Abonneer Log in

Het thuisvoordeel bij verkiezingen

Samenleving & Politiek, Jaargang 21, 2014, nr. 8 (oktober), pagina 75 tot 82

In 1991 besliste Wilfried Martens, afkomstig uit de regio rond Eeklo en woonachtig te Gent, om bij de Senaatsverkiezingen op te komen in de kieskring Brussel-Halle-Vilvoorde. Hoewel hij verkozen werd, leerde hij toch een belangrijke politieke les: ‘Je politiek arrondissement verlaten geldt hier als een misdaad, ‘een dwaasheid’, zoals sommige partijgenoten mij na de verkiezingen kwamen vertellen. Wie in zijn politieke carrière liever op veilig speelt, blijft zijn thuishaven beter trouw’.1 Met deze uitspraak benadrukte Martens in zijn memoires het belang van lokale verankering voor Belgische politici. Iedere politicus die een verlengstuk wil breien aan zijn parlementaire carrière, kan als verkiezingskandidaat dan ook beter dicht bij huis opkomen. In deze bijdrage gaan we na in welke mate de Vlaamse kandidaten dit al dan niet deden bij de acht voorbije Kamerverkiezingen, en waarom.

HET BELANG VAN LOKALE VERANKERING

Martens leek het inderdaad bij het rechte eind te hebben: als je het wetenschappelijk onderzoek erop naslaat, moet je al goed gek zijn (of bijzonder veel zelfvertrouwen hebben) om vrijwillig op een ‘verre’ lijst te gaan staan. Maar al te vaak blijkt immers dat kandidaten de meeste voorkeurstemmen dicht bij huis halen.2 Dat hoeft natuurlijk niet te verbazen: een kandidaat uit de eigen streek is vaak een bekend gezicht voor de kiezer. Door de beperkte afstand tussen kiezer en kandidaat is er veel meer geweten over het profiel en de verwezenlijkingen van lokale kandidaten en komen ze ook sneller ter sprake bij small talk over politiek en verkiezingen. Die tendens werd al meer dan een halve eeuw geleden omschreven als het friends and neighbours effect.3 Natuurlijk is dat werk intussen al wat gedateerd, maar de theorie werd wel bevestigd in verschillende landen en blijft ook vandaag nog brandend actueel tijdens verkiezingen.

In de Belgische context is het onderzoek naar dit soort lokaal kiesgedrag echter nog vrij beperkt gebleven. Dergelijke analyses werden voornamelijk bemoeilijkt door de beperkte beschikbaarheid van verkiezingsuitslagen op lokaal niveau: tot en met de federale verkiezingen van 2010 werden de federale en regionale stemresultaten enkel tot op het niveau van de kantons bekendgemaakt. Hoewel de samenstelling van de kantons wel bepaalt waar we als kiezer moeten aanschuiven voor het stemhokje, heeft het kantonnale niveau voor het overige geen enkele politieke betekenis. De kieskringen zelf zijn uiteraard het meest relevante niveau: hun contouren geven aan welke lijsten en kandidaten het rechtstreeks tegen elkaar opnemen en op welk niveau de zetels aan lijsten en kandidaten worden toegewezen. Maar om te kunnen aantonen dat er zoiets bestaat als een ‘thuisvoordeel’ voor lokale kandidaten, heb je natuurlijk gegevens op een meer gedesaggregeerd niveau nodig.

Er is echter goed nieuws voor de geïnteresseerde politicologen en geografen: sinds de regionale en federale verkiezingen van 2014 worden de resultaten ook op gemeentelijk niveau ter beschikking gesteld. Dit laat ons toe om het kiesgedrag nog adequater in kaart te brengen en het effect van de woonplaats van kandidaten veel fijnmaziger te analyseren. We zullen wel een aantal verkiezingen moeten wachten vooraleer er over langetermijnevoluties kan worden gesproken. Eventueel kunnen de resultaten voor de regionale en federale parlementsverkiezingen wel vergeleken worden met de vorige gemeente- en provincieraadsverkiezingen, maar het lijkt niet altijd zinvol om die uiteenlopende stembusslagen op een hoop te gooien. In ieder geval maakt de beslissing van de federale en regionale wetgever om de gemeentelijke uitslagen te publiceren de toekomst wat rooskleuriger voor het onderzoek naar lokaal kiesgedrag in België.

