Abonneer Log in

Ondertussen in het 'echte' Zweden

Samenleving & Politiek, Jaargang 21, 2014, nr. 8 (oktober), pagina 27 tot 31

De onderhandelingen tussen N-VA, CD&V, MR en Open VLD kregen in eerste instantie de naam kamikazecoalitie mee, maar door de negatieve connotatie herdoopte men dat snel tot de Zweedse coalitie. De kleuren van de Zweedse vlag verwijzen naar het samengaan van N-VA met de liberalen en het kruis zou dan de referentie aan de CD&V zijn. De federale onderhandelaars konden evenwel niet voorzien dat bij de Zweedse verkiezingen van 14 september 2014 de coalitie van vier rechtse partijen een nederlaag zou lijden, noch dat een groot deel van de Zweden genoeg bleek te hebben van de toenemende inkomensongelijkheid. Het land krijgt nu een rood-groene regering onder leiding van Stefan Löfven. In deze bijdrage bekijken we wat er zich in het ‘echte’ Zweden afspeelt (de complexe politieke situatie doet er erg ‘Belgisch’ aan) en welke weerslag dit kan hebben op het beleid in Europa (wat ook voor ‘onze’ Zweden van belang is).

HET ‘WIJZE’ LAND VAN EUROPA

De populariteit van het Zweedse politiek systeem heeft er de Belgische rechtse partijen toe verleid om hun nieuwe coalitie voor te stellen als een ‘Zweeds experiment’. De bewondering voor de Zweedse politiek dagtekent evenwel niet van vandaag.

In 1936, toen in de meeste Oost-Europese landen dictatoriale regimes de crisis poogden te bestrijden, verscheen van de hand van Amerikaanse journalist Marquis Childs het boek Sweden, the Middle Way. Daarin werd in de bewogen jaren 1930 het behoud van de democratie geloofd in Zweden, waar een kapitalistische economie werd gecombineerd met een sterke coöperatieve beweging en uitgebreide overheidsregulering. President Franklin Roosevelt prees het werk van Childs en droeg op die manier bij tot de populariteit van Zweden in de Verenigde Staten. Tijdens de Tweede Wereldoorlog kwamen Zweedse diplomaten tussen om aan Joden de gelegenheid te bieden aan de Duitse terreur te ontsnappen. Ze verkregen een Zweeds paspoort en/of er werd hen de mogelijkheid geboden naar de Verenigde Staten uit te wijken. Hitler kon moeilijk tegen de Zweedse diplomatieke diensten optreden gezien zijn oorlogsindustrie afhankelijk was van de toevoer van Zweeds ijzererts.

Na de Tweede Wereldoorlog was Zweden het land met de hoogste levensstandaard in Europa. De uitbouw van haar verzorgingsstaat diende als de te volgen weg voor sociaaldemocraten op het continent. In 2006 kwam een einde aan die voorbeeldrol: Fredrik Reinfeldt won als leider van de ‘Alliantie voor Zweden’ (bestaande uit vier centrumrechtse partijen) de verkiezingen. Een opmerkelijk prestatie gezien de sociaaldemocraten sinds 1932, op twee periodes na (1976-1982 en 1991-1994), altijd de premier leverden. Reinfeldt zette de knip op de beurs en versoberde de Zweedse welvaartsstaat. Precies die sociale hervormingen vormden de inzet van stembusgang op 14 september 2014. Reinfeldt verloor. Maar het was extreemrechts, eerder dan centrumlinks, dat met de stemmen ging lopen.

DE ZWEEDSE DEMOCRATEN WINNEN VERKIEZINGEN

Deze verkiezingen maakten een einde aan acht jaar rechts beleid onder premier Fredrik Reinfeldt. Vooraf werd een overwinning van de sociaaldemocraten voorspeld, maar toen alle stemmen geteld waren, bleken die (met 31%) slechts één enkele zetel te hebben gewonnen. De grote overwinnaar waren de zogenaamde Zweedse Democraten (ZD), die hun aantal zetels meer dan verdubbelden. Deze extreemrechtse partij komt op voor een drastische beperking van de immigratie van vluchtelingen uit Syrië, Irak, Afghanistan en Somalië richting Zweden. De regering-Reinfeldt, die trouw bleef aan de Zweedse traditie van grote bereidwilligheid om asiel te verlenen aan vreemdelingen en politieke vluchtelingen, werd afgestraft.

