Abonneer Log in

Groen: kampioen in Tweede of topclub in Eerste Klasse?

Samenleving & Politiek, Jaargang 21, 2014, nr. 6 (juni), pagina 16 tot 24

In Vlaanderen is Groen een van de winnaars van de verkiezingen geworden. In de Kamer halen ze 8,6% en een extra zetel, in het Vlaams parlement winnen ze drie zitjes. Europees halen ze zelfs 10,6%, een winst van 2,7%. De winst deed zichtbaar deugd, en Groen manifesteert zich nadrukkelijk als een partij die mee wil regeren. Maar de partij heeft niet de kaarten in handen om dit zelf te bepalen. De cijfers leren dat, om aan het beleid deel te nemen en er bovendien duidelijk op te wegen, bij de volgende verkiezingen nog meer winst moet worden behaald. Of er zal moeten worden samengewerkt.

LANGZAME GROEI OF BLIJVEND STOTEN TEGEN EEN PLAFOND?

Grafiek 1, met de evolutie van de verkiezingsresultaten van de groenen voor de Kamer sinds 1981, plaatst hun zege bij de recentste verkiezingen in historisch perspectief. Na de eerste deelname aan de federale verkiezingen volgden nog negen verkiezingen, waarbij de groenen in zeven van de negen gevallen hun score ten opzicht van de voorgaande stembeurt verbeterden. Zo bezien is het electorale parcours van Groen er een van successen.

Maar er zijn ook argumenten om over langere termijn van een plafonnering te spreken. Al vanaf de tweede verkiezingsdeelname, in 1985, schommelt het resultaat van de ecologisten tussen 6 en 8%. Met de dioxinecrisis scoorden ze fors hoger, om vier jaar later diep weg te zakken en uit de Kamer te verdwijnen. Nu doorbreken ze de grens van 8% voor een tweede maal; de dubbele cijfers blijven evenwel buiten bereik. De tijd dat de groenen in de peilingen stelselmatig hoger scoorden dan op de verkiezingsdag zelf lijkt voorbij. Groen is een stabiele factor geworden in het Vlaamse electorale landschap.

Het is een verdienste, maar ook een beperking. Doorgroeien tot op het niveau dat men mee kan bepalen welke coalities worden gesloten, zit er voorlopig niet in. En er zijn geen tekenen die er op wijzen dat dit in de nabije toekomst zal veranderen. Groen wint op 25 mei federaal voor de derde opeenvolgende keer. Maar dat was voor de verkiezingen van 1995 ook het geval, en toen volgde onverwacht verlies. Je kunt de historische ontwikkeling ook lezen als dat het drie verkiezingen geduurd heeft om de nederlaag van 2003 helemaal te boven te komen. Ondanks de terechte tevredenheid over de winst bij deze verkiezingen moet er ook twijfel zijn of Groen op termijn kan uitgroeien tot een beleidspartij met de stabiele electorale basis die daarvoor nodig is. De uitdagingen op het vlak van milieu, klimaat en energie zijn de voorbije decennia zeker niet afgenomen, maar het thema heeft niet geleid tot een politieke stroming die zich kan meten met de drie traditionele politieke families. Niet in Vlaanderen, en ook niet elders in Europa.

Grafiek 1: Verkiezingsresultaten Agalev/Groen voor de Kamer.

GROENEN BUITEN VLAANDEREN

Ecologisten in Europa

In een aantal Europese landen doen de ecologisten al meer dan dertig jaar mee aan de verkiezingen. Meestal hebben hun partijen een vaste stek veroverd in het politieke landschap, maar heeft hun electoraal gewicht zelden de grens van de 10% overschreden. Ze hebben het milieuthema in de politieke belangstelling gebracht, en andere partijen zijn meer aandacht aan dit thema gaan besteden. Maar nergens zijn groene partijen doorgegroeid tot grote volkspartijen die regeringen schragen of de oppositie leiden. Ze zijn uitgegroeid tot een belangrijke politieke familie, maar wel in de schaduw van de centrumrechtse, sociaaldemocratische en liberale families.

