Log in

Integratiebeleid: argwaan versus optimisme

VOORAF

Mijn doctoraatsonderzoek richtte zich naar de ruim 1800 plaatselijke verenigingen in Vlaanderen en Brussel, waarin mensen zich verzamelen op basis van een gemeenschappelijke etnisch-culturele identiteit. De onderzochte verenigingen worden vaak zelforganisaties genoemd. De toevoeging ‘zelf’ duidt op de eigenschap dat deze verenigingen ontstaan vanuit autonome keuzes van mensen die in Vlaanderen belanden als immigrant en in hun verdere ontwikkelingen, ook naar volgende generaties, hun etnisch-cultureel kenmerk als een cruciale factor in hun leven blijven stellen.

Het onderzoek stelde vast dat deze zelforganisaties, zeker voor en door nieuwkomers, heel wat onderbenutte positieve mogelijkheden dragen. Die zijn noodzakelijk om het overvloedig geproblematiseerde verhaal van de vestiging van immigranten te counteren. De klemtoon van het onderzoek ligt daarbij op het analyseren en duiden van de kracht van deze organisaties om zich maatschappelijk te engageren in de samenleving en een positieve rol te vervullen voor hun leden en hun achterban.

RECONSTRUCTIE EN SITUERINGEN IN HET OVERHEIDSBELEID

Het theoretische deel bevat een reconstructie van het Belgische en vooral het Vlaamse beleid naar immigratie. Het onderzoek maakt duidelijk hoe de teneur in de relatie van overheden t.o.v. immigranten langzaam maar zeer duidelijk wijzigde. Bij aanvang, in de jaren 1960 en 1970, dreef het overheidsbeleid op een erg positieve en hoopvolle aanpak. Respect voor de eigenheid stond centraal bij de inspanningen om deze gastarbeiders te verwelkomen. Langzaam wijzigde deze aanpak, omdat de aanwezigheid van immigranten steeds meer in probleemtermen werd vertaald.

Dit had zeker te maken met een conjunctuurcrisis, de bedreiging van de welvaartsstaat, gekoppeld aan het uitdijende aantal nieuwe Belgen. Ondanks een immigratiestop begin jaren 1970, zorgde gezinshereniging voor een steeds duidelijkere aanwezigheid. Deze zorgde voor een problematische verhouding tot een krimpende welvaart. De spectaculaire groei van het Vlaams Blok bleek zowel oorzaak voor, als gevolg van een steeds negatiever discours.

Het specifieke overheidsbeleid ter zake, vanaf de jaren 1970 gesitueerd bij de Vlaamse Gemeenschap, illustreert deze evolutie. Eerst verwelzijnde, dus problematiseerde, de ganse thematiek. De hoop maakte plaats voor het bestrijden van onwelzijn. Het discours klonk cynisch veelzeggend: ‘We zitten er nu mee, we moeten er het beste van maken’. Specifieke voorzieningen kregen een etiket: de integratiesector, met als opdracht de moeilijke integratie te versoepelen.

Daarna, vanaf de jaren 2000, belandde de ondertussen als een ernstige problematiek beschreven aanwezigheid van immigranten en mensen met een migratiegeschiedenis, onder de noemer van inburgering. Daarbij lag in stijgende mate de nadruk op de plicht tot enting op de Vlaamse samenleving. Al deze voorzieningen, uitgebreid met o.a. de Huizen van het Nederlands en een zware bovenbouw, vertoonden alle kenmerken van de geprofessionaliseerde sectoren. Daarbij verdwenen zowat alle linken, zeker structureel, met wat zich in de cultuursector afspeelde, namelijk de groei van steeds meer zelforganisaties die zich ook op Vlaams niveau federeerden (binnen het sociaal-cultureel werk).