Zweden mag dan wel als modelstaat beschouwd worden, het kampt toch met een aantal hardnekkige problemen. De jeugdwerkloosheid is er vrij hoog, vergelijkbaar met die in België (en dus veel hoger dan in Vlaanderen). Het onderwijs presteert ondermaats, zoals bleek uit het recentste PISA-onderzoek. De aansluiting tussen onderwijs en arbeidsmarkt functioneert maar matig. En de ongelijkheid is toegenomen onder Reinfeldt. Er zijn dus redenen voor ontevredenheid, en de kiezers lijken het soberheidsbeleid en de inkrimping van de welvaartsstaat wat beu. Maar bij een deel van het kiespubliek heeft die ontevredenheid zich vooral rond het migratiethema gekristalliseerd, en dat heeft het meest de verkiezingsuitslag bepaald.

De leider van de Zweedse Democraten, Jimmie Akesson, beschouwde zichzelf daags na de verkiezing als de ‘king maker’ van de volgende coalitie. Op papier klopte dat: als hij de parlementsleden van zijn partij voegde bij die van sociaaldemocraten en groenen had links een meerderheid; als hij zich aansloot bij de rechtse partijen van de vorige regering, wonnen die het pleit. In de praktijk hadden alle partijen zich al voor de verkiezingen verbonden geen coalitie met hem aan te gaan. De bal lag al snel in het kamp van de leider van de Zweedse sociaaldemocraten Stefan Löfven.

ROOD-GROENE MINDERHEIDSREGERING

Deze gewezen vakbondssecretaris (die tot vorig jaar geen politieke ervaring had) stond voor een moeilijke coalitievorming. Löfven wilde uiteraard geen racistische koers volgen, wat alvast de Zweedse Democraten uitsloot. Maar tegelijk wilde hij ook geen te radicale sociale politiek voeren. Daarom dat hij zich liever niet verbond met de linkse Vänsterpartiet, waar gewezen communisten de plak zwaaien, uit vrees dan verplicht te worden belastingen op rijken en ondernemingen zo op te voeren met een massale uitwijking naar andere EU-lidstaten als gevolg. Hij paste, met andere woorden, voor het scenario waarmee ook de Franse president François Hollande werd geconfronteerd: een afgezwakt links beleid, opgesmukt met enkele symbolen zoals de zogenaamde rijkentaks, met een dreigende kapitaalvlucht, slabakkende economie en oplopende werkloosheid als gevolg.

De enige mogelijkheid was dan de rood-groene coalitie van Socialdemokraterna en Miljöpartiet. Lange tijd vlotten de gesprekken tussen deze linkse partijen niet - o.a. omdat de Groenen twee van de tien Zweedse nucleaire centrales wilden sluiten en Löfven vooral de bevoorrading van de nijverheid met goedkope elektriciteit niet in gevaar wilde brengen - maar op 2 oktober werd die coalitie in het parlement goedgekeurd met 132 stemmen voor, 49 tegen en maar liefst 154 onthoudingen (de tegenstemmen kwamen van de extreemrechtse Zweedse Democraten; de vier centrumrechtse partijen van de uittredende coalitie onthielden zich). Geen meerderheid dus voor de bekrachtiging van Löfven als premier, maar in Zweden hoeft dat niet. Er bestaat een systeem van ‘negatief parlementarisme’, wat betekent dat men geen meerderheid van de stemmen van het parlement nodig heeft om ingezworen te worden als premier, maar enkel dat de meerderheid van het parlement niet actief tegen stemt.