De Duitse Grünen formuleerden in 1980 de vier basisprincipes (ecologisch, sociaal, basisdemocratisch en pacifistisch) die ook door andere ecologische partijen werden overgenomen. Ze kwamen in 1980 voor het eerst op en scoorden in 1983 al boven de kiesdrempel van 5%. Nog een verkiezing later behaalden ze ruim 8% van de stemmen, en structureel zijn ze sindsdien niet kunnen doorgroeien. Onder leiding van Joschka Fischer konden ze zeven jaar meeregeren met de SPD van Schröder, en na een oppositiekuur tegen de Große Koalition van CDU/CSU stegen ze in 2009 tot bijna 11%. Maar vorig jaar ging die winst weer verloren en klokten ze af op 8,4%. Het niveau van eind jaren 1980, en ook het niveau van de Vlaamse Groenen anno 2014.

Maar in bepaalde regio’s staan ze duidelijk sterker. In Baden-Württemberg leveren ze met Winfried Kretschmann zelfs de minister-president in een staat met ongeveer evenveel inwoners als België. Ook de hoofdstad Stuttgart wordt ondertussen door een groene politicus geleid, Fritz Kuhn. In Hessen zetelen ze in een regering samen met de CDU. De tijd dat Franz Josef Strauß, de conservatieve Beierse CSU-leider, de Groenen een ‘Melonenpartei: Außen grün, aber innen rot’ [Meloenpartij, groen van buiten, rood van binnen] noemde lijkt lang vervlogen.

In Nederland kon GroenLinks twee keer rond de 7% scoren, in 1998 met Paul Rosenmöller en in 2010 met Femke Halsema. Maar de verkiezingen van 2012 werden een drama, met amper 2,3%. De Zweedse en Finse groenen zijn er evenmin in geslaagd ooit boven de 10% te stijgen bij nationale verkiezingen.

Oostenrijk is een hoopgevender voorbeeld. Daar doorbraken de Grünen in 2006 de grens van de 10%, om er bij de volgende twee verkiezingen niet meer onder te zakken. In 2013 behaalden ze 12,4%, hun beste score ooit. Regeren zat er tot nu toe niet in, maar ze zijn wel mee aan de macht in Wenen en staan met name in Tirol sterk. Letland werd in 2004 het eerste land met een groene regeringsleider. Indulis Emsis leidde gedurende negen maanden een minderheidsregering van drie partijen. Maar de ecologisten vormden daar een alliantie met een partij van boeren, en ze hadden een veel conservatiever profiel dan de groenen in West-Europa.

Het Franse Europe Ecologie Les Verts behaalde in 2009 een sterk resultaat bij de Europese verkiezingen met 16,3%. Nu zijn ze tot nog geen 9% teruggevallen. Op nationaal vlak behoren ze tot het linkse kamp, met een fractie van achttien verkozenen in de Assemblée nationale. Door het kiessysteem is het er moeilijk om als kleine partij door te breken. Datzelfde geldt voor het Verenigd Koninkrijk. De Britse Green Party scoort eveneens het best bij Europese verkiezingen (deze keer 7,7%), maar speelt geen rol bij verkiezingen op nationaal vlak.

Het parcours van Ecolo, voorbeeld of waarschuwing?

Misschien moet Groen het niet zo ver zoeken in zijn zoektocht naar succesvolle ecologische partijen. De partij van de Franstalige groenen, Ecolo, is meestal succesrijker gebleken dan haar Vlaamse zusterpartij. Al in 1981 werd in Wallonië 6% van de stemmen behaald. In 1999 en in 2009 werd in Wallonië meer dan 18% gescoord, telkens met een deelname aan de Waalse regering als beloning. In het Brussels Hoofdstedelijk Gewest werd bij diezelfde verkiezingen zelfs de kaap van 20% overschreden, en sedert 2004 regeert Ecolo mee in de hoofdstad. De zogenaamde dioxineverkiezingen van 1999 leverden de partij ook maar liefst drie van de tien Franstalige Europarlementsleden op.

In plaatsen als Amay, Enghien en Ottignies-Louvain-la-Neuve levert Ecolo de burgemeester, en ze besturen ook mee in de Waalse hoofdstad Namen. De verkiezingen van 25 mei leverden net als in 2003 een pijnlijk verlies op, maar ook nu zijn ze ongeveer even sterk als Groen. Ecolo is wellicht de succesrijkste groene partij van Europa. Maar het is wel opvallend dat de partij nu voor een tweede keer haar kiezers niet heeft kunnen vasthouden eenmaal de stap van 10 naar 20% gezet is en vooral eenmaal men aan het beleid heeft deelgenomen. Net als bij de regeringsdeelname na 1999 worstelde Ecolo met een aantal dossiers, zoals de zonne-energie, en werd daar electoraal voor afgestraft. Kiezers vonden bij de PTB-GO!, en in Brussel ook bij het FDF een alternatief bij de oppositie.