ZELFORGANISATIES IN VLAANDEREN

Dit alles vormde het decor voor een sterk groeiend aantal lokale zelforganisaties dat zich rond heel uiteenlopende etnisch-culturele profielen organiseerde. Ze vinden elkaar in dertien federaties. Een cijfermatig overzicht van deze sector geeft de volgende gegevens over lokale zelforganisaties op basis van etnisch-culturele identiteit: van 589 verenigingen in 2001 naar 1638 in 2012, een aangroei met 178%, met ruim 71.000 leden en bijna 8900 vrijwilligers. Deze verenigingen staan jaarlijks in voor de organisatie van bijna 10.000 activiteiten, met een geraamd publieksbereik van ruim 380.000 mensen. Deze aantallen moeten worden vermeerderd met de zelforganisaties die zich als jeugdwerk of sportclub organiseren.

Naast een kwantitatieve relevantie van lokale zelforganisaties, blijft de vraag naar een definitie. Sierens (UGent) verrichtte in 2001 een onderzoek en verzamelde o.a. de verschillende definities en heel wat verwijzingen naar artikels en visies op zelforganisaties. Daaruit bleek heel duidelijk dat het predicaat ‘zelf’ niet zomaar werd toegevoegd.

Dit blijkt duidelijk uit een artikel van Chakkar (1994) met als titel: ‘Migranten zelforganisaties. Wat we zelf doen, doen we beter!’ Deze teneur speelde een overwegende rol, want heel wat voorzieningen die n.a.v. de immigratie ontstonden, kwamen er op initiatief van Vlamingen die vanuit een eerlijke overtuiging de (toe)komst van deze immigranten wilden vergemakkelijken. Hoewel er geen twijfels waren over de goede bedoelingen, groeide de overtuiging dat er daarnaast een grote nood was aan verenigingen die niet zozeer voor maar vooral door lokale etnisch-culturele gemeenschappen werden opgericht. Deze behoefte aan een autonoom initiatief is erg natuurlijk en schraagt per definitie het Vlaamse verenigingsleven. Daarenboven richtten de initiatieven die door Vlamingen waren opgezet zich vooral op welzijnsaspecten, beginnend bij de oriëntering in en de hulp bij allerlei formulieren tot en met bemiddeling. Het is duidelijk dat deze inspanningen gedeeltelijk hun weg naar het professionele welzijnswerk, later integratie- en inburgeringsvoorzieningen vonden. Zelforganisaties vertoonden heel duidelijk een sociaal-culturele dynamiek (vrije tijd, cultuur, ontmoeten, emanciperen) hoewel ze ook meer welzijnsgerichte taken opnamen. Qua werkingscultuur blijken deze zelforganisaties niet zo verschillend van andere verenigingen. Uiteraard vertonen ze bij hun begin typische pionierskenmerken en vaak een autoritaire en centralistische leiderschapsstijl, maar verder zitten ze in spanningsvelden die heel herkenbaar zijn: rekruteren, zoeken naar een zakelijke en organisatorische stabiliteit, tijdsgebrek in hun externe betrekkingen, enzovoort.

Dit alles leidde tot de volgende definitie die verder bij het onderzoek werd gebruikt: 'zelf-organisaties op basis van etnisch-culturele identiteit in Vlaanderen zijn sociaal-culturele verenigingen in verschillende sectoren, opgericht door en voor mensen die zich herkennen in een gemeenschappelijk etnisch-culturele identiteit en niet primair gericht zijn op een religieuze beleving of handelspraktijk'.

POLITIEKE DUIDING VAN HET ONDERZOEK

De omvang en grote diversiteit van de gestage instroom van immigranten veranderden onze samenleving ten gronde, actueel als superdiversiteit benoemd. De in hoofde van velen stabiele sociaal-culturele kaders van ‘ooit’ lijken, zeker in de verstedelijkte contexten, amper tot niet meer geldend, hoewel de cenakels van de macht nog wel overvloedig Belgo-belge blijven. De klassieke aanpak, jarenlang het mantra van de beleidsvoerders, past niet meer bij de notie superdiversiteit. Blommaert beschrijft dit met de notie ‘normaal bestaat niet meer’. De gevolgen daarvan zijn legio, niet in het minst bij de sectoren zorg en welzijn. Deze beschikken niet meer over de competenties om al deze nieuwe cliënten adequaat te benaderen. Een deel van hun probleem ligt in de noodzaak aan bemiddelende systemen, zoals tolken en geschoolde interculturele bemiddelaars.