Met de regering-Löfven komen de Zweedse groenen voor de allereerste keer in haar geschiedenis aan de macht; voor de Zweedse sociaaldemocraten is het 57 jaar geleden dat ze niet alleen (en dus in coalitie) in de regering zitten. Ze wordt bevolkt door 12 vrouwen en 12 mannen, met o.a. op Buitenlandse Zaken en Financiën vrouwen. Deze keuze staat, aldus Löfven, voor ‘de nieuwe politieke richting waarvoor het Zweedse volk heeft gekozen’. Opvallend ook: bij zijn inauguratie stelde kersvers premier Löfven dat Zweden, als eerste lid van de EU, Palestina wil erkennen als onafhankelijke staat.

OP ZIJN ‘BELGISCH’

Zweden krijgt dus een minderheidsregering. Dat lijkt een bron van instabiliteit, maar is in de Scandinavische landen niet ongewoon. Het komt dikwijls voor dat zo’n minderheidsregering het meerdere jaren uithoudt. De roodgroene coalitie kan aanblijven zolang niet één van haar wetsvoorstellen wordt weggestemd door een parlementaire meerderheid. Löfven zal de volgende jaren dus de steun nodig hebben van de - gepasseerde - linkse Vänsterpartiet en de vier centrumpartijen die de voorbije acht jaar aan de macht waren.
De steun van vooral die eersten wordt op 15 november al een eerste keer getest. Op die dag moet de nieuwe regering haar begroting voor 2015 ter goedkeuring aanbieden aan het parlement. Dat wordt meteen een link moment. De regering-Löfven heeft dan al een eerste keer de steun van de linkse Vänsterpartiet nodig, wat niet evident wordt. Bovendien plannen de vier uittredende regeringspartijen (‘Alliantie voor Zweden’) een alternatieve begroting. Indien de Zweedse Democraten de begroting van de linkse minderheidsregering verwerpen, en de alternatieve begroting goedkeuren, moet Löfven het ontslag van zijn regering aan de koning aanbieden en vragen nieuwe verkiezingen uit te schrijven. Op die manier kan Jimmie Akesson (ZD) dan toch zijn beoogde rol als ‘king maker’ spelen. De begroting belooft nog een moeilijke bevalling te worden. Op zijn ‘Belgisch’ zouden we bijna durven zeggen.

Tot een aftreden van de kersverse regering zal het wellicht niet komen. Het verwerpen van de begroting zou immers ook voor de partijleiders van de uittredende centrumrechtse coalitie geen goed nieuws betekenen. Nieuwe verkiezingen betekenen dan waarschijnlijk een nog groter stemmenverlies. Een nieuwe centrumrechtse regering zou dan volledig afhankelijk zijn van de goodwill van de Zweedse Democraten. Een compromis rond de komende roodgroene begroting lijkt dus het meest realistische scenario. Die zal dan op 15 november worden goedgekeurd mits enkele wijzigingen aan de hogere belastingen voor rijken en ondernemingen. Zo worden ook de onzekere stemmen van de linkse Vänsterpartiet overbodig.

De sociaaldemocraten gaan er prat op gesteund te worden door de leidende industriëlen. Löfven beloofde de (door de vorige regering verwaarloosde) infrastructuur te herstellen en aan de industrie goed opgeleide werkkrachten te leveren (door een verbetering van het beroeps- en technisch onderwijs). Om dit samen met wat hogere sociale uitgaven te financieren, zou slechts een kleine verhoging van de inkomstenbelasting op de superrijken en een verdubbeling van de lasten op consumptie in restaurants nodig zijn.

Waarschijnlijk komt dus een tamelijk gematigd begrotingsakkoord uit de bus, dat niet van die aard is veel verzet uit te lokken. Dat sluit aan bij wat leeft in de Zweedse samenleving. Niet alleen werknemers en kleine middenstanders zijn de toegenomen inkomensongelijkheid in Zweden beu, maar ook vele leden van de burgerij vinden de vergoedingen die beheerders en aandeelhouders van grote ondernemingen opstrijken overmatig. De weg ligt dus open naar een compromis onder de traditionele partijen, waarbij een gematigde linkse minderheidsregering nog enige tijd de lakens mag uitdelen.

WEERSLAG OP EUROPA?