Beleid voeren is voor ecologische partijen niet per definitie vervloekt - de Duitse Grünen zijn voor hun regeringsdeelname met de SPD tussen 1998 en 2005 niet afgestraft - maar het is bij uitbreiding van het electoraat moeilijk om na beleidsdeelname in een coalitie de harde kern tevreden te stellen en ook de nieuwe kiezers aan boord te houden. Het is afwachten of Ecolo een partij blijkt te zijn met een basisniveau rond 10% en af en toe een uitschieter, of een partij die tussen 10 en 20% scoort en met cdH strijd levert voor de derde plaats in het Franstalige politieke landschap. Het is evenzeer afwachten of Ecolo een partij kan worden die het in de oppositie opgebouwde electorale kapitaal kan behouden na beleidsdeelname.

De Franstalige ecologisten hebben de promotie naar Eerste Klasse al tweemaal kunnen maken, maar ze zijn vervolgens opnieuw gedegradeerd. Elders in Europa hebben de groenen na ruim dertig jaar nog niet van het hoogste niveau kunnen proeven. Het moet tot nadenken stemmen over de te volgen weg.

DE STERKTE VAN GROEN: DE GROTE STEDEN

Wouter Van Besien vestigde na de verkiezingen de aandacht op de sterke scores van Groen in een aantal grote steden. Die zouden er op wijzen dat Groen kan uitgroeien tot het linkse alternatief in die steden, en mogelijk ook de trend van de toekomst aangeven. In Grafiek 2 gaan we dit in de realiteit na en vergelijken we de scores van sp.a, Groen en PVDA+ in de Vlaamse centrumsteden (federale verkiezingen 2014) en het Brussels Hoofstedelijk Gewest (regionale verkiezingen 2014).

Grafiek 2. Verkiezingsresultaten 2014 voor de Kamer voor sp.a, Groen en PVDA+ in de centrumsteden en Brussels Hoofstedelijk Gewest.

In West-Vlaanderen en Limburg blijkt de kloof tussen sociaaldemocraten en groenen nog diep, in Oost-Vlaanderen liggen de resultaten al een stuk dichter bij elkaar, in de Antwerpse centrumsteden zitten de Groenen de sp.a op de hielen en in Brussel en Leuven scoren beide partijen nagenoeg gelijk. Maar ook binnen een provincie kunnen de resultaten sterk verschillen. In Aalst scoren alle linkse partijen zwak, ook met de stemmen van de afgescheurde SD&P meegerekend, in Gent staan zowel sp.a als Groen sterk. Beide partijen triomfeerden er in een kartel bij de gemeenteraadsverkiezingen en besturen met Open VLD de stad.

Alvast op stedelijk niveau lijkt het axioma van de communicerende vaten niet op te gaan. In 1995 en 2003 deden de sociaaldemocraten het toenmalige Agalev pijn; in 1999 gebeurde de omgekeerde beweging. Beide partijen werden toen als communicerende vaten beschouwd. Het succes van de ene betekende automatisch het verlies van de andere. In 2014 is het linkse kiezerskorps in Vlaanderen daarentegen wat gegroeid. De sp.a verloor licht, Groen won en ook de PVDA+ ging vooruit. In steden als Antwerpen en Gent bedroeg de gezamenlijke winst zelfs 5%.

Dit alles betekent dat er ook plaatsen zijn waar Groen het minder goed doet. Limburg blijft de zwakste provincie: voor het eerst sedert 1999 werd een zetel in het Vlaams Parlement behaald, maar een Kamerzetel zat er niet in. Maar ook in bijvoorbeeld de Westhoek en de Denderstreek haalt Groen scores die een stuk onder het gemiddelde liggen. Om uit te groeien tot een sterke beleidspartij moet Groen de resultaten op het platteland verder opkrikken en zo zijn electorale basis verbreden.

