Log in

'De derde industriële revolutie. Naar een transformatie van economie en samenleving'

Uitgelezen

Samenleving & Politiek, Jaargang 21, 2014, nr. 9 (november), pagina 106 tot 109

De derde industriële revolutie. Naar een transformatie van economie en samenleving

Jeremy Rifkin
Nieuw Amsterdam Uitgevers, 2014 (2011)

De industriële beschaving staat op een kruispunt. Zij moet haar infrastructuur herzien en een nieuw economisch verhaal ontwikkelen, dat getuigenis aflegt van een koolstofarm tijdperk. Grote revoluties ontstaan altijd als nieuwe communicatietechnologieën samenvallen met nieuwe energiesystemen. Vandaag kunnen het internet en de mogelijkheid om hernieuwbare energie op te wekken tot zo’n economische revolutie leiden. Die derde industriële revolutie zal een tijdperk van samenwerking inleiden. In die aanloop zullen honderdduizenden nieuwe bedrijven en banen gecreëerd worden, die er vooral moeten voor zorgen dat ieder gebouw een mini-energiecentrale wordt. Die decentrale energieopwekking zal alles veranderen.

In 2008 ging de economie op slot, schijft de Amerikaanse econoom Jeremy Rifkin. Op dat moment stopt het tijdperk van de fossiele brandstoffen. De prijzen kunnen alleen nog maar stijgen. De catastrofe op de financiële markt was daar maar een afgeleide van. Er is geen weg terug. Het heeft geen enkele zin om te proberen nog meer olie te vinden. Ook kernenergie, nooit een schone energie, kan dit niet oplossen. Er zijn in de wereld 442 kerncentrales, die samen 6% van de energie opwekken. Kenenergie moet 20% leveren om een minimale invloed op de klimaatverandering te hebben. Begin maar aan de vervanging van de oude centrales en bouw er maar 1000 bij!

Laat ons dus stoppen met slaapwandelen en beginnen aan een nieuw samenhangend verhaal, raadt Rifkin ons aan. Nieuwe energievormen maken complexere beschavingen mogelijk. De nieuwe communicatie maakt de organisatie en het bestuur van die beschavingen mogelijk. Er moeten vijf pijlers geslagen worden: er is een verschuiving nodig naar hernieuwbare energie; de gebouwen moeten worden getransformeerd tot mini-energiecentrales; er moeten opslagmogelijkheden voor elektriciteit ontwikkeld worden (waterstof en andere); het elektriciteitsnetwerk moet worden omgebouwd tot een netwerk dat toelaat energie te delen; transport moet gebeuren op basis van elektriciteit. Er is meer dan zonlicht en wind genoeg. Er is waterkracht, biomassa, omzetting van stedelijk afval. In de Europese Unie kunnen 190 miljoen gebouwen omgeturnd worden. Hernieuwbare energie is gewoon overal. Je moet die echter delen in een intelligent netwerk, dat er permanent voor zorgt dat overschotten elders gebruikt worden. Zelfs stilstaande auto’s kunnen energie afzetten.

Zo’n energienetwerk wordt de ruggengraat van een nieuwe economie. De economie die gebaseerd is op fossiele brandstoffen heeft reusachtige en gecentraliseerde entiteiten opgeleverd. De fossiele industrie stond model voor alle industrie, inclusief een hiërarchische en Tayloristische organisatie. Wanneer miljoenen kleine producenten kosteloze en hernieuwbare energie leveren, krijg je een ander soort machtsverdeling. Markten worden netwerken. De verhoudingen worden samenwerkingsverbanden tussen leveranciers en gebruikers. Informatie is niet langer bezit, maar transparant en beschikbaar. Ondernemerschap wordt gedemocratiseerd en ondernemen wordt maatschappelijk verantwoord. Dat distributief kapitalisme overstijgt, volgens Rifkin, de klassieke links-rechts-tegenstelling. Je ziet hoe jongeren niet meer geïnteresseerd zijn in ideologie, hoe de nieuwe economie verdedigd wordt door zowel linkse als rechtse politici. En hoe die overigens ook verworpen wordt door linkse en rechtse politici.

De nieuwe economie stuurt Adam Smith best op pensioen. Hij probeerde nog de wetten van Newton toe te passen op de economie. Maar zoals zovele economisten na hem hield hij geen rekening met de wetten van de thermodynamica, die leren dat er onvermijdelijk altijd meer energie aan een proces onttrokken wordt dan er toegevoegd wordt. De aarde kan alleen maar verarmen! De waarde die geschapen wordt, is tijdelijk en gaat ten koste van de rijkdom die ervoor nodig is. In die zin is de energieboekhouding altijd negatief. Een eerlijke economist moet niet alleen rekening houden met kapitaal en arbeid, maar ook met energie. Hij moet erom bekommerd zijn de thermodynamische efficiëntie van de productie te verhogen.

De nieuwe economie zorgt voor een fundamentele herziening van wat eigendom is. We raken steeds sneller verbonden met anderen. Er ontstaat een wereldwijde sociale ruimte. De toegang tot mondiale netwerken wordt een belangrijker waarde dan eigendom. Mensen zijn helemaal niet zelfzuchtig, maar hebben behoefte aan sociaal gedrag en streven naar gemeenschappelijke doelen. Eigenlijk wordt daarmee teruggegrepen naar de idee van een eeuwenoud recht op toegang tot gemeenschappelijk bezit. Conflicten zullen steeds meer draaien om het recht op toegang, dan om bezit. Zelfs intellectuele eigendom is niet meer onaantastbaar.