Deze kritische analyse verwoordt erg adequaat de vaststellingen en conclusies die zowel in het theoretische en zeker ook in het onderzoeksonderdeel in alle duidelijkheid kwamen bovendrijven. In toenemende mate wordt immigratie geproblematiseerd.

Enerzijds voelt de ontvangende cultuur hoe de vanzelfsprekend geachte hegemonie aan een hoog tempo lijkt te verdwijnen. Daarop wordt gereageerd met wijzigende paradigma’s, die zich steeds meer defensief en soms agressief opstellen. Dit blijkt o.a. in de soms extreem afwijzende opstelling van sommige partijen en subgroepen. Als meest extreme uiting staan daarbij de expliciet islamofobische reacties van toch wel bekende intellectuelen. Daarbij worden immigratie en de etnisch-culturele diversiteit verengd tot een religieus-ideologisch probleem dat de veronderstelde hegemonie van de Verlichting bedreigt.

Anderzijds ervaren de etnisch-culturele groepen overduidelijk een toenemende afwijzing van hun eigenheid en een groeiend wantrouwen indien ze zich etnisch-cultureel categoriaal organiseren. Deze argwaan wordt gevoed door o.a. geopolitieke ontwikkelingen en vindt zijn weg in culturele en structurele insnoering van initiatieven gericht op etnisch-culturele identiteit. De superdiversiteit als beangstigend probleem heeft het immigratiedebat helemaal overspoeld. Het onderzoek ontsluierde dit op verschillende wijzen en momenten. De houding t.o.v. zelforganisaties op basis van etnisch-culturele identiteit blijkt daarvoor een uiterst interessante en relevante indicator.

De notie superdiversiteit benadrukt dat er op permanente basis nieuwe, andere, vreemde mensen en gemeenschappen de ontvangende gemeenschap binnentreden, elk op een eigen ritme en tempo. De ontvangende gemeenschap investeert door een beleidsvoering in de aanhoudende transitieperiodes. Dit beleid strekt zich uit over heel wat geledingen van de samenleving. Het zijn juist deze investeringen, in het bijzonder de evoluties daarvan, die de veranderende tijdsgeest illustreren.

Deze transitie kan en mag echter niet als statisch worden geïnterpreteerd omwille van twee redenen. Ten eerste zal de reeks van immigrerende mensen en gemeenschappen niet snel eindigen. De toekomst lijkt vooral een bestendiging van deze beweeglijkheid, waarbij - zoals eerder gesteld - niet alleen de diversiteit toeneemt. Al deze mensen en gemeenschappen doorleven deze transitie op een unieke wijze.
Ten tweede wordt de ontvangende cultuur/gemeenschap/samenleving steeds meer beïnvloed door deze immigratie en krijgt ze een superdiverse invulling (cf. Blommaert). Dit onderzoek wijst echter uit dat deze beïnvloeding nog geen nieuwe stabiliteit (in een dynamiek) verwierf. Eerder vertoeft ze in een fase van onwennigheid en onzekerheid, wat meteen ook de verklaringen zijn voor de verstrakkende signalen en maatregelen vanuit de overheden, toch de formele en officiële emanatie van de samenleving.

DE OMGANG MET INTERCULTURALITEIT EN DIVERSITEIT ALS WEZENLIJKE PROBLEEMSTELLING

In tegenstelling tot de sociaaleconomische dimensie, die in dit onderzoek geen uitdrukkelijke aandacht kreeg en in de verschillende onderzoeksfasen slechts heel beperkt naar boven kwam, scoorde de etnisch-culturele dimensie heel sterk. Het bleek duidelijk dat etnisch-cultureel niet-diverse respondenten veel terughoudender antwoordden op vragen naar de mogelijkheden, de kansen, de noodzaak, de relevantie enzovoort van deze zelforganisaties. De etnisch-cultureel diverse respondenten reageerden duidelijk en overtuigd optimistisch. Ze beklemtoonden het belang, niet alleen toen maar ook nu en straks.