HET LINKSE PROFIEL VAN DE GROENE KIEZERS

Bij eerdere verkiezingen werd het electoraat van Groen via diverse wetenschappelijke studies in kaart gebracht. Ook al heeft Groen winst geboekt, die is niet van dien aard dat de duidelijke kenmerken die eerder werden vastgesteld niet langer van toepassing zouden zijn. Uit een onderzoek van de KUL n.a.v. de verkiezingen van 2010 blijkt dat Groen vooral sterk scoort bij de kiezers tussen 25 en 45 jaar, en zwak bij de kiezers van 55 jaar en ouder. Hun electoraat is verder hoogopgeleid, weinig autoritair of individualistisch, ethisch progressief, relatief positief t.o.v. migratie. Ze zijn ook erg voor sociale gelijkheid.

De kiezers van Groen hadden in 2010 van de zes onderzochte partijen het meest uitgesproken progressieve profiel. Nog opvallender is dat ze het meest uitgesproken profiel hebben, daar waar kiezers van andere partijen een meer gemengd profiel lijken te hebben. De keuze voor Groen blijkt sterker dan bij andere partijen bepaald door het programma. Uiteraard is het milieuthema daarbij sterk dominant. Milieubewustzijn hoeft niet samen te gaan met ijveren voor meer sociale gelijkheid. Er zijn ook ecologisch bewuste liberalen. Maar de huidige Groen-kiezers hebben als profiel duidelijk een combinatie van ecologisch en sociaal bewustzijn. Dit profiel bepaalt in sterke mate de te volgen koers.

Groen is met een sociaaleconomisch uitgesproken links programma naar de kiezer getrokken en is daar ook voor beloond. Thema’s als een billijke bijdrage van vermogens en meer en betere jobs verdrongen zelfs de milieuthema’s naar de achtergrond. Er is geen reden om die linkse koers drastisch bij te stellen. Het sluit aan bij waar hun kiezers voor staan. Uit de berekeningen van Rekening 14, waarbij de partijprogramma’s vergeleken werden, bleek dat Groen sp.a links inhaalde: hun voorstellen rond personenbelasting en kinderbijslag waren meer herverdelend, Groen koos nadrukkelijker voor overheidsinvesteringen en ging ook veel verder in haar voorstellen voor een vermogensbelasting.

Drie dagen na de verkiezingen pleitte Jong VLD-voorzitter Bert Schelfhout voor een coalitie van N-VA, Open VLD en Groen, de partijen die minder verzuild zouden zijn (DM, 28/05). De Mechelse coalitie, waar ook de CD&V deel van uitmaakt, dient als voorbeeld. Zowel het programma als het kiezersprofiel van Groen suggereren dat er in dergelijke coalitie op sociaaleconomisch vlak moeilijk overeenstemming zou kunnen worden gevonden, en dat Groen als kleinste partner vermoedelijk het gelag zou moeten betalen voor het uitvoeren van een ander programma dan datgene wat aan de kiezer werd gepresenteerd.

De ondervertegenwoordiging bij de oudere kiezers ondersteunt de hypothese dat er nog groeimarge is voor Groen. Het electoraat van hoogopgeleide, progressieve stedelingen kan demografisch groeien. Zij kunnen doorstromen naar andere leeftijdscategorieën en milieuthema’s kunnen andere groepen mee aan boord helpen trekken. Maar de combinatie van milieubewustzijn, gevoel voor sociale rechtvaardigheid en ethische progressiviteit, essentieel om de kerngroep van de huidige kiezers aan boord te houden, beperkt ook de electorale wervingskracht. Een lichte maar gestage groei over langere termijn is zeker mogelijk. Maar aan dit tempo duurt het nog een paar verkiezingen eer het kiezersaantal van de huidige sp.a gehaald wordt (ongeveer 15%). Dat is in de huidige versnipperde politieke constellatie zowat de minimumgrens om regelmatig mee te spelen bij regeringsonderhandelingen. Maar het is niet genoeg om echt door te wegen op het beleid.

NAAR EEN LINKS FRONT...

De voorgaande vaststellingen roepen de vraag op hoe het in de toekomst verder moet voor Groen. Een winst van 2% is mooi, het zorgt voor een sterkere fractie, maar het verschil in politieke invloed is nihil. Op eigen kracht richting 15% en meer groeien zit er op korte en middellange termijn niet in. Nadenken over samenwerking ligt voor de hand. En gezien het partijprogramma en het kiezersprofiel kan daarbij enkel naar het linkse kamp gekeken worden.

