Abonneer Log in

Het Europees minimumloon: lakmoesproef voor een sociaal Europa

Samenleving & Politiek, Jaargang 21, 2014, nr. 6 (juni), pagina 64 tot 73

Het stof van de Europese verkiezingen was nog maar net gaan liggen of Jean-Claude Juncker eiste al het commissievoorzitterschap op voor de grootste Europese fractie, de Europese Volkspartij (EVP). Juncker stelde eerder al dat een Europees minimumloon een van de prioriteiten moet zijn voor de Unie, wat hem populairder maakt bij socialistische staats- en regeringsleiders dan bij leden van de Europese Raad van zijn eigen EVP. Hij beseft immers dat de Europese legitimiteit stevig onder druk staat door de eenzijdige focus op besparingen. Europees links beseft dat al langer. Het sociaal Europa stond dan ook centraal in de programma’s van zowel de sociaaldemocraten, radicaal-links als de groenen. De opkomst van eurosceptici bewijst dat Europa met een legitimiteitsprobleem kampt. Het Europees minimumloon staat nog niet officieel op de Europese agenda, maar het lijkt wel een uitstekend moment om de wenselijkheid en haalbaarheid van dit voorstel van dichterbij te bekijken.

VERSCHILLENDE SCENARIO’S VOOR EEN EUROPEES MINIMUMLOON

Hét Europees minimumloon - in de zin van een vast bedrag - zal waarschijnlijk nooit bestaan. Daarvoor zijn de verschillen tussen de landen te groot. Een Europees minimumloon is dus een relatieve ondergrens die zal verschillen van land tot land, afhankelijk van bepaalde parameters. Op die manier kan de loongrens voor alle lidstaten betekenisvol zijn. Over de manier waarop die ondergrens berekend moet worden, lopen de meningen echter wat uiteen.

Grosso modo zijn er vier populaire voorstellen.
Veruit het meest geciteerde voorstel is om het minimumloon te definiëren als een percentage van het gemiddeld of mediaaninkomen in een land. Het percentage is dan voor alle landen gelijk, maar het absolute minimumloon niet. Eén voorstel1 gaat uit van 60% van het mediaanloon in een land. Hierdoor moet een alleenstaande werknemer in ieder geval boven de Europese armoedegrens uitkomen. De keuze voor het mediaan inkomen heeft echter het nadeel (of voordeel) dat het niet gevoelig is voor veranderingen aan de uiteinden van de loonverdeling. In een land waar de hoge lonen sterk stijgen maar de middeninkomens niet, zou het minimumloon dus onveranderd blijven.
Om daaraan te verhelpen stellen anderen voor om het minimumloon op 50% van het gemiddeld loon vast te leggen: 50% en geen 60%, omdat het gemiddeld loon vaak veel hoger ligt dan het mediaanloon. Reden hiervoor is dat de hoge lonen het gemiddelde optrekken, waar dit niet zo is voor de mediaan. In vele landen komen deze twee manieren van berekenen op bijna hetzelfde neer.
Een derde voorstel vertrekt niet van de loonverdeling, maar kijkt naar het BBP per capita. Op deze manier wordt het minimumloon gelinkt aan de productiviteit in het land, en niet aan de loonverdeling.
Een laatste voorstel stelt geen duidelijk bindend criterium voor. In dit voorstel zou een raad van de EU elk jaar op basis van verschillende indicatoren het niveau bepalen van de verschillende minima in Europa. Dit voorstel wijst naar verschillende landen waarin het minimumloon op deze manier wordt vastgelegd zoals het Verenigd Koninkrijk.2 Een belangrijk nadeel aan dit laatste voorstel is echter dat het Europees minimumloon op deze manier politiek dreigt uitgehold te worden.
Belangrijk is ook dat in alle voorstellen uitgegaan wordt van de bepaling van een minimum voor het nationale minimumloon. Landen zijn met andere woorden vrij om hogere minimumlonen in te stellen.

