Abonneer Log in

Meer politiek en minder beheer

Samenleving & Politiek, Jaargang 21, 2014, nr. 8 (oktober), pagina 58 tot 66

Democratie werd de voorbije decennia toenemend teruggeschroefd ten voordele van de markt en zogenaamde bestuursefficiëntie. Daardoor is zogenaamd links aangeschoten en wordt het zelfs als ‘conservatief’ weggezet door de rechtse regeringen van vandaag. Het is tijd om zelfkritisch na te gaan waar politiek denken ten onrechte verlaten werd voor managementlogica. Het is tijd ook om de kleine alternatieve burgeracties, de ‘kleine revoluties’, ernstig te nemen en ermee in gesprek te gaan. Breek met het wantrouwen tegenover de burger, en erken de kracht van overlevingsinitiatieven buiten de markt. Dat is een progressief project.

SCEPTICISME OVER VERZET

In zijn recent boek De democratie voorbij (2014) bespreekt Luc Huyse uitvoerig de historisch ontwikkelde gebreken van het huidige stelsel van representatieve of parlementaire democratie. Op de strenge maar toch ook enigzins voorzichtige manier die hem eigen is, wijst hij op de ontsporingen die de huidige democratie dreigen de das om te doen:

-de verdamping van de natiestaat naar een hoger niveau van besturen (bijvoorbeeld de EU, het IMF) en naar een lager niveau (bijvoorbeeld de regio’s, maar meer nog de steden en gemeenten).

-de graaicultuur (door Huyse ook letterlijk zo benoemd) van de financiële economie, die op korte termijn, in het belang van de kleine groep van internationale aandeelhouders, de reële economie en de welvaart van hele landen bedreigt door een ongelimiteerd speculatief gegok, dat door geen enkele instantie nog kan worden gecontroleerd. De trans-Atlantische akkoorden die in de steigers staan, beloven eenzelfde weg op te gaan als de troika-beleidsopties van de EU in de voorbije jaren.

-de verknoping van toppolitici en economische corporaties, waardoor de 1% groep eigen politici in topfuncties parachuteert, hen van experten voorziet en later terug opneemt in beheerraden van hun corporaties. Of, zoals Stiglitz (2011) het krachtig karakteriseerde: regeren van de 1%, door de 1% en voor de 1%.

-de marktgevoelige sensatiezucht van media, die met elkaar naar beneden toe in concurrentie gaan en zo een publiek binden dat van de realiteit geen weet meer heeft, ondanks de vele kanalen van informatie die bestaan: de lobby's van de oliebusiness, de monopoliedrang van Microsoft, de controle op alle staten en volkeren en hun leiders door middel van de ICT-technologie, enzovoort leiden in dit informatietijdperk niet meer naar ernstige discussie tussen en met alle wereldburgers over de uitputting van grondstoffen, de onbeheersbaarheid van grote ongelijkheden, de noodzakelijke en realistische omslag naar een ‘post-carbon’ economie. Integendeel, echtscheidingen, faits divers over leidende figuren, maar ook regionalistische fantasieën beheersen het debat in de media en laten de stem van de ‘gewone man of vrouw’ zorgvuldig buiten beeld. Tot het volgende verkiezingsfeest.

In deze wereld wordt democratie, zoals die gestoeld was en gegroeid is in de natiestaatcontext, een weeskind, dat dus ook aan slagkracht en aan appél inboet. Huyse roept op om de democratie terug te versterken, al was het maar omdat ze de minst slechte vorm van regeren is, die de mensheid heeft ontworpen. Maar ook, die democratie krijgt nu eindelijk een beetje stabiliteit in Latijns-Amerika, bijvoorbeeld, terwijl ze in verveling achteruit boert in het welvarende Westen.

