Log in

'De vierde revolutie. Op zoek naar de overheid van morgen'

Uitgelezen

De vierde revolutie. Op zoek naar de overheid van morgen

John Micklethwait & Adrian Woolridge
De Bezige Bij, Antwerpen, 2014

Micklethwait en Woolridge zijn twee journalisten van het weekblad The economist dat geworteld is in het klassieke liberalisme. Ze denken na over de toekomst van de overheid, maar dat kan volgens hen alleen maar een kleine overheid zijn. Die overheid moet in bedwang gehouden worden, wil men niet dat ze eindeloos uitdijt. De auteurs leggen hun kaarten reeds in de inleiding op tafel, zodat je ook onmiddellijk hun blinde vlek ziet. Niet alleen de overheid dijt eindeloos uit als je niet oplet. De hele economie kent bij manier van spreken geen natuurlijke rem en zonder rem beland je onvermijdelijk in de afgrond. Als een overheid alleen maar klein mag zijn en niet af en toe op de rem mag staan, kan het best wel gevaarlijk worden.

Daarmee is niet gezegd dat ze helemaal ongelijk hebben en dat het op orde brengen van het openbaar bestuur in de komende jaren niet een van de belangrijkste politieke opdrachten moet worden. Men hoeft echt geen liberaal te zijn om in te zien dat het hoog tijd is om de overheid radicaal te veranderen. De auteurs noemen dat de vierde revolutie, nadat in de 17de eeuw de centralistische staten gevestigd werden (Leviathan van Hobbes), eind 18de eeuw de meritocratische en controlerende bestuursvormen werden ingevoerd en in recentere tijden de moderne verzorgingsstaat gerealiseerd werd. Er is in de loop van de tijd steeds meer staat gekomen, die dan nog vooral aan de middenklasse ten goede gekomen is. Die moderne, overbelaste staat is een bedreiging voor de democratie en de vrijheid.

Let wel, Micklethwait en Woolridge beweren niet dat dit alleen op naam van de etatisten of socialisten zou te schrijven zijn. In de Victoriaanse tijd kwamen de liberalen op voor minder staat, maar voor het overige hebben ze flink meegedaan om de doelstellingen van de overheid steeds maar uit te breiden. Zo zie je hoe Stuart Mill in de loop van zijn leven evolueerde en steeds nieuwe opdrachten voor de staat ontdekte. Maar de peetmoeder van de verzorgingsstaat was Beatrice Webb, die in de staat de belichaming zag van de universele rede. Iedereen moet belasting betalen om daar de zwakken mee te kunnen beschermen; maatschappelijke zorg moet een recht zijn. De conservatieven hebben haar ideeën overgenomen. Keynes, een liberaal, zag geen graten in een 'big government'. Toen het rapport van Beveridge verscheen was er een consensus, die toeliet dat de staat in de jaren 1960 naar een hoogtepunt kon evolueren.

Milton Friedman zorgde voor een contrarevolutie. Hij klaagde de overbelasting van de staat aan en verweet die dat ze haar kernfuncties niet eens uitvoerde zoals het hoort. Een staat die steeds vetter wordt kan alleen maar steeds slechter functioneren. Margaret Thatcher en Ronald Reagan zullen proberen daar iets aan te doen. Ze halen finaal hun slag niet thuis, want ook onder hun beleid werd de staat nog groter. Maar sindsdien is het debat veranderd. Ook de socialisten na hen namen de uitgangspunten van het neoliberalisme over. De staat is blijven groeien, maar verloor wel haar legitimiteit. Ze is ingewikkeld en weinig transparant, ze wordt op een verouderde manier beheerd en de regels zijn eindeloos.

Maar er kondigt zich verandering aan. Ik ga voorbij aan wat de auteurs schrijven over Singapore en China, om onmiddellijk bij de kern van die verandering te stoppen. Zweden is het land waar de toekomst het eerst uitbrak, heet het. Dat land kwam in het verleden misschien wel het dichtst in de buurt van een socialistisch paradijs. De staat nam de zorg op voor iedereen, maar de prijs was steeds meer overheid, hogere belastingen en meer regels. Sindsdien zijn de overheidsuitgaven drastisch naar beneden gebracht en werden de belastingen substantieel verlaagd. Dat ging samen met een mentale omslag, die zijn weerslag had in het onderwijs en de gezondheidszorg. De staat werd intelligent en gaf het uitgangspunt op dat ze steeds groter moest worden. Over groei van de staat gaat het niet, wel over een betere dienstverlening aan de individuen. In Zweden is de overheid beter geworden. Daar hebben simpele maatregelen als het afschaffen van subsidies aan de landbouw toe bijgedragen, maar vooral het inschakelen van de nieuwe technologieën.