Grafiek 1. Aandeel werknemers met een loon lager dan 60% van het mediaanloon.

Bron: SILC 2010. Eigen bewerking op basis van Eurofond (2014)

WIE ZAL HET VOELEN?

Veruit de meeste actoren gaan uit van een scenario waarin een Europees minimumloon bepaald wordt op 60% van het mediaanloon van een bepaald land. Om een zicht te krijgen op de effecten van een eventuele invoering van zo’n ondergrens bekeek Eurofound in een recente studie3 wie momenteel een loon heeft onder die grens. Hoewel de data niet perfect zijn, geeft de studie een goed zicht op de landen waar de impact van zo’n minimumloon het grootst zal zijn.

Grafiek1 geeft het aandeel werknemers dat zijn loon aangepast zou zien als er een dergelijk Europees minimumloon ingevoerd zou worden. Duitsland neemt de koppositie in met bijna 1 op 4 werknemers dat een aanpassing in zijn loon zou zien.4 Het percentage voor België is bij de laagste vijf en is beduidend lager dan het percentage in onze andere buurlanden.

Deze cijfers maken alvast twee dingen duidelijk. Een Europees minimumloon dreigt een sterke impact te hebben in sommige lidstaten, terwijl dit minder het geval is in andere. De verschillen hier voldoen niet aan voor de hand liggende categorieën zoals Noord versus Zuid of West versus Oost. Landen als Denemarken, Roemenië, Finland en België zitten in hetzelfde schuitje van landen die de impact (in % werknemers) weinig zullen voelen, terwijl dit omgekeerd is voor Duitsland, Letland, Luxemburg, Ierland en Litouwen.

WAAROM WILLEN WE EEN EUROPEES MINIMUMLOON?

De belangrijkste vraag die zich stelt, is uiteraard waarom een Europees minimumloon wenselijk is. Het achterliggend motief is simpel: meer sociale rechtvaardigheid, waarvoor we geen prijs moeten betalen.

Een kwestie van sociale rechtvaardigheid …

Het eerste doel van een Europees minimumloon is het verhogen van de lonen van werknemers die momenteel weinig verdienen. Arbeid moet lonen, overal in Europa. Als mensen voltijds werken, moet ze dat voldoende opbrengen om goed van te leven. De armoedegrens in Europa ligt vast op 60% van het mediaaninkomen en het lijkt dus billijk dat een alleenstaande die voltijds werkt ongeveer genoeg verdient om boven die grens uit te komen. Ongeveer, want het Europees minimumloon verwijst naar het mediaanloon en niet naar het mediaaninkomen.

Dat een Europees minimumloon voor een verhoging van lonen zal zorgen, staat buiten kijf. Als het eenvoudigweg illegaal is om mensen te werk te stellen onder een bepaalde ondergrens, dan zullen werkgevers zich genoodzaakt zien om de laagste lonen ten minste tot dat niveau te laten stijgen. Er bestaan echter twee risico’s. Werkgevers kunnen ook beslissen om geen arbeidsplaatsen meer aan te bieden, of ze kunnen ervoor kiezen om mensen aan te nemen zonder contract (in het zwart). Het eerste risico - het effect van een minimumloon op de werkgelegenheid - wordt later besproken. Het tweede risico is relevant, zeker in landen waar het gewicht van de informele economie reeds zwaar is. Maar daar staat tegenover dat ook de lonen in de informele sector gevoelig zijn voor de invoering of de verhoging van een minimumloon. Inderdaad, een minimumloon stelt een psychologische grens in waar de informele sector zich aan spiegelt en vaak worden daar ongeveer dezelfde lonen uitgekeerd (maar dan zonder belastingen te betalen).