Hij wijst op de bedrieglijke politiek van Groot-Brittannië en Nederland, die elk op zich recent een politiek lanceerden waarin de burger meer zeggenschap zou krijgen over talrijke domeinen. Het leek dan alsof de democratie hier net versterkt ging worden. In beide gevallen betreft het projecten binnen een neoliberale politiek, die tegelijk besparingen op sociale welvaart en onderwijs nastreven, en de markt willen laten spelen waar vroeger de staat optrad. In een situatie van sterke ongelijkheid (Groot-Brittannië is misschien wel de meest duale maatschappij van West-Europa) leidt dit tot mensonwaardige uitsluiting van al wie door ‘de markt’ niet interessant genoeg bevonden wordt. Bovendien is de vermarkting van diensten zo doorgehold dat rechten, die (sinds de Tweede Wereldoorlog) eindelijk aan alle burgers werden toegekend, uitgehold worden en tot voorrechten gemaakt voor wie de diensten kan betalen. De politiek abdiceert hier volledig ten voordele van ‘beheer’ en een beleidsoptie van deze twee zogenaamd democratische landen toont zich hierin als een duidelijk ondemocratische zet tegen de eigen bevolking.

Huyse vermeldt als een mogelijk positieve ontwikkeling de ‘kleine revoluties’, die ik in een vorig werk benoemde en meer wilde erkend zien door de politieke vertegenwoordigers van onze landen (Pinxten, 2013). De nieuwe golf van coöperaties, de initiatieven van samenredzaamheid die in groten getale oprijzen sinds het neoliberalisme meer vat ging krijgen op onze samenlevingen (en die sinds 2008 ook veel meer in beeld komen), laten een politieke reactie zien die nog pril is, maar niettemin als reactie op de officiële politiek moet worden begrepen. Huyse zegt dat het begrip kleine revoluties veel scepticisme heeft opgewekt, maar hij stipt aan dat ook vakbonden en ziekenkassen langs eenzelfde kleine weg begonnen zijn. Het scepticisme is dus niet noodzakelijk verantwoord.

Bovendien, met de crisis van het bestuur dat steeds minder garant kan staan voor welvaart, en de ‘verkleutering’ van de media in de huidige tijd, kan de officiële politieke vertegenwoordiging geen duidelijke of stabiele gunstige resultaatsrekening meer voorleggen. Een alternatief, zoals de kleine revoluties, is misschien wel geboren uit noodzaak, en niet vanuit een of ander romantisch doe-het-zelf gevoel. De sceptici zijn het probleem, durf ik stellen, niet degenen die zich verzetten tegen de afkalving van de democratie. Maar er is meer, waarom de scepticus ongelijk heeft in deze tijd.

ECONOMIE BOVEN POLITIEK EN BURGER

Neoliberalisme is een ideologische stroming die de mens nagenoeg volledig onderschikt maakt aan de economie; ook het politieke wordt nu een bijhuis van de economische belangen van bepaalde groepen. Stiglitz (2011) en Graemer (2014) hebben, na vele anderen nu al, getoond hoe de belangrijkste politici in de wereld sinds Reagan en Thatcher meer en meer in dienst treden van de 1%: ze worden erdoor geholpen in hun dure verkiezingscampagnes, worden gesteund door de gepaste lobby’s tijdens hun mandaat en belanden dan na hun mandaat in één of meer raden van beheer van dezelfde 1%. Daardoor zijn de machtigste politici meer en meer wegbereiders en handlangers geworden van de aandeelhoudersgroepen die de zogenaamde globalisering stuwen. Het uitgebreide analysewerk van Piketty (2014) toont minstens aan dat de noodzakelijke politieke sturing van de verbreding van de ongelijkheidskloof sinds de jaren 1980 (met de eerste neoliberale regeringen van Reagan en Thatcher) bijzonder succesvol blijkt voor de nieuwe economische elite. Dat de financialisering van de economie ondertussen de reële economie aanvalt en tegelijk ook in het welvarende Westen een nieuwe dualisering realiseert, is voorlopig voor de kleine rijke elite geen probleem, omdat geen enkele voldoende machtige controle, noch een sterke politieke tegenkracht de roekeloze negatieve spiraal kan stoppen: de kosten van een beurscrash worden namelijk voorlopig betaald door de staten, en dus door de bevolking.