Dit verschil in waardering, zeker m.b.t. de plaats van zelforganisaties in de toekomst, werd bevestigd in de verdere onderzoeksfasen. De focus- en expertgroepen konden dit verschil duiden en ze herkenden het. Bij sommige interviews en ook in de laatste fase, deze van de conferentie (juni 2013), klonken stemmen in de werkgroepen die het bestaan van zelforganisaties, zeker na een fase van nieuwkomers, fundamenteel in vraag stelden. Uitzonderlijk klonk ook een etnisch-cultureel diverse stem twijfelend, maar dan vooral bij de verbindingsgrond voor deze zelforganisaties die soms als te particularistisch of zelfs geïsoleerd werden beschreven.

Er bestaat een klassiek paradigma om immigratie en de plaats van etnisch-culturele diversiteit te duiden, als een driehoek met drie begrippen: segregatie, assimilatie en integratie. Waar segregatie (totale scheiding, apartheid) en assimilatie (volledig opgaan) zich als uitersten verhouden en vaak als extreem en ongewenst worden beschreven, juist door hun rabiate keuzes, vormde integratie een tussenweg. Het begrip integratie doorliep al een hele carrière. Oorspronkelijk betekent integratie een opname van een nieuw deel in een bestaand geheel, waarbij het nieuwe deel zijn eigen plaats krijgt in een bestaand geheel en waardoor dat bestaande geheel ook verandert, verruimt en als een nieuw (gaaf) geheel blijft bestaan. In deze betekenis vormt integratie een vorm van ‘3de weg’ tussen assimilatie en segregatie.

Dit klassieke paradigma overleefde echter niet. Doorheen de verschillende fasen van het onderzoek werd duidelijk dat de aanpak van integratie z’n geloofwaardigheid verloor, zowel voor de ontvangende als voor de immigrerende gemeenschappen. Voor de ontvangende gemeenschap kreeg integratie steeds meer een inhoud die opschoof naar assimilatie, terwijl de inspanningen van immigrerende gemeenschappen om hun eigenheid te behouden vooral als segregerend werden beschouwd. Voor de immigrerende gemeenschap kregen de integratiemaatregelen meer en meer het aureool van ontkenning van de EC-diversiteit en de identiteiten die daarbij hoorden en ze ervoeren een toenemende afwijzing van hun inspanningen (bijvoorbeeld zelforganisaties) voor dit soort identificatie.

Zo ontstond een nieuw paradigma met de introductie van nieuwe begrippen in een nieuwe verhouding tot elkaar. Daarbij blijven de drie oude begrippen, segregatie enerzijds en integratie en assimilatie anderzijds, behouden in een meer monocultureel model. Dit betekent dat de vigerende overtuiging een gewenste toekomst blijft hanteren van één overheersende cultuur die slechts beperkt plaats laat voor etnisch-culturele diversiteit. De integratiebenadering wil investeren in programma’s om immigrerende mensen en culturen zo gemakkelijk en snel mogelijk te laten integreren - als eufemisme voor opgaan - in de overheersende (in de context van dit onderzoek ‘Vlaamse’) cultuur. Deze benadering speelt zeker ook in op de natievormende keuzes die de Vlaamse Gemeenschap nadrukkelijk maakt (cf. vergelijking met Franstalig België).

Voor de monoculturele visie (integratiegericht en passief pluralistisch) zijn zelforganisaties op basis van etnisch-culturele identiteit hoogstens van een tijdelijk belang, vooral met het oog op een snelle integratie - maar dan van het assimilatie- of adaptieve type. Voor de interculturele benadering vormen zelforganisaties, op basis van welk criterium ook - dus ook etnisch-culturele identiteit, bijna een voorwaarde en een positief (en dus wenselijk) gegeven. Hierin herhaalt en bevestigt zich de basale tegenstelling tussen twee groepen respondenten in dit onderzoek.

