Log in

'The Establishment. And How They Get Away With It'

Uitgelezen

The Establishment. And How They Get Away With It

Owen Jones
Penguin Books UK, Londen, 2014

Waarom zijn diegenen die de financiële crash veroorzaakt hebben, ermee weggekomen en werden diegenen die er niets mee te maken hadden, gestraft? Deze vraag beantwoordt Owen Jones in zijn nieuwste boek The Establishment. And How They Get Away With It. We kennen deze Brit van zijn vorige bestseller ‘Chavs - De demonisering van de arbeidersklasse’ (2011,epo). Deze keer springt deze linkse wonderboy, over de middenklasse, richting de andere kant van de samenleving: het establishment. Met zijn bijna een kwart miljoen volgers op Twitter, een wekelijkse column in The Guardian en veelvuldige televisieoptredens is hij een gezaghebbende stem over het Kanaal (critici van het boek stellen smalend dat hij zelf ook deel uitmaakt van het establisment).

De term ‘establishment’ is niet nieuw. Maar de definitie die Owen Jones er aan geeft, is erg verschillend van die van pakweg de jaren 1950, toen netwerken van adellijke families elkaars belangen afschermden en veilig stelden. Vandaag deelt het establishment voornamelijk eenzelfde economische visie: de staat wordt geframed als een obstakel voor groei en innovatie, dat best zo snel mogelijk verdwijnt zodat ondernemers vrij kunnen bloeien; ze moet dus worden uitgekleed, of toch tenminste smaller en efficiënter. Door die ideologische kern staat het huidige establishment een stuk sterker dan haar voorganger. Jones definieert het establishment tamelijk breed. Het omvat iedereen die de vrije hand van het kapitalisme schudt: bankiers, CEO’s, kranteneigenaars, maar ook grote boekhoudkantoren, wapen- en lobbyindustrie, energiebedrijven, ja zelfs Russische oligarchen met Londen als thuisbasis (of beter: vrijhaven).

De auteur is vooral sterk op dreef als hij het mechanisme van ‘Overton Window’ beschrijft, de bestaande rechtse frame waarbinnen alles wordt gezien als common sense (volgens de ‘zo werkt de wereld nu eenmaal’-logica) en alles daarbuiten wordt afgedaan als ‘extreem’ of ‘wereldvreemd’. Jones beschrijft hoe die ‘Overton Window’ vanaf de jaren 1970 draaide in de richting van een kleine groep aan de top. En hoe de staat zich zogezegd terugtrok, maar eigenlijk van aard veranderde; even groot als voordien, maar verveld tot een mechanisme van geldschepping gecontroleerd door en bestemd voor het bedrijfsleven. Want het establishment mag in woorden dan nog de staat verafschuwen; in de praktijk - en dat is de premisse van het boek - wordt die er door beschermd. Meer zelfs, die zogezegde vrije markt hangt voor een groot stuk af van de gulheid van de staat: geredde banken, overheidsinfrastructuren voor privaat gebruik, staatsopgeleide werkkrachten, investeringen in innovatie, overheidsbijdragen om lonen op te krikken, enzovoort. Toen in 2008 de bankencrisis uitbrak, was het ook de overheid die het financiële systeem moest redden. Publiek geld vloeide naar de banken; noodpakketten werden uitgedeeld zonder veel voorwaarden van overheidswege. In 2012 ontvingen 714 Britse bankiers elk meer dan 1 miljoen pond.

In het boek lezen we dus hoe sterk de Britse economie afhangt van staatssteun en hoe de rijkste bedrijven eigenlijk de grootste parasieten van de overheid zijn. In ruil voor die gulle staatshulp krijgt de overheid massale belastingontduiking op haar bord. Het is ook in Groot-Brittannië een levensgroot probleem. Toch horen we er in de mainstreammedia nauwelijks iets over. De miljarden verlies die de Britse staat maakt door belastingontduiking van grote ondernemingen valt in het niets met de 1,2 miljoen pond uitkeringsfraude die wél breed worden uitgesmeerd in de tabloids. Over de media heeft Owen Jones nauwelijks een goed woord over. Zelfs niet over het instituut BBC; want ‘mee verweven in de belangen van het Establishment’.

Ook voor de politieke klasse (‘The Westminster Cartel’) is Jones kritisch. De bedrijfs- en politieke wereld is erg verstrengeld. Accountancybedrijven (genre EY, Deloitte, KPMG en PwC) adviseren de overheid in het opstellen van wetgeving, en helpen vervolgens bedrijven die te omzeilen. Het is het verhaal van de stroper en de boswachter. Maar ook politici schurken lekker aan bij het bedrijfsleven. De eerste tien maanden van de huidige Tory-LibDem coalitie kwamen ministers liefst 1.537 keer samen met bedrijfsvertegenwoordigers (en slechts 130 keer met vakbondsmensen). Uit een studie van 2012 blijkt dat 46% van 50 grootste Britse bedrijven een parlementslid als directeur of aandeelhouder had. Dat is een cijfer hoger dan elk ander Europees land. Het maakt blijkbaar deel uit van een typisch Britse cultuur; ook bij Labour. En verklaart mee de schaamteloze, verrijkende postpolitieke activiteiten van Tony Blair.