Wat we intussen wel al kunnen doen, is nagaan of de verkiezingskandidaten en de partijen zelf rekening houden met het belang van lokale verankering en het thuisvoordeel. Het gebeurt immers regelmatig dat we bij het overlopen van de kieslijsten een kandidaat tegenkomen die niet helemaal op die lijst ‘thuishoort’. Met andere woorden, een kandidaat die opkomt in een kieskring die eigenlijk niet de zijne is. Met het voorbeeld van Martens en het gekende belang van lokale verankering in het achterhoofd is dat toch wel een vrij merkwaardige vaststelling. In de politiek-wetenschappelijke literatuur wordt dit ook wel eens politieke parachutage genoemd.

In deze bijdrage willen we focussen op de verkiezingskandidaten die op een lijst staan buiten de eigen kieskring. Wie zijn die zogenaamde parachutisten, die de eigen regio verlaten en hun kans wagen in een kieskring waar ze op het eerste gezicht geen enkele band mee hebben? En waarom kiezen zij of de partij ervoor om dit te doen?

We analyseren de kandidatenlijsten van de Vlaamse partijen voor acht verkiezingen van de Kamer van Volksvertegenwoordigers (1987-2014) om die vragen te beantwoorden. Op basis van de akten van voordracht die de partijen moeten indienen voor de verkiezingen, zijn we in staat de kandidaten op te sporen waarvan de woonplaats niet overeenstemt met de kieskring waar ze opkomen. Maar vooraleer we die resultaten toelichten, staan we kort even stil bij eerder onderzoek naar dit fenomeen.

PARACHUTISTEN EN WOONPLAATSVEREISTEN

Ondanks de algemene consensus dat je best dicht bij huis opkomt, valt er ook in België hier en daar wel eens een kandidaat te bespeuren die geen enkele lokale band lijkt te hebben met de kieskring in kwestie. Het gaat dan niet alleen om kandidaten zonder lokaal mandaat, maar ook zonder officiële woonplaats in de kieskring. Dit is echter slechts een beperkte minderheid in de totale populatie van kandidaten. Zo stelde ook Lieven De Winter een hele tijd geleden al vast dat het gros van de Belgische parlementsleden een sterke lokale verankering kennen en voor het grootste deel van hun leven in dezelfde kieskring blijven wonen.4

De enige grondige Belgische analyse van parachutage, van Frognier en Diaz, komt tot dezelfde conclusie: aan het einde van de jaren 1990 waren er nauwelijks gevallen van ‘territoriale parachutisten’ terug te vinden in het federale Parlement.5 Volgens hen komt er in ons land veel vaker een andere, niet-territoriale vorm van parachutage voor, waarbij partijen kandidaten rekruteren van buiten de klassieke politieke circuits. Dan gaat het bijvoorbeeld om BV’s of bedrijfsleiders die omwille van hun nationale bekendheid zouden kunnen uitgroeien tot stemmenkanon.

Maar in andere landen komt de klassieke, territoriale vorm blijkbaar wel een stuk vaker voor. Dat geeft dan ook aanleiding tot een aantal interessante studies over parachutage. Een onderzoek naar de Scandinavische landen wijst bijvoorbeeld uit dat niet minder dan een kwart van de Deense parlementsleden in een andere regio woonde dan de kieskring waar ze werden verkozen.6 Daarnaast leek ook in Frankrijk het parachuteren van kandidaten naar andere kieskringen lange tijd een nationale sport te zijn, waar deze strategie vooral werd toegepast door de Gaullistische beweging bij het begin van de Vijfde Republiek.7

Er is dus wel wat variatie tussen landen vast te stellen. Dat hoeft uiteraard niet te verbazen: de mate waarin partijen met hun kandidaten kunnen schuiven als pionnen over een speelbord is sterk afhankelijk van de geldende kieswetgeving. Betekent dit dan dat de Belgische wetgeving te strikt is om aan parachutage te kunnen doen?