Eerdere pogingen om de krachten te verenigen aan de linkerzijde van het politieke spectrum, zoals de oproep tot progressieve frontvorming van Leo Collard, operatie Doorbraak van Karel Van Miert, Het Sienjaal van Maurits Coppieters en Norbert De Batselier, de toenadering tussen Agalev en ACW ten tijde van Jos Geysels: alle zijn ze spaak gelopen doordat het ACW onwrikbaar vast zat bij de CVP, nu CD&V.

Aan de linkerzijde wordt deze situatie vaak betreurd. Wanneer in Vlaanderen links de stemmen worden geteld door de resultaten van sp.a, Groen, PVDA+ en eventuele andere linkse partijen op te tellen, blijkt verkiezing na verkiezing dat links in de verdrukking zit. In vergelijking met 2010 is dat aantal met 2% gestegen, maar met amper iets meer dan een kwart van de kiezers blijft links in Vlaanderen klein. Dan is het verleidelijk om manieren te zoeken om de progressieve ACW-kiezers, die nu niet in deze rekening zijn opgenomen, in een grote progressieve beweging op te nemen.

Het is maar de vraag of dit voor links beleidsmatig een betere strategie zou zijn. Alle regeringen sedert de Tweede Wereldoorlog hadden minstens één linkse component met ofwel de socialisten ofwel de christendemocratische arbeidersvleugel. Ook na deze verkiezingsuitslag zal minstens een linkse partij (sp.a of Groen) of een centrumpartij met een linkervleugel op sociaaleconomisch vlak (CD&V) mee regeren. In een gepolariseerd landschap, met een sterke verenigde linkse partij die het moet opnemen tegen rechts in Vlaanderen, riskeert links geregeld verenigd in de oppositie te belanden.

Maar ook in de huidige politieke context is een sociaaleconomisch uitgesproken rechtse meerderheid in Vlaanderen niet onmogelijk. N-VA en Open VLD hebben in het Vlaams Parlement samen precies de helft van de zetels. Een scenario waarbij Ben Schelfhout kon oproepen tot een rechtse regering zonder Groen, waarbij alle partijen met een sterke vakbondsvleugel buitenspel konden worden gezet, was met wat meer zetels voor deze partijen perfect mogelijk.

De politieke context zet samenwerking dus wel degelijk op de agenda. Zowel Groen waar de grote doorbraak niet in het verschiet ligt, als sp.a dat de teleurstellende verkiezingsresultaten aaneenrijgt, hebben belang bij samenwerking. Bruno Tobback kondigde alvast aan te willen ‘werken aan een partij die links kan verenigen, zoals N-VA op rechts heeft verenigd’.

CD&V bevindt zich na deze verkiezingen tactisch in een comfortabele positie, maar het heeft niet veel gescheeld of die positie was veel precairder. Ook het ACW zal zich moeten beraden over zijn opties voor de toekomst, zeker in de nasleep van de Dexia-affaire. Voor partijen helemaal aan de linkerkant van het politieke spectrum, zoals de PVDA+, zal ook in de toekomst plaats blijven. Samenwerking met andere linkse partijen is zeker mogelijk, zoals momenteel in de Borgerhoutse districtsraad. Maar een linkse hergroepering inclusief PVDA+, waarbij tegelijkertijd gestreefd wordt naar een brede beweging die deelneemt aan het beleid, is geen optie.

Wil men een breed links front, dan is de christendemocratische arbeidersvleugel onontbeerlijk. En samenwerking tussen Groen en die vleugel, los van de sociaaldemocraten, zou voor Groen ook al een serieuze winst kunnen betekenen. Maar op korte termijn is samenwerking tussen Groen en sp.a realistischer. Ze zijn met sterk bij elkaar aansluitende programma’s naar de kiezer getrokken. Inhoudelijk moet samenwerking zeker lukken. Die samenwerking concreet maken is een ander paar mouwen.

... OF EEN MEER BESCHEIDEN LINKSE SAMENWERKING?