Owen Jones contrasteert op fenomenale wijze het discours, maar tegenovergestelde handelen van het establishment met dat van de rest van de samenleving. Die krijgt een besparingsbeleid op haar bord. Het draagvlak voor overheidssteun voor diegenen onderaan de maatschappelijke ladder erodeert langzaam. Geen voorwaardenloze bail-outs voor hen. Neen, uitkeringen komen met een waslijst aan voorwaarden, op straffe van sanctie. In Groot-Brittannië werden tussen juni 2012 en juni 2013 zo’n 860.000 uitkeringsgerechtigden bestraft; 360.000 meer dan het jaar voordien. Owen Jones spreekt in zijn boek met Glyn, een arbeider uit de gasindustrie in Manchester, met Sandra, een gehandicapte Glasgowiaanse, en met vele anderen die om de meest absurde redenen daguitkeringen worden geweigerd. Hij schetst een droef beeld van de Britse samenleving.

Sinds de crash van 2008 veranderde het discours van de politiek, niet het gedrag van de financiële elite. De crisis was niet de schuld van financieel riskant gedrag, zo kregen we te horen, maar wel van een te breed hangende overheid, van een publieke sector als potverteerder van overheidsgeld. David Cameron maakte van de crisis een deugd. Hij verschoof het probleem van een opgeblazen financiële elite naar een vette staat, met besparingen als pad om terug welvaart te creëren. Snoeien om te bloeien, quoi.

De voorbije jaren stootte de Britse staat dan ook verschillende overheidstaken af aan private sectoren. Veelal waren dat dienstverleningen voor de meest kwetsbaren. De privatisering van de Britse spoorwegen is natuurlijk het meest gekende voorbeeld. Hoewel de overheid garant bleef staan voor technologische innovatie en een hele reeks kosten, gingen de ticketprijzen omhoog en kreeg het groeiend aantal pendelaars verouderde treinstellen in de plaats. Het risico was voor de Britse belastingbetaler; de winsten voor de privé.

Owen Jones heeft een messcherp boek geschreven, met een duidelijke boodschap waar de verontwaardiging van spat: daar waar de financiële elite kon rekenen op de overheid voor een bail-out (maar tegelijk retorisch afstand neemt van statisme), voelden de slachtoffers van de crisis een koude wind van laissez-faire. Socialisme voor de rijken; zwemmen-of-verdrinken kapitalisme en voedselbanken voor de armen. Op dat laatste doen vandaag meer dan een miljoen Britten een beroep. Volgens onderzoek van The Bank of England van 2012 verdienden de 10% rijksten sinds het begin van de crisis elk gemiddelde zo’n 322.000 pond per jaar door de aandelen, terwijl de 10% armsten er jaarlijks gemiddeld zo’n 779 pond op achteruit gingen door het systeem van quantitative easing van de banken.

Ook voor ons is dit dus interessante lectuur. We kennen hier nog niet het doorgedreven Angelsaksische maatschappijmodel - verwaarlozing aan de onderkant, verrijking aan de bovenkant - maar het boek houdt wel een waarschuwing in. Jones fileert haarfijn waar een beleid met de blik op ondernemers en de rug naar de onderste sporen van de ladder, toe leidt. Afglijden naar Britse toestanden zullen we in België wellicht niet doen - daarvoor is ons collectief overleg vooralsnog te sterk ingebed - maar het is wel de natte droom van sommigen hier aan de macht.

Afsluiten doet de auteur met een hoopvolle boodschap: de publieke opinie staat links van dit nieuwe establishment. Die wil een meer faire en billijke samenleving. Jones pleit voor een democratische revolutie, want in het hart van onze democratie heeft zich een netwerk van mensen genesteld die de touwtjes stevig in handen heeft en daar geen verantwoording voor moet afleggen. Een doorgedreven democratisering van onze economie én politieke instellingen moet de tanker van koers kunnen veranderen. Dat dit vooralsnog niet lukt, aldus Jones, is niet omdat het establishment betere ideeën heeft, maar wel omdat ze beter georganiseerd is. De instellingen die de elite aan banden moet leggen, hebben de voorbije decennia fel aan belang ingeboet. De traditionele kanalen van oppositie (in Groot-Brittannië vooral de vakbonden) zijn weggevallen.
We kunnen dan ook leren van neoliberalen. In de jaren 1950 en 1960 werden ze weggezet als fantasten en dromers. Door geduldig hun zaak uit te bouwen, behendige manipulatie van media, onvermoeibare vrijages met politici, opiniemakers en rijke donoren keerde uiteindelijk het tij. Het is, paradoxaal genoeg, dit verhaal dat Links ter harte moet nemen om opnieuw hoop en inspiratie te vinden.

Samenleving & Politiek, Jaargang 21, 2014, nr. 8 (oktober), pagina 86 en 89