We concluderen dat het inkomen van heel wat werknemers zal stijgen bij de invoering van een Europees minimumloon. De cijfers van Eurofound spreken voor zich. Maar er is meer, zoals reeds vele malen aangetoond zijn het niet enkel de zeer lage lonen die aangepast worden, maar is er sprake van een ripple effect. Ook de lonen die net boven het minimum liggen, worden vaak verhoogd na de invoering of de verhoging van een minimumloon. Er is met andere woorden sprake van een uitdijende golf van loonaanpassingen die verzwakt naarmate ze hoger klimt op de inkomensladder.

En daarmee komen we direct bij de tweede belangrijke doelstelling van een Europees minimumloon: het verminderen van de ongelijkheid. Als een minimumloon ervoor zorgt dat lagere lonen sterk stijgen en middeninkomens een beetje, dan betekent dit dat de loonverdeling gecomprimeerd wordt. De laagste lonen zullen relatief dichter bij de hoogste liggen nadat een ‘minimumloongolf’ gepasseerd is. Logischerwijs spreken we dus van minder ongelijkheid. Over het maatschappelijke nut van minder ongelijkheid hoeven we hier geen boekje open te doen. Onderzoekers van allerlei gesternte hebben de voordelen van gelijkheid reeds vele malen aangetoond.5

Een derde ambitie van een Europees minimumloon is het terugdringen van het fenomeen van werkende armen. Lang leek het alsof ‘werkende armen’ niet meer bestonden in Europa, maar de laatste jaren kwam het fenomeen terug onder de aandacht. Recente cijfers van Eurostat geven aan dat zo’n 9,2% van de Europese werknemers als ‘working poor’ geclassificeerd kan worden. In België ligt dit percentage op (slechts) 3,8%. Het fenomeen van werkende armen strookt echter niet met het Europese sociale model. In Europa wordt er veel beleidsaandacht geschonken aan het activeren van mensen. Het minste dat men zou kunnen verwachten, is dat werkende personen (geactiveerden) dan ook de garantie hebben om niet armoede te hoeven leven. Een minimumloon dat ligt op de armoedegrens is een noodzakelijke eerste stap in de strijd tegen het fenomeen van werkende armen. Een wonderoplossing is het echter ook niet. Om iemand onder de noemer ‘werkende arme’ te plaatsen wordt echter niet enkel gekeken naar het arbeidsinkomen van die persoon. Men moet kijken naar het inkomen op gezinsniveau, door rekening te houden met de gezinssamenstelling. Iemand met een goed loon maar vele kinderen en een niet-werkende partner, kan daardoor in de categorie van werkende armen terechtkomen.

De impact van een Europees minimumloon op het aandeel werkende armen in de verschillende lidstaten is dus niet helemaal duidelijk. Het effect hangt af van minstens twee factoren: (1) het aandeel werknemers dat hun loon zal zien stijgen en (2) de karakteristieken van de populatie ‘werkende armen’ in de lidstaten. Voor het eerste verwijzen we naar de cijfers hierboven. Voor het tweede verwijzen we naar een studie van de OESO6 waarin gesteld wordt dat een minimumloon (of een verhoging ervan) vooral een effect heeft op werknemers die voltijds werken en werken met een vast contract. Het zijn deze werknemers die hun loon het sterkst zien stijgen. Op basis van de EU-SILC data (European Union Statistics on Income and Living Conditions) zien we dat het aandeel werkende armen met een vast contract of die voltijds werken vooral hoog is in landen als Roemenië, Griekenland, Spanje, Luxemburg, Letland en Italië. In die landen kunnen we dus verwachten dat de invoering van een Europees minimumloon een sterker effect zal hebben op het aandeel werkende armen dan in andere. Maar ook hier merken we dat werkende armoede vooral voorkomt bij mensen die niet voltijds werken en geen vast contract hebben. We concluderen dus alweer dat het Europees minimumloon een instrument is, maar geen wondermiddel om het aandeel werkende armen te doen dalen.