Bij een losse samenwerking zal bij beide partijen, en gezien de ervaringen in 2003 vooral bij Groen, de schrik blijven bestaan dat de andere zal groeien ten koste van het eigen electoraat. Onderling vertrouwen tussen de diverse kopstukken zal daarbij essentieel zijn. De kaarten liggen gunstiger dan in het tijdperk-Stevaert, toen een sterke sp.a een aangeslagen Agalev leek te willen opslokken. De krachtsverhoudingen zijn nu veel evenwichtiger. Samenwerking rond thema’s dreigt ook à la carte te gebeuren en zorgt niet voor een verankerde alliantie. Het is ook moeilijk verzoenbaar met het spel van meerderheid en oppositie.

Een kartel vereist verregaandere samenwerking, maar het is bijlange niet zeker dat dit een garantie is voor winst. In Limburg was er in 2012 al een kartel voor de provincieraadsverkiezingen. En de ervaringen bij de recentste gemeenteraadsverkiezingen in Gent waren positief. Maar er was toch ook enige consternatie bij de sp.a toen na de monsterzege bleek dat ze door de voorkeurstemmen een zetel verloren, terwijl Groen er vier won. Ook in een kartel zijn heldere afspraken nodig. Elke partij moet haar eigenheid kunnen behouden. Coalities met andere partijen op lokaal vlak kunnen verschillen (zoals het kartel van Groen en Open VLD in Mechelen). Elke partner heeft een zusterpartij aan Franstalige zijde, wat bijvoorbeeld tot andere samenwerkingsvormen kan leiden op Brussels niveau. Europees behoren Groen en sp.a tot verschillende fracties, en er is geen reden om dat te veranderen. Beide partijen hebben een verschillende interne structuur, andere tradities, hanteren een wat ander discours en zijn heel anders ingebed in de samenleving en het maatschappelijke middenveld.

Samenwerking met elk zijn eigen profiel is de beste optie. Die samenwerking moet resulteren in het omzetten van waar men voor staat in beleid. Dat kan een kartel zijn als een soort electoraal platform, waar Groen en sp.a deel van uitmaken en dat open staat voor andere progressieven. Daarmee trekt men samen naar de kiezer (om het aantal zetels te maximaliseren) en vervolgens samen naar onderhandelingen voor het vormen van een coalitie (om de electorale slagkracht maximaal in beleid om te zetten). Als beide partijen de volgende legislatuur niet beide in de meerderheid of in de oppositie zitten, wordt het smeden van dergelijke alliantie wel heel wat moeilijker.

CONCLUSIE

Tot nu toe was het water op Vlaams niveau veel te diep. De verkiezingsuitslag maakt dat de vraag naar samenwerking wellicht sterker leeft bij de ontgoochelde sp.a-basis dan bij de van hun winst genietende groenen. Maar om echt te wegen op het beleid is veel meer nodig dan een goede 8% van de stemmen. Als Groen werk wil maken van het uitvoeren van zijn programma, dan zal samenwerking nodig zijn. Wachten tot men net groot genoeg is om zelfstandig mee te doen met de coalitievorming, maar te klein om echt op het beleid te wegen, is een risicovolle langetermijnstrategie. Dan riskeert men een deel van de kiezers na beleidsdeelname weer te verliezen en terug te vallen rond de kiesdrempel.

Samenwerking aan de linkerzijde is geen eenvoudige zaak, maar zo kan men wel de sprong maken naar een partij waar men niet zomaar naast kan kijken. Het is kiezen tussen traag groeien om zo kampioen in Tweede Klasse te worden (misschien ooit het marktleiderschap van een verbrokkeld links) of door samenwerking met de lokale concurrent doorgroeien tot een club die meestrijdt voor de prijzen in Eerste Klasse. Supporters kiezen niet noodzakelijk voor het tweede, bestuurders zijn daar vaker toe geneigd.

Nico Pattyn
Verbonden aan Metis Instituut

Bibliografie
- Abts Koen, Swyngedouw Marc & Billiet Jaak. De structurele en culturele kenmerken van het stemgedrag in Vlaanderen, 2011, CeSO en IPSO http://soc.kuleuven.be/web/files/6/34/Structurele\_en\_culturele\_determinanten\_van\_stemgedrag\_in\_Vlaanderen2010.pdf).
- Decoster André e.a.: Rekening 14. Een vergelijking tussen de partijprogramma’s. Eindrapport, 19 mei 2014, KUL (http://www.deredactie.be/polopoly\_fs/1.1974885!file/Rekening14.pdf).

verkiezingen - Groen - links

Samenleving & Politiek, Jaargang 21, 2014, nr. 6 (juni), pagina 16 tot 24