De voorbije jaren steunde de Zweedse centrumrechtse regering van Fredrik Reinfeldt het Europese besparingsbeleid ten aanzien van eurolanden met grote overheidsschuld en/of deficitaire begroting. Deze politiek heeft tot doel het vertrouwen in de euro hoog te houden, maar is in de praktijk vooral in het belang van Duitsland. Het stelt Duitse ondernemingen in staat tegen voordelige voorwaarden Amerikaanse bedrijven op te kopen en zo hun positie op de Amerikaanse markt te versterken. Dat door de hoge koers van de euro de uitvoer van eurolidstaten naar niet-eurolidstaten wordt afgeremd, is geen nadeel voor de Duitse industrie. Die produceert immers auto’s en machines van hoge kwaliteit die ze tegen rendabele prijzen van de hand kan doen, ook buiten Europa.

Andere belangrijke eurolanden - zoals Frankrijk, Italië en Spanje - hebben het door de hoge eurokoers echter moeilijk om hun export te verhogen en zo de nodige deviezen te verwerven om hun overheidsschuld af te bouwen. De stagnatie in hun industriële activiteit belet bovendien een voldoende toename van de belastingopbrengst, wat nodig is om de vergrijzingskosten, en de hiermee verbonden medische kosten, op te vangen. In Frankrijk zag de socialistische president François Hollande, onder de druk van de Duitsers, zich genoodzaakt over te schakelen naar een besparingsbeleid. Het zal een economisch herstel niet in de hand werken. Pas in 2017 voorziet men geleidelijk verbetering. Pas dan zal Frankrijk erin slagen het tekort op zijn begroting te verlagen tot minder dan 3% van het bbp.

MERKEL VERSUS DRAGHI

Angela Merkel zal in Zweden dus een trouwe bondgenoot verliezen voor haar economisch beleid. Dat verlies compenseert ze ruimschoots door de banden aan te halen met Polen en de Baltische staten. Laatstgenoemden zijn, in tegenstelling tot Zweden, allen lid geworden van de euro. In de nieuwe Commissie van Jean-Claude Juncker is de macht voor een flink stuk naar het Oosten verschoven. Ook de nieuwe voorzitter van de Raad, Donald Tusk, is een Pool, overtuigd liberaal en voorgedragen door Angela Merkel. Het is duidelijk dat Merkel haar machtspositie in de EU heeft verstevigd. De kans bestaat dus dat het besparingsbeleid niet vlug zal worden beëindigd.

Mario Draghi, voorzitter van de Europese Central Bank (ECB), gaat wel in tegen Merkels beleid. Hij komt de landen in financiële moeilijkheden ter hulp. Onder zijn leiding leent de ECB grote sommen aan de Europese banken tegen een uiterst lage rente. Ook komt de ECB regelmatig tussen op de financiële markten om er overheidspapier van de eurolanden op te kopen en zo de rentelast van nieuwe leningen te verlagen. Deze massale geldschepping heeft ertoe geleid dat de koers van de euro ten opzichte van de dollar is gedaald. Het mandaat van Draghi eindigt evenwel volgend jaar en het is niet zeker dat zijn opvolger deze politiek van massale geldschepping zal voortzetten. Ook dat belooft weinig goeds.

‘ONZE’ ZWEDEN

Uittredend premier Fredrik Reinfeldt heeft acht jaar lang vanuit een andere visie op de welvaartsstaat gesleuteld aan het Zweeds model en een rechts besparingsbeleid in Europa mee ondersteund. De ‘echte’ Zweden vinden nu dat het met de kracht van verandering wel genoeg geweest is. Benieuwd hoe open de Vlaming staat voor de in de praktijk gebrachte kracht van verandering, via besparingen en terugtrekking van de overheid, van ‘onze’ Zweden. Maar dat zullen we pas binnen vijf jaar weten.

Gaston Vandewalle
Emeritus Professor Economie Universiteit Gent

sociaaldemocratie - Zweden - Europa

Samenleving & Politiek, Jaargang 21, 2014, nr. 8 (oktober), pagina 27 tot 31