Als laatste verwijzen we naar het effect van een Europees minimumloon op sociale dumping. Er wordt in Europa veel misbruik gemaakt van het detacheringsrecht, waarbij mensen worden tewerkgesteld met een buitenlands arbeidscontract. De ‘harde kern van de arbeidsvoorwaarden’ van het werkland moet worden gerespecteerd, terwijl de sociale zekerheid kan worden betaald in het buitenland. De problemen zijn tweeërlei. Allereerst is er soms sprake van regelrechte fraude. Bulgaren en Roemenen worden in België tewerkgesteld als schijnzelfstandige tegen een veredeld hongerloon. Meer slagkracht voor de sociale inspecties is daarbij noodzakelijk. Er is echter ook een tweede probleem: de Europese regels zijn niet waterdicht. In een conflict tussen de Duitse deelstaat Neder-Saksen en een Poolse onderaannemer oordeelde het Europees Hof van Justitie dat de Duitse cao niet moest worden gevolgd, aangezien die niet algemeen bindend werd verklaard. Alleen wettelijke bepalingen en met de wet gelijkgestelde bepalingen kunnen worden afgedwongen. Het is precies hierin dat een Europees minimumloon duidelijkheid kan scheppen. Zo’n minimumloon moet immers worden gerespecteerd voor alle werknemers - ook de gedetacheerde.7

… waar we geen prijs voor betalen

Een Europees minimumloon kan en zal natuurlijk ook zijn ‘economische’ effecten hebben. Ons inziens zijn er veel argumenten om te stellen dat ook deze economische neveneffecten positief, of ten minste neutraal, zullen uitdraaien.

Werkgelegenheid

Het belangrijkste argument tegen minimumlonen in het algemeen is dat het jobs zal kosten. Werkgevers zullen namelijk geen jobs meer aanbieden waarvoor hun opbrengst lager ligt dan het minimumloon. Hoge minimumlonen zouden dus werkgelegenheid vernietigen en werkwilligen daarom in armoede duwen. Of hoe de strijd tegen werkende armoede meer niet werkende armen dreigt te veroorzaken. Of deze argumentatie klopt valt te betwijfelen. De conclusies van enkele recente ervaringen, cijfermateriaal en een hele reeks wetenschappelijke onderzoeken wijzen allemaal in dezelfde richting: het effect van een minimumloon op werkgelegenheid is onbestaande, of in ieder geval zeer klein.

Een mooi voorbeeld van een onderzoek naar de effecten van een minimumloon is de studie van Card & Kreuger in de Verenigde Staten.8 In de jaren 1990 koos de Amerikaanse staat New Jersey ervoor om het minimumloon fors te verhogen. De aangrenzende staat Pennsylvania deed dat niet en dus deed er zich een mooie opportuniteit voor om de effecten te bestuderen. Om andere invloedsfactoren uit te sluiten, concentreerden ze zich op één sector: ze volgden meer dan 400 fastfoodrestaurants voor en na de verhoging van het minimumloon. Hun belangrijkste vaststelling was dat de tewerkstelling in New Jersey, in vergelijking met de controlegroep in Pennsylvania, niet daalde. Integendeel, er werd zelf een verhoogde tewerkstelling vastgesteld als gevolg van het nieuwe minimumloon. Ze vonden nog bijkomende bewijzen voor het positieve effect van minimumlonen op tewerkstelling, door binnen New Jersey de bedrijven die lage lonen betaalden te vergelijken met de bedrijven die hoge lonen betaalden. Bedrijven die hoge lonen betaalden (boven het nieuwe minimumloon) moesten zich immers niet aanpassen aan de nieuwe minimumlonen. Card en Krueger stelden vast dat de werkgelegenheid toenam (!) in de bedrijven met lage lonen, die door de invoering van het minimumloon hun lonen moesten verhogen. Daarnaast stelden Card en Krueger vast dat de lonen in New Jersey in deze periode aanzienlijk stegen (gemiddeld met 10% in de onderzochte sector), wat natuurlijk de bedoeling was van de verhoging van de minimumlonen. Ook de productprijzen in de fastfoodrestaurants stegen zodat een deel van de hogere loonkosten werd afgewenteld op de consument.