Dit blijkt niet het geval te zijn: een blik op de kieswetgeving in ons land maakt al snel duidelijk dat België toch tot de categorie van soepele cases behoort. Belgische politieke partijen hebben een bijna ongebreidelde vrijheid om hun kandidaten strategisch te ‘parachuteren’ naar andere kieskringen. Aangezien we ons in deze bijdrage beperken tot de Kamerverkiezingen, geven we hier enkel een overzicht van de wetgeving voor deze verkiezingen, al zijn de bepalingen voor de andere assemblees vrij gelijklopend.

Voor de verkiezing van de Kamer van Volksvertegenwoordigers is er, naast de nationaliteitsvereiste, enkel de verplichting om woonachtig te zijn in een Belgische gemeente. Voor het overige zijn er geen beperkingen: iemand kan zich in principe kandidaat stellen in alle kieskringen van het land. Het staat de Vlaamse partijen dus vrij om ook kandidaten op de lijsten te plaatsen die in Wallonië wonen, en vice versa. Denken we bijvoorbeeld aan Hendrik Vuye, over wie meermaals bericht is in de media in de aanloop naar de verkiezingen van 25 mei 2014. Hij kwam als inwoner van het Waals-Brabantse Bevekom op voor N-VA op de Vlaams-Brabantse Kamerlijst. Ook was het voor Vlaams Belang geen probleem om in de kieskring Henegouwen onder de naam ‘Faire place Nette’ een lijst in te dienen, waarop onder meer Veroniek Dewinter - dochter van Filip - stond.

Het is dus duidelijk dat de Belgische partijen de handen vrij hebben om, naar het voorbeeld van hun Franse en Deense collega’s, naar hartenlust te schuiven met hun kandidaten over de verschillende kieskringen. In het aansluitende deel bekijken we of, en in welke mate, dit het geval was tijdens de voorbije acht verkiezingen van de Kamer van Volksvertegenwoordigers voor wat de Vlaamse partijen betreft.

DATA EN RESULTATEN

In het kader van het KANDI-project, waarbij de profielen van verkiezingskandidaten systematisch in kaart worden gebracht,8 verzamelde onze onderzoeksgroep de achtergrondgegevens van 8.402 Vlaamse kandidaten voor de verkiezingen van de Kamer van Volksvertegenwoordigers. Van 8.328 van hen waren we in staat om de woonplaats te registreren die aangegeven werd op de akten van voordracht die door de partijen moeten worden ingediend bij de voorzitter van het hoofdbureau van de kieskring. In deze analyse focussen we op de kandidaten van de partijen CVP/CD&V, SP/sp.a, PVV/(Open)VLD, Agalev/Groen, VU/N-VA en Vlaams Blok/Belang.

Wanneer we de woonplaats van deze 8.328 kandidaten vergelijken met de kieskring waarin ze zijn opgekomen, dan stellen we vast dat over de laatste acht Kamerverkiezingen amper 136 kandidaten (1,6%) parachutist waren. Dit ligt duidelijk in de lijn van eerder onderzoek naar parachutage in België. Bekijken we dit vervolgens per verkiezing (Tabel 1), dan zien we dat er in zekere zin een tendens waar te nemen valt. Bij de verkiezingen van 1987 en 1991 lag het aantal parachutisten beduidend hoger dan gemiddeld. In 1987 kwam maar liefst 3,1% van alle kandidaten op in een ‘vreemde’ kieskring, in 1991 was dit 2,2%. Vanaf 1995 zien we echter dat dit percentage plots sterk daalt tot onder 1%, om de daaropvolgende verkiezingen vrij stabiel te blijven op dit niveau. In 2014 neemt het aantal parachutisten weer sterk toe, tot het niveau van begin jaren 1990.