De oude rol van controle op het economische leven door de politiek werkt nog onvoldoende. De koppeling van de politiek aan de staatsstructuur, o.a. via het verkiezingssysteem, is daarbij een reële handicap geworden: sinds de Tweede Wereldoorlog glijden we immers snel af naar de ‘post-soevereine staat’ (Delanty, 2010) die steeds meer taken afstoot naar hogere en/of lagere structuren en daardoor de rol van politieke sturing en controle steeds minder kan invullen. De hogere structuren (type EU, IMF, G20) worden in de praktijk in hoge mate gestuurd door lobbygroepen in dienst van de grootste corporaties (Leggett, 2014). De lagere structuren, zoals steden en gemeenten en hun middenveld, zoeken steeds meer hun autonome macht af te grenzen ten opzichte van de staatsstructuren, om zo de overleving van de burgers minstens te trachten veiligstellen. Door de politieke en budgettaire afhankelijkheid van de steden en gemeenten van de staat, en door de leegzuigoperaties van de financiële grote spelers ook op de lokale besturen is dit verre van vanzelfsprekend. Het nettoresultaat van al deze processen (naast ongetwijfeld nog andere) is dat politici meer en meer onmachtig worden, en de zogenaamde markt (in feite de oligopolies van de grote corporaties) bijzonder dominant wordt.

In dat kader hebben we, in mijn aanvoelen, de voorbije periode van drie decennia - de tijd van de installatie van de neoliberale maatschappij - nagenoeg geen protest gekend, geen georganiseerd politiek weerwerk tegen het neoliberalisme. Tot plots de acties van Occupy Wall Street en de Indignados, naast de Arabische Lente (om deze maar te noemen) de media even konden beroeren. Of die acties nu wel of niet tot structurele veranderingen zullen leiden, is hier niet aan de orde. Dat er eindelijk een politiek protest kwam, dat ook mee besturende groene en sociaaldemocratische partijen leek te verrassen, is het punt dat ik wil maken. Het is duidelijk dat progressieve groeperingen vandaag nog lang niet weten wat aanvangen met die tekenen van verzet, waarbij vakbonden nog het meest trachtten om aansluiting te vinden. Ze werden echter niet gevolgd door politieke partijen.

Maar er is een tweede vorm van verzet te bespeuren, en dat al minstens twee decennia. Geïnspireerd door de ecologische veranderingen, door de uitputting van de grondstoffen, door de kwalijke gevolgen van de klimaatopwarming en door het progressief wegtrekken van vaak nog winstgevende bedrijfsgroepen naar lagelonenlanden zien we toenemend transitieprojecten en -netwerken groeien, al of niet vormgegeven in coöperatieve vorm. Het is tegen deze initiatieven dat het scepticisme gericht is waarover Huyse het heeft. Die ‘kleine revoluties’ is maar wat prutsen in de marge, hoor ik dan op voordrachten. Of: zal dat allemaal wel blijven bestaan? Of: dat is de reactie van de ‘geitenwollen sokken’, toch? Of ten slotte: is dat wel efficiënt en krachtig als reactie?

Ik wil niet elk van die reacties weerleggen. Ten eerste is het daarvoor nog te vroeg, maar verder weiger ik defensief te reageren. Ik zou nog eens kunnen verwijzen naar de enorme groei van burn-out, van depressie of van zelfdoding in onze streken (zie Verhaeghe, 2011), en de vraag stellen of dat dan als de ‘collateral damage’ moet worden gezien van de gepretendeerde efficiëntie? Of misschien als een gevolg moet gezien van de lafheid van de bestuurders die de neoliberale wind helpen waaien en hun relatie met TINA (‘there is no alternative’) niet in vraag willen stellen?