Recenter (1999) besliste ook Engeland om een minimumloon in te voeren. Na meer dan 10 jaar minimumloonbeleid kunnen we de effecten goed evalueren op korte en middellange termijn. Verschillende studies die gebruikmaken van vele verschillende onderzoeksmethodes komen tot telkens dezelfde conclusies: het minimumloon in Engeland heeft geen negatief effect gehad op de tewerkstelling (volgens sommigen zelfs een licht positief effect), maar heeft wel gezorgd voor minder loonongelijkheid, minder werkloosheid en een verminderde loonkloof tussen mannen en vrouwen.9 Op basis van deze resultaten werd het minimumloon verkozen als de beste beleidsbeslissing in de laatste dertig jaar in Engeland door een reeks experts.10

Recente en minder recente studies tonen dus aan dat een minimumloon geen grote ontwrichtende effecten heeft op de werkgelegenheid. Maar er is meer. De basisredenering tegen het minimumloon stelt namelijk dat bedrijven geen jobs meer gaan aanbieden waarvan de marginale opbrengst onder de kost (het minimumloon) ligt. De jobaanbodscurve wordt met andere woorden afgesneden ter hoogte van het minimumloon. Potentieel gaan hier arbeidsplaatsen verloren omdat de kost van sommige werknemers ‘vast ligt’ op een (marktgezien) niet optimaal niveau.
Als men echter kijkt naar de verdeling van de lonen in landen met minimumlonen, dan worden er zogenaamde employment spikes opgemerkt. Het aandeel werknemers dat het minimumloon verdient (of net ietsje meer) is relatief groot en vooral groter dan het normaal had moeten zijn. Het klopt dus niet dat werkgevers eenvoudigweg alle werknemers zullen ontslaan die iets te weinig opbrengen als er een minimumloon wordt geïnstalleerd (of als het bestaande verhoogd wordt). Mogelijks gebruiken ze meeropbrengsten van elders om het werk toch te laten doen, of zetten ze zich in om de productiviteit van werknemers die normaal minder dan het minimumloon gingen verdienen op te drijven door training of organisatorische aanpassingen. Dit alles draagt bij tot minder ongelijkheid in de onderneming en bij uitbreiding in de maatschappij.

We concluderen dat een Europees minimumloon (gemiddeld gezien) geen dramatische effecten zal hebben op de werkgelegenheid in de verschillende lidstaten. Maar er sluipt wel een addertje onder het gras. Gemiddeld gezien is er geen werkgelegenheidseffect, maar voor werknemers met een relatief lage productiviteit (lees: jongeren, laaggeschoolden) wordt het wél moeilijker om een job te vinden. Gezien de hoge jeugdwerkloosheid in veel lidstaten is dit wel degelijk een aspect dat enige aandacht verdient.

Competitiviteit

Een tweede belangrijke argument dat zowel als voor- als tegenargument gebruikt wordt in de discussie over een Europees minimumloon is het effect op de competitiviteit van landen. Zo wond een (anonieme) Europarlementariër er geen doekjes rond door te stellen dat het debat over een Europees minimumloon essentieel ging over de Duitse loonpolitiek: ‘Germany is the real issue.11Het Duitse beleid van loonmatiging versterkt namelijk zijn concurrentiele positie en zet andere landen ertoe aan om hetzelfde beleid te voeren om de economie aan te zwengelen. Als iedereen overal de lonen echter laat dalen, komen we in een negatieve spiraal waar niemand beter van wordt. Een Europees minimumloon moet dat vermijden. Door een ondergrens vast te leggen, verlaagt men de ruimte om te concurreren op lage lonen.
Omgekeerd leeft er bij velen de vrees dat een Europees minimumloon vooral onze eigen competitiviteit zal ondergraven en onszelf uit de markt zal prijzen tegenover Europese en niet-Europese handelspartners. Aangezien een Europees minimumloon zal verschillen van land tot land, zullen de lonen in andere landen lager blijven én zal België minder speling krijgen om de lonen te matigen.