De overwegend argwanende visie op zelforganisaties en hun gewenste toekomst wordt zeker bepaald door het grote aantal ervan dat duidelijk islam gerelateerd is en door de opvallende aanwezigheid van vooral Marokkaanse en Turkse mensen en gemeenschappen. De uiterst kritische en vaak ongenuanceerde wijze waarop de islam wordt herleid tot karikaturen, straalt af op het geheel van de etnisch-culturele fenomenen. Door de islam als antagonist van de westerse waarde te poneren, krijgen zowat alle initiatieven die hier rechtstreeks of indirect toe behoren, een negatief aureool. De publieke en politieke opinies vormen zich in deze richting en bepalen het overheidsbeleid. Daardoor overheersen angst en argwaan veel meer dan (ped)agogische en maatschappelijk gewogen invloeden: de actualiteit die, met een piek op 9/11, aanhoudend wordt gevoed met negatief nieuws rondom allerlei islamaspecten. Van Sharia4Belgium tot de Syriëstrijders en alles wat daaromtrent nog leeft en gebaseerd is op de atavistische verhalen van Saracenen en kruisvaarders, Le Chanson de Roland en de slag bij Poitiers. Zelfs wellicht de niet zo bedoelde reportages als De weg naar Mekka droegen eerder bij tot een vijandbeeld van een gevaarlijke en oprukkende islam dan tot een genuanceerde afweging.

DISCUSSIES OVER VISIE, KEUZES EN AANPAK

Naarmate het onderzoek vorderde werd steeds duidelijker dat zich een wezenlijke vraag stelde: op welke wijze organiseren overheden het best hun beleid gericht naar etnisch-cultureel diverse mensen? Uiteraard is de organisatie van een beleidsaanpak nooit waardenvrij en dus bepaald door ideologische afwegingen. De tegenstelling situeert zich tussen twee keuzes die op het eerste zicht niet zozeer contrasterend dan wel aanvullend zouden zijn, enerzijds een integrale, inclusieve visie en anderzijds een doelgroep specifieke of categoriale benadering.

De inclusieve of integrale aanpak baseert zich op de visie dat een beleid niemand mag uitsluiten en dat het beleid als een geheel alle onderdelen moet omvatten, dus samenhangend moet zijn. Deze uitgangspunten klinken erg vanzelfsprekend, het tegengestelde niet. De keuze vertrekt vanuit een omvattende benadering. Integraal en geïntegreerd beleid steunen op de overtuiging dat een beleid veel aan slagkracht wint indien het samenhangend en intern ook complementair wordt georganiseerd. Dit kan maar als er een overkoepelend plan groeit, waarin zoveel mogelijk betrokken actoren, visies en systemen hun juiste en dus aan elkaar gerelateerde plaats verwerven.

De categoriale aanpak (Redig 2013) begint met een doelgroep apart en scherp te definiëren, op basis van een gelijkaardig kenmerk dat voldoende maatschappelijk relevant is om een bijzondere beleidsaanpak te wettigen. Deze visie vertrekt van het bijzondere om via expliciet aparte aandacht deze doelgroep beter in het geheel te laten gedijen. Daarbij hanteert het categoriale concept als cruciaal element het ‘leefwereldperspectief’ van de categorie en claimt daarbij een hoge intensiteit aan communicatie en participatie van mensen die niet zozeer sectoraal of territoriaal denken, maar vanuit hun integrale levenssituatie de wereld benaderen. Daardoor verdwijnen de schotten die beleidsmakers - vooral sectoraal bepaald - aanbrengen. Men ontwikkelde hier de noties beleidskruispunten en -rotondes. Daarmee wijst men op het belang om bij de ontwikkeling van het beleid de verschillende dimensies te laten meespelen, omdat ze elk een belangrijke en verschillende bijdrage kunnen en moeten leveren om het geheel van de beleidsoutput te optimaliseren.