Tabel 1: Aantal parachutisten en overige kandidaten, per verkiezing (absolute aantallen en kolompercentages).

Achter deze algemene cijfers per verkiezing gaat echter heel wat variatie schuil. In onze analyse zijn immers de kandidaten opgenomen van zes Vlaamse partijen. In Tabel 2 gaan we daarom eerst na bij welke partij of partijen de meeste parachutisten terug te vinden zijn.

Tabel 2: Aantal parachutisten en overige kandidaten, per partij (absolute aantallen en kolompercentages).

Er is één partij die er duidelijk bovenuit steekt, namelijk Vlaams Blok/Belang. Deze partij heeft over de verschillende verkiezingen heen bijna 4% parachutisten op haar lijsten gehad. Dat is niet alleen meer dan dubbel zoveel als de groene partij, die met 1,7% op de tweede plaats staat, maar ook ruim boven het algemene gemiddelde. Op de derde plaats komen de liberalen, die zich met 1,6% op dit algemene gemiddelde bevinden. In Vlaanderen is het dus de uiterst rechtse partij die zich de ‘partij van de parachutisten’ bij uitstek kan noemen, hoewel de absolute aantallen nog steeds relatief laag liggen.

Als we de evolutie per partij en per verkiezing in kaart brengen (Grafiek 1), dan worden meteen bepaalde uitschieters duidelijk. Zo kan, om te beginnen, de hoge gemiddelde waarde van Vlaams Blok/Belang hoofdzakelijk toegeschreven worden aan haar lijsten voor de verkiezingen van 1987, 1991 en 2014, aangezien de partij bij de overige verkiezingen zeer nauw bij de andere partijen aansluit. Vooral 1987 is erg opvallend, toen de partij meer dan 10% parachutisten op haar lijsten had. In datzelfde jaar is daarnaast ook Agalev een duidelijke uitschieter, al is de afstand tot Vlaams Blok zeer groot. In 2014 krijgt Vlaams Belang het gezelschap van Open VLD: beide partijen zijn op een relatief hoog niveau aan elkaar gewaagd. Op enige afstand worden ze gevolgd door N-VA. Voor het overige liggen de partijen, enkele bescheiden opflakkeringen niet te na gesproken, zeer dicht bij elkaar rond het algemene gemiddelde van 1,6%.

Grafiek 1: Percentage parachutisten op kandidatenlijsten, per verkiezing en per partij.

OP ZOEK NAAR EEN VERKLARING

Wat kan nu echter de tendens en de uitschieters in Grafiek 1 verklaren? Waarom kiezen partijen ervoor om kandidaten in een andere kieskring te laten opkomen dan degene waarin ze wonen? Hieronder geven we een aanzet tot enkele mogelijke verklaringen voor dit verschijnsel.

Eerder werd al aangegeven dat voornamelijk Vlaams Blok en Agalev in 1987 en 1991 een hoog aantal parachutisten op hun lijsten hadden. Dit hoeft niet te verbazen: beide partijen waren toen nog vrij jonge organisaties die nog niet over een sterk uitgebouwde partijstructuur beschikten. In tegenstelling tot de traditionele partijen konden ze zich niet beroepen op een uitgebreide achterban en een stevige lokale verankering. Het was voor deze partijen dan ook een pak moeilijker om de lijsten van alle (toen nog arrondissementele) kieskringen te vullen met kandidaten uit de kieskring in kwestie. In zo’n context worden partijen er dus toe verplicht om over de grenzen van de kieskring op zoek te gaan naar potentiële kandidaten die de partij actief willen steunen. Wanneer beide partijen zich in de loop van de jaren 1990 kunnen consolideren, zien we vervolgens dat ook het aantal parachutisten op hun lijsten gevoelig afneemt. De ‘pool’ van potentiële kandidaten waaruit deze nieuwe partijen kunnen putten, is dan immers aanzienlijk gegroeid.