Maar stelt die ‘alternatieve richting’ (ik kies moedwillig datzelfde woord uit TINA) van coöperaties en kleine revoluties wel iets voor? Dat is voorlopig niet goed becijferd. Toch zou elke progressieve politicus, en elke medewerker van die politicus, al lang aansluiting hebben moeten zoeken bij die burgergroepen: hier manifesteren mensen toenemend dat ze het beu zijn of afvallig geworden zijn van hun statuut van cliënt, en hun rechten van mens en burger terugeisen. Dat is meer dan betekenisvol voor progressieven, lijkt me. In Groot-Brittannië, Nederland en zeker in zuidelijke staten van Europa zijn op dit ogenblik vele sectoren van de maatschappij in verval: onderwijs, cultuur, de zorgsector werden progressief afgestoten door de regerende partijen en ‘overgelaten aan de burgers’: ‘Big Society’ in Groot-Brittannië en de ‘overheidsparticipatietrap’ in Nederland werpen de verantwoordelijkheid en een beetje (veel te weinig) geld terug op de burger, in de hoop dat die burger de nood wel zal bedwingen. Een verantwoordelijk stadsbestuur in Gent vertelt me ondertussen dat de armoede blijft stijgen in onze welvarende streken, en dat nu ook ‘blanke tweeverdieners’ vaak in moeilijkheden komen. Zijn dit geen tekenen genoeg om scepticisme te milderen en actieve interesse te tonen voor die terugvechtende burgers?

In mijn eigen burgerengagement met Agorakring heb ik geleerd dat armoede bij kinderen een snel groeiend probleem is: vrijwilligers in scholen zijn nu toe aan het verstrekken van voedsel en kleren. Als klein initiatief zijn ook onze fototentoonstellingen over ‘Armoede door kinderogen’ zeer gegeerd in normaalscholen en ander hoger onderwijs, omdat wij zo kunnen duiden aan toekomstige leraars, psychologen en schoolpersoneel hoe armoede bij de leerlingen kan opgespoord en herkend, en op een waardige manier behandeld, worden. En ja, het zou goed zijn moest een van onze regeringen daar effectief werk van maken, maar neen dat gebeurt niet. Minister Lieten als verantwoordelijke voor armoedebestrijding, zo laat Huyse (2014) opmerken , nodigt met veel mediabelangstelling… de burgers uit om zelf geld te verzamelen om zo kinderarmoede te bestrijden. Dat heet falend bestuur, voor mij, en elke progressieve burger zal me daarin bijvallen.

Nog een laatste cijfertje om de vele experts die onze kabinetten bevolken te informeren: in een langetermijnstudie binnen het project ‘Social innovation’ (gecoördineerd door prof. F.Moulaert, nu aan de KULeuven) hebben twee collega’s gedurende jaren tellingen gedaan over de ruilvormen, de wederzijdse diensten en de informele economie in een welstellende blanke buitenwijk van New Hampshire op de Amerikaanse oostkust. De keuze was bewust: we weten allemaal dat arme gekleurde wijken terugvallen op kerkelijk sociaal werk, maar rijke blanke wijken? Ze kwamen tot de vaststelling dat tot 42% van het gemiddelde gezinsbudget bestond uit arbeid, ruil enzomeer die niet via de markt verloopt. Ook in Groot-Brittannië en elders werden die onderzoeken uitgevoerd (zie bijvoorbeeld Klein & Harrison, eds., 2007). Als hieruit al iets mag blijken, dan zeker wel dat de kleine revoluties niet zo wollig en naïef zijn als de experts in al hun scepticisme menen te moeten ventileren.