Je moet een land niet besturen alsof het een boerderij uit het verleden is, je moet het besturen alsof het om het Google bedrijf gaat. Dat veronderstelt een totale ommekeer in het management: geen hiërarchisch denken, outsourcen van wat geen kernfunctie is, voortdurende verandering. In India vind je de meest innovatieve gezondheidszorgen, omdat men daar de managementtechnieken uit de privé durft te hanteren. In Brazilië kun je modernste sociale voorzieningen vinden. Over het algemeen heeft de publieke sector te weinig geprofiteerd van de nieuwe technologieën en is de efficiëntie te weinig verbeterd.

Dat moet veranderen en wel door terug te grijpen naar de Victoriaanse tijd, die periode waarin reeds vragen gesteld werden over een opgezwollen staat. Er moet terug aansluiting gezocht worden bij de idee van vrijheid. Dat is een strijd tegen links, die hoofdschuldige is voor de problemen waarin de staat verzeild is. Links heeft immers heel vlug de stap gezet van gelijke kansen naar gelijke resultaten. Op die manier werd de obesitas op gang gebracht. In de plaats moet een kleine staat komen, die enkel instaat voor de vitale functies. Je moet een aantal zaken opnieuw privatiseren, je moet snijden in subsidies die toch alleen maar ten goede komen aan de middenklasse en je moet zorgen dat de sociale voorzieningen terechtkomen bij wie ze echt nodig hebben.

Het boek van Micklethwait en Woolridge is zonder enige twijfel interessante lectuur. Veel meer dan uit mijn samenvatting blijkt, gaan ze in op de wortels van het liberalisme. Je leest boeiende bladzijden over hun founding fathers of over de Aziatische uitdaging. Of hun interpretatie van wat in Zweden of andere landen gebeurt juist is, laat ik in het midden. Maar het is pijnlijk hoe ze bijna als een mantra herhalen dat er in de wereld maar één probleem is, namelijk een vette staat. Ze vinden wel dat het zogenaamde kerntakendebat moet worden gevoerd, maar ze beginnen er niet echt aan. De staat moet vermageren en dan komt alles wel goed. Als de staat zich terugtrekt, worden we opnieuw vrije mensen. Om wat te doen? De staat moet richting geven aan de economie en dat wil ook zeggen die economie tot op zekere hoogte inperken. Want ook de economie zou wel eens te vet kunnen zijn. De auteurs vereenzelvigen links met de ambitie om de staat eindeloos te laten groeien. Ze geven zelf aan hoe in de loop van de tijd een consensus ontstaan is tussen liberalen en socialisten die geleid heeft tot de huidige overheid. Links heeft te maken met de manier waarop de economie functioneert en de overheid hoort daarin een instrument te zijn. En zoals aan de economie gevraagd moet worden om de goede dingen op een goede manier te doen, moet dat ook voor de overheid gebeuren. Je komt dan niet uit bij een staat die lijdt aan obesitas. Maar je komt ook niet uit bij een sociale zekerheid die gelijk staat aan armenzorg of een idee van vrijheid die alleen maar negatief is.

Kunnen we dan niets aanvangen met de raadgevingen? Draai de kraan dicht, zeggen de auteurs. Dat is nu juist wat de Belgische regering op dit eigenste ogenblik doet. Ze confronteert alle overheidsdiensten met ongeziene besparingen. Niets overgangstijd, geen overleg. Dat heeft het voordeel dat zal worden bespaard. Maar of dit zal volstaan om een goede, want magere, staat over te houden, weet ik zo niet. Iets anders is dat overheidsinstellingen wel degelijk efficiënter kunnen. Het hiërarchisch denken is niet doorbroken, de financiën zijn niet transparant, er zijn te veel regels. Daar moet wat mij betreft echt niet te veel geduld voor opgebracht worden. Alleen hoef je geen liberaal te zijn om dat in te zien.

Samenleving & Politiek, Jaargang 21, 2014, nr. 9 (november), pagina 110 tot 112