Deze verklaring lijkt bovendien te worden bevestigd als we van naderbij bekijken in welke kieskringen de parachutisten opkwamen en waar ze woonden. Zoals eerder al aangegeven, kwamen kandidaten in het begin van de jaren 1990 nog op in kleinere arrondissementele kieskringen (Figuur 1). We stellen echter vast dat een zeer groot deel van de parachutisten bij Vlaams Blok en Agalev binnen dezelfde provincie bleven. Van alle Vlaams Blok-kandidaten die in 1987 en 1991 opkwamen in een ‘vreemde’ kieskring, stond 80% op een lijst in dezelfde provincie als degene waarin ze woonden. Bij Agalev was dit zo in 68,8% van de gevallen. Hoewel men dus de grenzen van de eigen kieskring overschrijdt, wordt wel nog steeds rekening gehouden met het belang van de lokale verankering, doordat gezocht wordt naar personen die binnen dezelfde provincie wonen.

Figuur 1: Indeling in kieskringen bij de verkiezingen van 1987 en 1991

Daarnaast zouden we eveneens kunnen verwachten dat de omvang van de kieskringen op zich ook een invloed heeft op het aantal parachutisten. Terwijl er in 1987 nog dertig kleine arrondissementele kieskringen waren, worden kandidaten momenteel verkozen in provinciale kieskringen, als gevolg van wijzigingen aan de kieswetgeving in 1993, 2002 en 2012. En voor partijen is het nu eenmaal gemakkelijker om geschikte kandidaten uit de kieskring in kwestie te vinden als de kieskringen groter zijn. Er is dan immers een ruimere ‘pool’ aan beschikbare kandidaten. We zouden dan ook kunnen verwachten dat het aantal parachutisten is gedaald bij elke vergroting van de kieskringen, in het bijzonder na de provincialisering van de kieskringen in 2002. Onze data wijzen evenwel uit dat dit geen enkele impact heeft gehad op het aantal parachutisten op lijsten, aangezien er zich bij de verkiezingen van 2003 geen plotse daling heeft voorgedaan.

Eén vaststelling kan echter wel gerelateerd worden aan een gewijzigde indeling in kieskringen, namelijk de opflakkering van het aantal parachutisten bij enkele partijen bij de verkiezingen van 2014. Twee jaar voordien werd immers de kieskring Brussel-Halle-Vilvoorde gesplitst, waardoor twee afzonderlijke kieskringen Vlaams-Brabant en Brussel-Hoofdstad ontstonden. Voor de partijen betekende dit een nieuwe situatie: ze moesten nu expliciet op zoek gaan naar Brusselse kandidaten voor de kieskring Brussel-Hoofdstad, terwijl ze de kieskring Brussel-Halle-Vilvoorde vroeger gemakkelijk konden bevolken met kandidaten uit Vlaams-Brabant. Het vinden van Brusselse kandidaten voor de nieuwe kieskring Brussel lijkt echter geen evidentie: 15 van de 26 parachutisten (57,7%) in 2014 zijn kandidaten die in Vlaams-Brabant wonen maar kandidaat zijn op de Brusselse Kamerlijst. Net zoals Agalev en Vlaams Blok in het begin van de jaren 1990, hadden de partijen opnieuw een gebrek aan kandidaten uit de betrokken kieskring om hun lijsten te vullen. Opvallend is wel dat we dit hoofdzakelijk bij Open VLD en Vlaams Belang vaststellen, terwijl de andere partijen geen problemen hebben om Brusselse kandidaten te vinden.