Maar ze hebben natuurlijk gelijk in één opzicht: de burgers lijken zich toenemend en stilaan substantieel af te keren van de reguliere beleidswegen om zelf oplossingen te zoeken, gedecentraliseerd en vaak informeel. Moeten we dat aan de burger verwijten? Moeten we daarover meewarig doen? Moeten we misschien die bewegingen criminaliseren als een vorm van ‘informele economie’, of in oude termen ‘zwartwerk’? Of is er meer aan de hand, en heeft de burger in een beweging van zelfbehoud een weg uit de onmacht ontdekt?

EXPERTS EN WAT ZE NIET KUNNEN

In de voorbije decennia hebben slimme privékantoren ‘assessment procedures’, kwaliteitscontroles, managementstrainingen en wat nog meer verkocht aan de lokale overheden. We willen allemaal, en terecht, dat het gemeenschapsgeld goed besteed wordt. En als vanzelf heeft de neoliberale golf dat vertaald in managementprogramma’s, die dan door die firma’s veel efficiënter dan door die logge overheid worden aangeboden en geïmplementeerd. Daar gaan grote happen van de budgetten naartoe, tot op het laagste niveau van bestuur, merkt Huyse (2014) op. En dat betekende ook dat van gemeente- tot regeringsniveaus experts in die managementtechnieken de politieke centra van besluitvorming en bestuur zijn binnengedrongen. Dezelfde TINA-mentaliteit komt dan vaak in de plaats van democratische discussie en zelfs politieke vorming, waarvoor minder en minder tijd is: we moeten immers technische dossiers aanleggen, en daarvoor hebben we experts. Tot we komen op een niveau van antidemocratie zoals dat treffend verwoord werd door de voorzitter van de N-VA bij de gemeenteraadsverkiezingen van 2013: de kiezer heeft zich mogen uitspreken, en nu is het aan de bestuurders om te spreken en te beslissen in de komende jaren. De gemeenschap zal worden bestuurd door de specialisten, in dienst van de eenmalig gemandateerden. Dat is de neoliberale versie van democratie.

De experts in management zijn precies dat: experts in management. De superioriteit van hun kennis is geenszins aangetoond. Wat soms kan worden beweerd, is dat zij binnen bepaalde krijtlijnen en met grote zeggenschap om vooropgestelde doelen in een instrumenteel rationele logica met beschikbare middelen te verbinden, tot resultaten kunnen komen. Over de doelen zelf gaan zij niet, noch over het democratische gehalte van de processen of zelfs maar van de resultaten. Zij ‘managen’, wat wil zeggen dat zij enkel op korte termijn, afhankelijk van de vrager van de dag, een bedrijf tot winst kunnen brengen. Bijgevolg, wanneer de managementlogica zonder meer wordt ingevoerd in maatschappelijk bestuur (en dat is de kern van het Kwaliteitsdecreet van de Vlaamse Gemeenschap, durf ik beweren), dan wordt de gemeenschap door deze experts als een bedrijf gezien en behandeld. En het zal niemand verbazen dat bedrijven uit zijn op winst en op efficiënt beheer van de middelen, en nagenoeg nooit op democratie. Meer nog, waar democratische besluitvorming een beetje was doorgedrongen in de bedrijven (via CAO’s, vakbondsvertegenwoordiging), daar horen we nu natuurlijk al enkele jaren vanuit neoliberale hoek dat dit nu precies de concurrentiekracht van onze bedrijven hindert. De regeringsverklaring van Bourgeois I, en binnenkort misschien ook van de federale regering, leest als een aflevering van deze economische bijbelversie.

