaf duidelijk te kennen dat het regime in de gevangenissen de reclassering moest voorbereiden. De eenzame opsluiting had in de feiten de duimen moeten leggen naar aanleiding van de opsluiting van duizenden incivieken vlak na de oorlog.

In 1986 werd ik adjunct-directeur in de gevangenis Nieuwe Wandeling Gent. Daar werd volop ingezet op het bezoek aan gedetineerden. Toen twee jaar later de Gemeenschappen bevoegd werden voor Hulp- en Dienstverlening aan gedetineerden, werden in diverse inrichtingen vele pogingen ondernomen om onderwijs, bibliotheek, vroeghulp en cultuur binnen de muren te brengen. Maar zowel de diensten van de gemeenschap als het bewakingspersoneel steigerden. Zelfs nadat een Strategisch plan voor Hulp- en dienstverlening was uitgetekend en ook nu dit decretaal verankerd is, blijft het trekken en sleuren.

Heel uitnodigend naar de buitenwereld zijn die immense instituten met hun driedubbele perimeters immers niet. Daarvoor is die structuur, en in het verlengde van die structuur het personeel, te zeer op controle gericht en is de samenstelling van de gedetineerdenpopulatie te divers.
Wat Ducpétiaux te allen prijze wilde vermijden - de slechte invloeden van de criminele medemens - is eerst door de ontwikkeling van het regime en vervolgens door de overbevolking compleet terug. De bouwkundige structuur laat weinig toe dat tussen afzondering en promiscuïteit ligt.

HET MONSTER VAN DE OVERBEVOLKING EN DE MASTERPLANNEN VOOR DE BOUW VAN GEVANGENISSEN

Toen de War on Drugs de jonge allochtoon massaal naar die klassieke gevangenissen leidde, stond geen andere weg open dan wat de vele studies toen voorkauwden: de korte straffen moesten uit dat systeem, die opsluiting bracht meer kwaad dan goed. ‘Nothing works’ luidde het criminologische adagium, doelend op de gevangenisstraf. Er werd ingezet op alternatieven. Probatie, werkstraffen, elektronisch toezicht.
Alhoewel de recidivepercentages van die alternatieve straffen maar een derde of nog minder waren dan die van de gevangenisstraf, bleek het gebrek aan opvolging daar het zwakke punt. Lange wachttijden brachten heel wat van die korte straffen met nieuwe feiten terug naar de klassieke gevangenis, waar ze de cumul van korte onuitgevoerde straffen kwamen uitzitten in een systeem dat al onder hoge beheersbaarheidsdruk stond.
De uitgesproken straffen werden langer. Bovendien kwamen lange straffen, na Dutroux, minder snel vrij.
Men zag ten slotte, na vele internationale blamages, o.a. van het Comité tegen Foltering (CPT) van de Raad van Europa , oplossing in het creëren van bijkomende gevangeniscapaciteit en in de ontwikkeling van een vlot toe te kennen elektronisch toezicht.
Over hoe een gevangenis er vandaag moest uitzien om de ondertussen gestemde Basiswet tot uitvoering te brengen, of om de gedetineerde voor te bereiden op de vele begeleidingen die de Strafuitvoeringsrechtbank als voorwaarde formuleerde, had men eigenlijk niet meer nagedacht. De wetenschappelijk gefundeerde kritiek op het systeem kon alleen de decimering of nog radicaler, de afschaffing van de detentie tot gevolg hebben. Dacht men.
Het werd geleidelijk duidelijk dat de oude cellulaire gevangenis met zijn uniforme regime eigenlijk geen dienst kon verrichten om individuele detentieplannen in uitvoering te brengen. Differentiatie en kleinschaligheid waren integendeel nodig.
Het gevangenisdorp van Haren kon zijn weg naar de tekentafel vinden. Cellenrijen werden door huizenblokken vervangen. Die worden niet langer aan elkaar geschakeld, maar wel samen met een aantal gemeenschappelijke faciliteiten (access, bezoek, werk, sport) samengebracht op één groot domein.
Maar ondertussen werd onze blik richting Scandinavië getrokken, waar wel resultaten worden geboekt die zichtbaar zijn in de recidivecijfers.

HET INITIATIEF VAN ‘DE HUIZEN’

Kleine (soms geclusterde) detentiehuizen, die van elkaar verschillen op vlak van beveiliging, detentie-inhoud en aangeboden begeleiding, georganiseerd per streek, zouden eveneens een volgende stap in de ontwikkeling van de penitentiaire praktijk kunnen zijn.
Het betreft huizen, voorzien van de nodige veiligheidsmaatregelen, waar maximum 10 gedetineerden aangesproken worden op hun krachten en verantwoordelijkheden. Ze spelen een economische, sociale of culturele rol in de omgeving. Een detentiehuis kan immers ook een fietsherstelplaats, parking, sociaal restaurant,... herbergen.
Elke veroordeelde krijgt een oplossingsplan, dat bestaat uit een reclasseringsplan en een detentieplan. Volgens de bepalingen van dat plan doorlopen gedetineerden hun detentie in verschillende detentiehuizen.
Binnen het detentiehuis waakt de huisbegeleider over de goede orde en de samenlevingsvoorwaarden. De individueel planbegeleider volgt de veroordeelde doorheen het detentie- en reclasseringstraject over de verschillende huizen heen.

CONCLUSIE

Het penitentiaire mag zich niet terugtrekken uit die samenleving en er alle functies uit overnemen. De gevangenis als minisamenleving, maar dan één met criminele identiteit en mentaliteit, waar het spel politie-bandiet in een geconcentreerde vorm wordt verder gespeeld, als in een soort foute oefenomgeving, heeft zijn failliet al lang bewezen.
Het is tijd om enkele proefprojecten op te zetten met kleinschalige detentiehuizen, die minder op de criminele realiteit en beter op de samenleving aansluiten, die voor de broodnodige hulp- en dienstverlening toegankelijk zijn en hen ook een schaal aanreiken die de mens benaderbaar maken, niet in de eenzaamheid, maar ook niet in de massa. Alles staat of valt immers met een goede begeleiding en een goede opvolging van gedetineerden. Met een juiste schaal en setting.
Dat is waar vzw de Huizen voor ijvert. Stoute jongens tellen immers mee. Nu tellen ze gewoon af. Dat is duur en inefficiënt. Laat ons de geplande gevangenissen als voorlopig laatsten in hun soort beschouwen en België, ook op moreel vlak, opnieuw op de kaart der beschaving plaatsen.

Hans Claus
Secretaris vzw De Huizen
www.dehuizen.be

Samenleving & Politiek, Jaargang 21, 2014, nr. 4 (april), pagina 40 en pagina 49 en 50