Tot slot kunnen nog enkele bijkomende redenen aangehaald worden waarom een partij ervoor kiest om een kandidaat campagne te laten voeren in een ‘vreemde’ kieskring. Zo is het mogelijk dat de partij een kandidaat met enige bekendheid overhevelt naar een andere kieskring om daar een eerder zwakke lijst te ondersteunen. Antwerpenaar Bart Staes kwam in 2010 bijvoorbeeld de groene lijst in Brussel-Halle-Vilvoorde versterken vanop de lijstduwerspositie. De partij hoopte (tevergeefs) door de aanwezigheid van Staes, die verder geen ambitie had om als Kamerlid te gaan zetelen, de enige zetel in de kieskring veilig te stellen. Daarnaast kwam ook Frank Vandenbroucke in 2003 als lijsttrekker op in deze kieskring, hoewel woonachtig in de kieskring Leuven. Verder werd er in 2010 uitvoerig bericht in de media over het lijsttrekkerschap van Siegfried Bracke voor de N-VA-Kamerlijst in Oost-Vlaanderen. Bracke woonde op dat moment immers in het Kempense Mol, al zou hij op termijn wel verhuizen naar Gent. Het is inderdaad waarschijnlijk dat de partij de voormalige VRT-journalist in deze kieskring uitspeelde in de hoop de invloed van de socialisten en liberalen te breken. Anderzijds was Bracke geen volledig vreemde eend in de bijt, aangezien Gent zijn geboortestad is.

Het is dus evenzeer mogelijk dat de parachutist een andere band heeft met de kieskring waarin hij opkomt. Sommigen keren op deze manier bijvoorbeeld terug naar hun geboortestreek, terwijl anderen mogelijks werken in deze kieskring of er bekende familie hebben. Op die manier is er toch een zekere vorm van lokale verankering, al is die misschien niet meteen zichtbaar. Parachutage is dan zelfs nog zeldzamer in Vlaanderen dan oorspronkelijk gedacht. Toch blijft dit fenomeen het bestuderen waard: parachutisten op de lijst zeggen wel iets over de lokale sterktes en zwaktes van politieke partijen, en meer algemeen over de strategische keuken bij de lijstvorming. En dat is mooi meegenomen, want het blijft bijzonder moeilijk voor politicologen en journalisten om daar een duidelijk zicht op te krijgen.

Jef Smulders
Wetenschappelijk medewerker aan het KU Leuven Instituut voor de Overheid
Gert-Jan Put
FWO-aspirant verbonden aan het KU Leuven Instituut voor de Overheid

Noten
1/ Martens, W. (2006), De memoires: Luctor et emergo. Tielt: Lannoo.
2/ Wauters, B., Weekers, K. en Pilet, J. (2004), ‘Het gebruik van de voorkeurstem bij de regionale en Europese parlementsverkiezingen van 13 juni 2004’, Res Publica, 46(2-3), 377-412.
3/ Key, V.O. (1949), Southern Politics in State and Nation. New York: Knopf; Cox, K.R. (1969), ‘The spatial structuring of information flows and partisan attitudes’, in M. Dogan en S. Rokkan (eds.), Quantitative Ecological Analysis in the Social Sciences, Cambridge: MIT Press.
4/ De Winter, L. (1997), ‘Intra‐and Extra‐Parliamentary Role Attitudes and Behavior of Belgian MPs’, Journal of Legislative Studies, 3(1), 128-54.
5/ Frognier, A.P. en Diaz, M.M. (2003), ‘Le parachutage politique en Belgique’, in B. Dolez en M. Hastings (eds.), Le parachutage politique, Paris: Harmattan.
6/ Pedersen, M.N., Kjœr, U. en Eliassen, K.A. (2007), ‘The geographical dimension of parliamentary recruitment’, in M. Cotta en H. Best (eds.), Democratic representation in Europe: Diversity, change and convergence, Oxford: Oxford University Press.
7/ Thiébault, J.L. (1988), ‘France: the impact of electoral system change’, in M. Gallagher en M. Marsh (eds.), The secret garden of politics: Candidate selection in comparative perspective, London: Sage.
8/ Zie ook: B. Maddens, G. Put en J. Smulders (2014), Het DNA van de kandidaten, Leuven: Acco en J. Smulders, G. Put en B. Maddens (2014), Een vergelijkende analyse van het profiel van de kandidaten voor de Kamerverkiezingen van 1987 tot en met 2014, Leuven: KU Leuven Instituut voor de Overheid.

verkiezingen - electoraat - parachutisten

Samenleving & Politiek, Jaargang 21, 2014, nr. 8 (oktober), pagina 75 tot 82