Wat hebben de experts, ook binnen de werking en binnen de denkgroepen van de meer progressieve partijen in België, hierover te zeggen? Zij laten zich sceptisch uit over die zachtzinnige burgers die denken dat zij het zelf wel beter zullen kunnen en die hun eigen coöperatieven voor geestelijke gezondheidszorg oprichten - maar ook voor voedselproductie - in Nederland omdat de expertisegedreven regering die problemen afwentelt op gezinnen en vrijwilligers. Waar zijn de experts? Zij zullen opmerken dat afbakening van doelen en waarden, zoals het vastleggen van de maatschappelijke doeleinden op middellange en lange termijn niet hun taak is, maar die van de politieke afgevaardigden, of zelfs van de burger. Ze hebben gelijk. Mijn punt is echter dat de voorbije jaren door de verschuiving van politiek naar bestuur/beheer bij de officiële politiek, het gewicht van de experts onredelijk groot geworden is. Bovendien hoefden die experts geen enkele voeling meer te hebben met de gewone bevolking, laat staan hun modellen kritisch laten bekijken op grondslagen en waarden door die gewone vrouw en man. Dat was de taak van de politicus. Maar vermits die politicus beheerder is geworden, is ook voor hem of haar het ‘goed bestuur’ van het staatsbedrijf belangrijker geworden dan de democratische toets. Voor dat laatste moest de ‘verkiezingsshow’ om de zoveel jaar volstaan.

Wanneer nu burgercoöperaties ontstaan voor wezenlijke zaken zoals gezondheidszorg, cultuur, onderwijs, voedsel en energievoorziening, en zelfs voor alternatieve bankinstellingen, dan zou het toch bij politici en experts in hun dienst moeten beginnen dagen dat er iets grondig fout loopt met ‘het bedrijf’. Het moet N-VA nagegeven worden dat zij in haar sociaaleconomisch programma die ongerustheid, die frustratie van de burger wel oppikt. Zij het natuurlijk dat er verhullend tot zelfs leugenachtig mee omgegaan wordt, maar dat verhindert niet dat de partij (zoals alle nieuw-rechts in de EU, en de Tea Party-strekking in de Verenigde Staten) het gedeeltelijke failliet van de staatspolitiek in het bewustzijn van de burger erkent en aangrijpt voor een zeer conservatief alternatief. Dat is wat elke progressief had moeten leren uit de voorbije ontwikkelingen, meen ik, om dan met de burgers en op basisniveau te gaan praten over doelstellingen op langere termijn, de experimenten die wel een kwalitatief leven zouden kunnen garanderen waar patiënten, maar ook gewoon medeburgers en zelfs kinderen worden ‘uitgezweet’ door de neoliberale golf.

In gesprek gaan met de bevolking, op een nagenoeg permanente basis, is een voorwaarde voor democratisch bestuur. Niet het perfect kunnen managen in functie van haalbare doelstellingen. Ik stel voor dat experts en andere kabinetsmedewerkers zelf ook in gesprek gaan met de bevolking, en om te beginnen leren luisteren. Dat is geen gemakkelijke en zeker ook geen dankbare bezigheid: de bevolking is (nog) niet opgevoed in het jargon, en wil ook vaak de doelstellingen kritisch bekijken, en niet enkel de efficiëntste weg tot implimentatie op korte termijn. Het is tijd om terug na te denken en te spreken over de mensvisie en de maatschappijmodellen die we als progressieve mensen willen realiseren, en dat we de reductie van de mens tot homo economicus diepgaand in vraag stellen in deze tijd. Zal dat leiden tot gemakkelijk en ‘haalbaar’ success? Misschien niet, maar dat is geen argument in een periode waarin de neoliberale managementvisie depressie, angst en graaimoraal tot normale fenomenen heeft gemaakt.