Opnieuw verwijzen we naar een studie van Eurofound die een poging deed om de effecten van een Europees minimumloon op de competitiviteit in te schatten. Ze deden dit door te kijken naar het percentage werknemers dat zijn loon aangepast zou zien door zo’n minimumloon. Daarnaast keken ze naar de sectoren waarin deze werknemers vooral actief zijn en de mate waarin deze sectoren exporteren. Hun bevindingen zetten vraagtekens bij beide argumentaties.
De werknemers die hun loon aangepast zullen zien door een Europees minimumloon zijn vooral actief in de bouw en in low-tech sectoren. Dit zijn sectoren die weinig last hebben van internationale concurrentie; ze exporteren ook zeer weinig. Een goed voorbeeld van een sector die het effect sterk zal voelen, is de schoonmaaksector. De concurrentie in deze sector is moordend (met zeer lage lonen als gevolg), maar is vooral binnenlands.

Maar als de impact op de competitiviteit tussen landen laag is, waarom moeten we dan een Europees minimumloon invoeren? Was het niet net een van de doelen van het Europees minimumloon om deloyale concurrentie tegen te gaan (quid Duitsland)? Zeker. Hoewel de impact van een Europees minimumloon op de competitiviteit dus beperkt zal zijn, zijn er wel sterke verschillen tussen landen. In Letland, Litouwen, Polen, Ierland en Hongarije zal de (geschatte) impact op de competitiviteit het hoogst zijn, terwijl ze lager zal zijn in landen als Frankrijk, Spanje, Portugal, Zweden en Finland. Voor België hebben we hier helaas geen schattingen.

De vorige analyse heeft enkele duidelijke limieten. Zo is het sectorniveau niet zo specifiek en gaat het dus om ruwe schattingen. Maar andere argumenten ondersteunen ook de these dat een Europees minimumloon geen ontwrichtende effecten zal hebben op de concurrentiekracht van bedrijven, sectoren en landen. De belangrijkste daarvan is zeker het feit dat een Europees minimumloon, zoals de naam het zegt, zal gelden voor de hele Europese Unie. In alle landen zullen de lonen dus evolueren naar eenzelfde (relatief) loonniveau. De competitiviteit van bepaalde landen tegenover andere (op basis van bijvoorbeeld efficiëntie) zal grotendeels behouden blijven.

Groei? Op naar een vraaggestuurd groeimodel

De economische consensus richt zich momenteel op het aanbod. De (loon)kosten moeten worden beperkt. Dit zal leiden tot meer export, winst, investeringen en werk. Of dat werkt, hangt een stuk af van het land. Immers, als de daling van de lonen te veel weegt op de interne koopkracht, dan krijg je niet meer maar net minder groei. Menig econoom (zie o.a. Stockhammer en Onaran)12 is er ondertussen van overtuigd dat dit het geval is in Europa. Een verlaging van de loonkost zou de economische groei afremmen door een verminderde vraag. Groei zou dus vooral moeten komen van een stijging van de lonen, niet een daling. Een Europees minimumloon kan een eerste stap vormen van een Europees groeimodel dat zich richt op het stimuleren van de vraag, niet van het aanbod.

WELKE MIDDELEN HEEFT EUROPA TER BESCHIKKING?

Een aspect dat we tot nu toe niet besproken hebben, is de manier waarop een Europees minimumloon vorm moet krijgen. Hoe zal Europa zijn lidstaten ertoe aanzetten om het Europees minimumloon effectief te implementeren en af te dwingen? In de Europese verdragen staat namelijk expliciet dat Europa geen bevoegdheden heeft over de loonvorming en de manier waarop lonen tot stand komen.13 Ondanks dat expliciete verbod zien we echter dat Europa zich meer en meer op dit terrein begeeft. In het Europese Parlement wordt regelmatig opgeroepen om te ageren tegen lage lonen, werkende armen en andere sociale excessen. Ook de Commissie begeeft zich op het loondomein in haar landenaanbevelingen in het kader van de Europese ‘six pack’ en het Euro plus pact.