Het onderzoek vestigt de aandacht op een duidelijke keuze om bij het uitstippelen van een overheidsbeleid voor etnisch-cultureel diverse groepen een categoriale benadering te gebruiken. Dit betekent geen principiële afwijzing van het inclusieve, net zoals ook integratie als doelstelling niet wordt gelaakt. Maar in hun concrete toepassing bewijzen deze mooie principes hun onmacht en vaak ook de erosie ervan tot op het niveau van adaptatie en assimilatie of het veronachtzamen van de wezenlijke uitdagingen die bij etnisch-culturele diversiteit horen. De keuze voor het categoriaal beleid ontkent zeker niet het doorslaggevende belang van de sociaaleconomische factoren - wel integendeel - maar wil niet dat deze invalshoek alles overheerst en andere elementen, zoals culturele en religieuze aspecten, grotendeels negeert.

TEN SLOTTE

Het optimisme, de daadkracht en openheid van de plaatselijke zelforganisaties contrasteren sterk met wat hun omgevingen hierover zeggen of minstens in dit onderzoek als hun perceptie getuigden.
Zo is de vaststelling dat de geprofessionaliseerde sectoren en de overheden over veel te weinig competenties beschikken om, indien ze toch zouden geïnteresseerd zijn, op adequate wijze de zelforganisaties te betrekken. Het ontbreekt hen in opvallende mate aan interculturele bekwaamheid, ze werken vaak met oneigenlijke en niet passende verwachtingen en slagen er niet in om deze verenigingen aan zich te binden. Deze conclusie klinkt hard, vooral vanuit een perspectief dat vele immigranten, zeker de nieuwkomers, juist op deze professionele hulpverleners moeten kunnen rekenen. De realiteit klinkt helemaal anders.

Daarnaast leeft er veel argwaan, latent tot acuut, met een stijgend wantrouwen. Vooral de opmerkelijke shift in het integratiebeleid zet(te) een domper op de kracht en mogelijkheden die zelforganisaties bieden. De optimistische en respectvolle invulling van het integratiebegrip, als verwoording van een overwegend humane grondstroom, maakte plaats voor een ronduit op assimilatie en adaptatie gerichte aanpak. Hoewel de woorden in beleidsnota’s en -verklaringen nog steeds dit (voor sommigen naïeve of gevaarlijke) humanisme ademen, blijkt het concretiseren ervan langzaam maar zeker het tegengestelde. Het benepen koketteren met een etherische, monoculturele Vlaamse identiteit, meestal gesausd met angsten voor het verlies van kernwaarden en aangevuld met het ondertussen meer dan triest verhaal over de teloorgang van de Verlichting, ze bewijzen vooral een toenemende duisternis in dit denken en handelen. Al eerder in De tijd baart rozen (2010) verwees ik in deze context naar de blijkbaar vergeten en grotendeels verdwenen eerste golf van de Verlichting (o.a. More, Erasmus, Gillis).

Binnen dit perspectief ontwikkelde dit onderzoek zich echt op de frontlijn van botsende meningen, met veeleer pessimistische conclusies. Het blijft daarbij zo moeilijk te begrijpen dat vele Vlamingen op beleidsfuncties hun eigen emancipatiestrijd vergeten en zich nu angstig terugtrekken, gebarricadeerd achter amechtige eisen voor adaptatie en assimilatie. Inzonderheid het oneigenlijke en soms ook kwaadaardige demoniseren van moslims en beschimpen van de islam, bij uitbreiding vele waardevolle en religieuze systemen en de mensen die zich daarin vinden, valt op. Dit legt een loodzware claim op de ontwikkeling naar een open, actief pluralistische, dynamische en participatieve democratie. Deze signalen klinken luid in de conclusies van dit onderzoek. Ze temperen - hopelijk met beperkt effect - de kracht die dit onderzoek zo sterk bij zelforganisaties registreerde.

Noot
1. Anciaux, B. (2014) Zelforganisaties in Vlaanderen. Onderzoek naar plaatselijke (zelf)organisaties op basis van etnisch-culturele identiteit. Brussel: ASP.

Samenleving & Politiek, Jaargang 21, 2014, nr. 4 (april), pagina 68 tot 75