ANDERE POLITICI

Wat kan de politicus dan doen? En welke progressieve politici hebben we nodig in dit tijdsgewricht? Wanneer ik de delokalisaties van de voorbije decennia bekijk, dan wordt mij duidelijk dat onze streken (en bij uitbreiding de hele wereld) steeds meer simpelweg afgewogen worden op de waardenschaal van de aandelencorporaties: autofabrieken verkassen we als we elders wat meer opbrengst op de kwartaalrekening kunnen halen. Afstoten van bankfilialen, maar ook van filialen van warenhuisketens (Carrefour, Delhaize) wanneer de aandelenkoers dat schijnt te vragen. Wanneer onze streek verder zou verarmen, of wanneer de bevoorrading door de hoge petroleumkosten minder winstgevend wordt, dan let niets de grote producenten en verdelers om elders te gaan waar meer geld kan worden verdiend, in functie van dezelfde managementlogica. Dit is geen doemscenario, wanneer we de oprechte of realistische analyses van fossiele brandstofwinning bekijken (Leggett, 2014), nog los van het gegeven dat een deel van de gekende fossiele brandstofvelden (met name steenkool in India of Polen) absoluut niet kunnen worden gebruikt, op straffe van klimaatopwarming die leven op deze planeet honderd procent zeker onmogelijk zal maken.

In dat perspectief, dat dus niet meer dromerig of romantisch of fantaisistisch kan worden genoemd, leven we vandaag in de meest verstedelijkte regio van de wereld. De ruit Londen-Amsterdam-Frankfurt-Parijs kent de hoogste graad van verstedelijking, met een bevolking van circa 150 miljoen mensen, die niet kan terugvallen op fossiele energie, noch op voldoende voedsel uit de traditionele landbouw in datzelfde gebied. Wanneer dan in die regio vele burgercoöperaties rond energie, voedselwinning enzovoort ontstaan, vele ‘kleine revoluties’, dan is elk scepticisme ter linkerzijde gelijk aan cynisme. En dus aan rechts denken.

We hebben in die regio behoefte aan politici die om te beginnen oprecht interesse hebben voor die initiatieven (er zijn er nu enkele, natuurlijk) en bovendien voeling hebben met die groepen. Dat zal gaan ten koste van de beheerders- en van de managementcultuur die de voorbije decennia dominant was, ook in zogenaamd linksere partijen en middenveldgroepen.

De politici die we daarmee nodig hebben, en die we dan echt progressief kunnen noemen, zullen samenredzaamheid moeten leren verzoenen met socialisme, welvaart met glokalisering. Doordat ze, in een zeer geschoold deel van de wereld, met mondige burgers te maken hebben, zullen ze mijns inziens ook veel meer facilitatoren moeten worden, dan wel ‘planners’. In dat opzicht is N-VA een traditionalistische partij: de leider stippelt voor u uit wat het plan voor de toekomst is, en dat lijkt wel een projectie terug in de tijd met de teletijdmachine van professor Barabas. Linkse partijen moeten dat bewust en expliciet aanklagen.

Ik hoop dat alles wat nu in de oppositie gedrongen is door de ‘Zweedse’ regeringen die ons deel zijn, dit soort oproep ernstig zal willen nemen, samen met middenveldverenigingen.

Rik Pinxten
Emeritus professor Antropologie
In november verschijnt bij epo zijn nieuw boek Schoon protest.

Referenties
- Delanty, (2010). The Cosmopolitan Imagination. Cambridge: CUP.
- Graemer, D. (2014). The democracy project. London: Penguin.
- Huyse, L. (2014). De democratie voorbij. Leuven: Van Halewijck.
- Klein, J-L, & D. Harrisson (eds., 2007). L’innovation sociale. Quebec: Presses de l’Université de Quebec.
- Leggett, (2014). Uit de olie. Utrecht: Jan van Arkel/ Antwerpen: epo.
- Piketty, T. (2014). Capital in the Twenty First Century. Cambridge, Mass.: Harvard University Press.
- Pinxten, R. (2013). Kleine revoluties. Antwerpen: epo.
- Stiglitz, J. (2011). ‘Of the 1%, by the 1%, for the 1%’, Vanity Fair, May 2011.
- Verhaeghe, P. (2011). Identiteit. Antwerpen. de Bezige Bij.

sociaaldemocratie - ideologie - burgerinitiatieven

Samenleving & Politiek, Jaargang 21, 2014, nr. 8 (oktober), pagina 58 tot 66