De effectieve afdwinging kan gebeuren op twee manieren:
(1) Volgens velen moet dit gebeuren via de zogenaamdeopen coördinatiemethode van de EU. Minimumlonen worden in Europa op veel verschillende manieren vastgelegd en in die traditie zouden dus de lidstaten hun eigen strategie kunnen bepalen om het doel te bereiken. Het nadeel van deze strategie is dat de Commissie een doel kan stellen, maar geen acties kan afdwingen bij lidstaten om dat doel te bereiken. Zoals we verder zullen zien, kan deze methode ook voordelen hebben voor de critici van bindende Europese bepalingen rond minimale verloning - zie supra.
(2) De Commissie kan dat wel als ze gebruik maakt van een richtlijn.Op die manier zou Europa beslissen hoe het minimumloonbeleid er moet uitzien in de lidstaten om te komen tot een harmonisatie naar een Europees minimumloon. De Europese verdragen sluiten echter alle inmengingen van Europa over lonen uit - zie artikel 153 VWEU. Dat betekent dat men eerst de verdragen zou moeten veranderen vooraleer Europa een verordening in deze zin zou kunnen uitvaardigen. Of dat men zal moeten werken met een juridisch achterpoortje.14

Maar hoe komt het dat zelfs binnen het Europees vakverbond geen eensgezindheid bestaat over de wenselijkheid van een Europees minimumloon? Er spelen twee grote argumenten. Een. Volgens sommige (voornamelijk Scandinavische) bonden zal dit de vakbonden namelijk verzwakken. Zij slagen er tot op heden nog in om via collectieve akkoorden op verschillende niveaus hoge minima af te dwingen. Deze minima geven hen een grote legitimiteit bij de werknemers. Als die minimumlonen vastgelegd worden via wettelijke regelingen, verliezen de bonden dus een deel van hun legitimiteit. Wij denken dat die vrees onterecht is. Een Europese bepaling rond minimale verloning hoeft immers niet noodzakelijk worden omgezet via wet. Men kan het immers ook aan de sociale partners overlaten. In België is het minimumloon ook niet via wet vastgelegd, maar is het opgenomen in een interprofessionele cao. Daarnaast zijn vakbonden vrij om verder sectorale cao’s te onderhandelen die hogere minima instellen. Twee. Er is ook een principieel argument. Willen we eigenlijk wel dat dit ‘liberale Europa’ zich gaat moeien met de loonvorming? Europa kan dan potentieel ook remmen zetten op de loonevoluties in landen. Deze groep van ‘linkse eurosceptici’ houden vast aan de sociale bevoegdheden op nationaal niveau. Dat is op zich een legitiem standpunt, maar we moeten benadrukken dat het uiteraard over minimale normen gaat. Daarnaast merken we dat in vele landen de EU nu al druk uitoefent op het loonbeleid. Een Europees minimumloon kan dit corrigeren.

HET EUROPEES MINIMUMLOON: NIET ENKEL HOEKSTEEN MAAR OOK BREEKIJZER

Dat een Europees minimumloon enkele duidelijk voordelen heeft, is voor ons in ieder geval duidelijk. Het zou daarnaast een hoeksteen zijn van het sociaal Europa. De invoering van een Europees minimumloon zou wijzen op een fundamentele koersverandering richting een evenwichtiger beleid. Maar er is meer, een Europees minimumloon zal niet enkel een hoeksteen zijn van een sociaal Europa, maar ook een breekijzer voor verder sociaal beleid. Al gauw zullen vragen gesteld worden naar de afdwinging van de Europese sociale minima en zal worden gekeken naar een harmonisering van regels rond sociale en andere inspectie.