Op die manier wankelt het centrale uitgangspunt van het kapitalisme, de idee dat individuele eigendom geaccumuleerd moet worden om steeds meer rijkdom te creëren. De accumulatie van sociaal kapitaal wordt even belangrijk als het financieel kapitaal, naarmate de kost voor deelname aan netwerken steeds lager wordt als gevolg van het goedkoper worden van communicatietechnieken. Iedereen wordt ondernemer en medewerker op het netwerk. Hoe platter en decentraler de economie, hoe meer autonome ruiltransacties vervangen worden door relaties tussen gelijken en hoe minder winstgevend productie van privébezit wordt. Toegang tot relaties in een gezamenlijk netwerk komt in de plaats van ruil van bezit. Productie voor verbruik op het moment zelf komt in de plaats van productie voor de verkoop. Wie wil nog bezitten in een wereld waarin alles wat men koopt heel snel verouderd is, in een wereld van upgrades? Schaarste houdt verband met tijd. Het gaat om de toegang tot diensten.

De derde industriële revolutie zorgt voor een verandering in de manier waarop we ons verbonden voelen met anderen. We voelen ons verantwoordelijk, zijn één familie. Rifkin voelt voor de idee van ‘Gaia’, waarin de wereld een natuurlijk ecosysteem is, een gemeenschap om te koesteren, een intrinsieke waarde. In die benadering hangt welvaart af van de vaardigheid om met beperkingen te leven. Het gaat dan niet langer om productiviteit, maar om duurzaamheid. We moeten daar dringend ons onderwijs aan aanpassen, dat nu nog een fossiel van een andere tijd is. De derde industriële revolutie is een laatste fase in het grote industrieverhaal en de eerste in een tijdperk van samenwerking. Op termijn zal veel werk gedaan worden door technologische oplossingen, maar voor het zover is moet een totaal nieuwe infrastructuur gebouwd worden, die dat mogelijk zal maken. Dat zal zorgen voor een laatste stroom arbeid. Daarna zal het werk van aard veranderen. Er blijft alleen iets te doen voor het maatschappelijk middenveld, de non-profit. Daar is echter genoeg te doen. Het is de plaats waar het sociaal kapitaal gecreëerd wordt. Het wordt eindelijk mogelijk de vrijheid te realiseren. En Sartre wist het al: vrijheid is spel.

Vrijheid is spel. Een merkwaardige conclusie als je weet dat Rifkin een totaal nieuwe visie wil presenteren. Reeds Karl Marx vond dat de economie dat soort vrijheid moest mogelijk maken: ’s morgens jagen, ’s middags vissen en ’s avonds filosofie bedrijven of zoiets. En de huidige economie lijkt dat eigenlijk al te doen: rusteloze activiteit, zonder andere motivatie dan te groeien. Ik denk dat Rifkin een heel waardevol boek afgeleverd heeft, maar misschien nog te veel vastzit aan de wereldvisie die hij wil bestrijden. Alleen lijkt het me al heel wat met hem te kunnen zien hoe de huidige economie vastgelopen is. Ze is vastgelopen omdat ze geen rekening wil houden met een simpele logica: we besteden onze energie op zo’n manier dat er enkel verlies uit kan volgen. We houden een economische machine draaiende en moeten daar zo veel energie voor gebruiken dat we er als gemeenschap alleen maar armer kunnen van worden. Rifkin vindt dat het onderscheid tussen links en rechts irrelevant geworden is. David Cameron en Angela Merkel zijn betere bondgenoten dan de Millibands. Ik weet het zo niet, maar ik denk wel dat het verschil tussen links en rechts zit in de mate waarin men daadwerkelijk welvaart tot doel wil stellen en deze niet als een afgeleide ziet van economische groei.

Zijn er inderdaad tekenen die wijzen op een alternatief? Rifkin pleit heel terecht voor een andere energiepolitiek, gebaseerd op een netwerklogica. Ik denk ook dat hij terecht verwacht dat een dergelijke logica bepalend kan zijn voor de economie als zodanig. Hij pleit terecht voor een economie die vertrekt van de behoefte aan samenwerking, gebaseerd op empathie, die niet door een hiërarchisch denken gedreven wordt. Ik denk dat hij terecht delen boven eigendom stelt. En ik vind zijn pleidooi om beperktheden te aanvaarden en op te komen voor duurzaamheid, prachtig. Maar ik heb het moeilijk om zijn optimisme over te nemen en te denken dat we daar al flink naartoe aan het gaan zijn. Facebook, om maar een voorbeeld te geven, is een netwerk maar het staat in dienst van heel klassieke vormen van eigenbelang. Rifkin geeft vier voorbeelden die zijn opvattingen moeten concretiseren. Het zijn voorbeelden van wat er allemaal zou kunnen, maar zijn het meer dan fragmenten en geen complete verhalen?

Samenleving & Politiek, Jaargang 21, 2014, nr. 9 (november), pagina 106 tot 109