En die sociale katalysator heeft de Europese Unie meer dan ooit nodig. Verschillende opiniepeilingen - waaronder die van Eurobarometer - tonen aan dat het Europees sociaal deficit vreet aan de legitimiteit van de EU. Laten we hopen dat deze tekst de zaken een heel klein beetje in beweging kan brengen.

Stan De Spiegelaere
Onderzoeker aan het HIVA (Onderzoeksinstituut voor Arbeid en Samenleving) en actief bij Poliargus.
Olivier Pintelon
Actief bij Poliargus.

Noten
1/ Dit voorstel wordt onder andere voorgesteld door de onderzoeker Thorsten Schulten en werd ook overgenomen in een communicatie van het Europees Parlement. Schulten, T. (2002). A European Solidaristic Wage Policy? European Journal of Industrial Relations, 8(2), pp. 173-196. European Parliament. Role of minimum income in combating poverty and promoting an inclusive society in Europe, Pub. L. No. P7\TA(2010)0375 (2010).
2/ Rycx, F., & Kampelmann, S. (2012).
Who earns minimum wages in Europe?_ (ETUI Report No. 124) (p. 64). Brussels: ETUI.
3/ AumayrPintar, C., Cabrita, J., FernándezMacías, E., &VacasSoriano, C. (2014). Pay in Europe in the 21st century. Dublin, Ireland: Eurofound.
4/ Vanaf 2017 zal er over heel Duitsland een minimumloon zijn van 8,50 euro bruto.
5/ Wilkinson, R., & Pickett, K. (2010). The Spirit Level: Why Equality is Better for Everyone. Penguin.
World Economic Forum.(2014). Global Risks 2014. Ninth Edition (p. 60). Geneva: World Economic Forum.
6/ OECD.(1998). OECD Employment Outlook 1998. OECD Publishing.
7/ Voor alle duidelijkheid: het minimumloon van het werkland moet dan gerespecteerd worden.
8/ Card, D., &Krueger, A. B. (1994). Minimum Wages and Employment: A Case Study of the Fast-Food Industry in New Jersey and Pennsylvania. The American Economic Review, 84(4), pp. 722-793.
9/ Dolton, P., Bondibene, C. R., & Wadsworth, J. (2010).The UK National Minimum Wage in Retrospect\*.Fiscal Studies, 31(4), pp. 509-534. Dolton, P., Bondibene, C. R., & Wadsworth, J. (2012). Employment, Inequality and the UK National Minimum Wage over the Medium-Term\*.Oxford Bulletin of Economics and Statistics, 74(1), pp. 78-106. Metcalf, D. (2008). Why has the British National Minimum Wage had Little or No Impact on Employment. Journal of Industrial Relations, 50(3), pp. 489-512.
10/ Zie hiervoor onder andere: BBC News. (3 December 2010). Minimum wage "most succesful government policy" http://www.bbc.co.uk/news/uk-politics-11896971.
11/ Euractiv. (17 April 2012). Brussels to push for EU-wide minimum wage. EurActiv | EU News & policy debates, across languages. http://www.euractiv.com/socialeurope/brussels-push-eu-wide-minimum-wa-news-512189.
12/ Onaran, Ö.,&Galanis, G. (2012). Is aggregate demand wage-led or profit-led? Conditions of Work and Employment Series, (40). Stockhammer, E., &Onaran, Ö. (2012). Rethinking wage policy in the face of the Euro crisis. Implications of the wage-led demand regime. International Review of Applied Economics, 26(2), pp. 191-203.
13/ Conform artikel 53 van het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie.
14/ Zoals artikel 352 VWEU - beter bekend als het kapstokartikel.

minimumloon - sociale bescherming - Europa

Samenleving & Politiek, Jaargang 21, 2014, nr. 6 (juni), pagina 64 tot 73