Abonneer Log in

De armoede van het kinderarmoedebeleid

KINDERARMOEDE: DE SCHANDVLEK

Samenleving & Politiek, Jaargang 21, 2014, nr. 10 (december), pagina 24 tot 27

In deze bijdrage stellen we dat het huidig kinderarmoedebeleid los dreigt te staan van een algemeen sociaal beleid, wat kan leiden tot perverse effecten. Kinderen worden immers gemakkelijk als onschuldige slachtoffers en dus ‘deserving’ gepercipieerd. Niettemin zijn arme kinderen ook altijd kinderen van arme ouders, maar volwassenen die in armoede leven worden in het beleid dat nu uitgestippeld wordt, geviseerd als ‘undeserving’ als ze de hen aangeboden ‘gelijke’ kansen onvoldoende verzilveren. Ook voor kinderen in armoede heeft dit op lange termijn mogelijk consequenties, want kleine kinderen worden groot. Het blijft daarom van essentieel belang om beleidsinitiatieven inzake kinderarmoede te verbinden met maatregelen in andere beleidsdomeinen.

Sinds een paar decennia wordt in de Europese welvaartsstaten veel aandacht besteed aan de bestrijding van kinderarmoede (Vandenhole et al., 2010). Ook naar aanleiding van de Europa 2020-strategie blijft kinderarmoede een prominent agendapunt in verschillende nationale hervormingsplannen van Europese lidstaten (Bradshaw & Chzhen, 2009), zoals onder meer België (Frazer, 2010). Zo wordt in de Vlaamse Beleidsnota Armoedebestrijding 2014-2019 recent opnieuw benadrukt dat kinderarmoede een prangend probleem blijft (zie ook Lieten, 2010):

‘Hoewel het globale armoederisico dus een vrij stabiel gegeven is in Vlaanderen, en we op basis van de SILC vooralsnog geen significante toename van armoederisico’s bij kinderen in Vlaanderen kunnen waarnemen, lijkt er op het vlak van kinderarmoede toch wel beweging te zijn (…) De stijging sinds 2005 wijst op een toename van kinderarmoede’ (Homans, 2014, pp. 17-19)

Parallel met deze beleids- en praktijkontwikkelingen valt op dat ook het wetenschappelijk onderzoek over dit thema aan populariteit wint en invloed uitoefent op de beleidsvoering. De nadruk op kinderarmoede in onderzoek resulteert onder meer in een toename van studies die de impact van voorschoolse voorzieningen op de ontwikkelingskansen van kinderen bestuderen en beoordelen op hun effectiviteit en efficiëntie (zie Heckman, 2006; Burger, 2010).

Hoewel de aandacht voor kinderarmoede op zich zeer belangrijk is, kunnen ook vragen worden gesteld bij het prioritair stellen van kinderarmoedebestrijding en de wijze waarop dit gebeurt. Zo garandeert de zorg voor gelijke ontwikkelingskansen van jonge kinderen niet noodzakelijk ook ‘juiste’ of sociaal rechtvaardige uitkomsten (Morabito et al., 2013). Daarom blijft een focus van onderzoek, beleid en praktijk op de kwaliteit van voorschoolse voorzieningen zoals ervaren door kinderen én hun ouders een belangrijk aandachtspunt (Vandenbroeck, Roets & Roose, 2012). Bovendien zijn kinderen ook altijd economisch afhankelijk van volwassenen in de economische unit van het huishouden waarin ze leven (Lister, 2006). Als we (kinder)armoede radicaal begrijpen als een gebrek aan zowel materiële en immateriële hulpbronnen (Lister, 2004), dan kan kinderarmoede bijgevolg alleen bestreden worden via een sociaal beleid waarbij maatschappelijke dienstverlening, zoals voorschoolse voorzieningen, ingebed is in meer structurele dimensies in de opvoedingssituatie van kinderen, zoals onder meer gezinsinkomen, huisvesting, arbeidsvoorwaarden, et cetera (Roets et al., 2013; Ridge & Millar, 2011). De terechte aandacht voor de welzijnsrechten van kinderen in armoedesituaties kan niet losgekoppeld worden van de aandacht voor de welzijnsrechten van volwassenen, en kan dus niet verengd worden tot gelijke kansen van kinderen (Daly & Leonard, 2002; Lister, 2006).

Ook in ons land zien onderzoekers een verschuiving van een beleid van herverdeling en sociale bescherming naar een gelijke kansenbeleid, prioritair gefocust op de kansen van kinderen (Cantillon, 2011). Net als in andere Europese welvaartsstaten is er sprake van een erosie van welzijnsrechten (Dwyer, 2004), onder meer onder invloed van het sociaal investeringsdiscours. Waar de activerende welvaartsstaat in de eerste plaats gericht was op het vermijden van passieve afhankelijkheid van sociale uitkeringen en op het beperken van sociale uitgaven, belooft de investering in menselijk kapitaal een economische return op lange termijn (Gray, 2013). Beleids-makers zien hier een potentieel om sociale en economische doelen op een duurzame manier met elkaar te verzoenen. Doorgaans gebeurt dit via een retoriek van gelijke kansen, sociale innovatie, empowerment en vermaatschappelijking van de zorg. Het rechtenverhaal wordt dan veeleer vertaald als een verhaal van voorwaardelijke rechten, waarbij welzijnsrechten op een contractuele basis ingevuld worden en de verantwoordelijkheid voor de realisatie van het welzijn van burgers meer bij deze burgers zelf wordt gelegd (Clarke, 2005; Dean, 2013), en dus minder in de handen van de overheid (Tonkens, 2006). De nadruk komt dan te liggen op de responsabilisering van ouders eerder dan op een problematisering van maatschappelijke ongelijkheden op het vlak van onder meer gezinsinkomen en kwaliteit van basisvoorzieningen (Roets et al., 2013). In ons land wordt dit tastbaar in de toegenomen klemtoon op werkwilligheid als voorwaarde voor het ontvangen van een bestaansminimum en in het voorwaardelijk maken van allerlei voorzieningen die voorheen eerder als basisrecht werden benoemd (zoals het verwerven van de kennis van het Nederlands als voorwaarde voor sociale huisvesting). Gekoppeld aan deze ontwikkeling zien we, net als in andere westerse landen ook de opkomst van neofilantropische initiatieven, die wijzen op een herwaardering van private initiatieven in het ondersteunen van mensen in armoede. Kenmerkend voor deze ontwikkeling is het onderscheid tussen de ‘deserving’ en ‘undeserving poor’ (Jones, 2002). ‘Deserving’ zijn dan mensen in armoede die de kansen, die door andere actoren in de samenleving gedefinieerd worden als belangrijk, werkelijk benut hebben (en dus hun contract hebben vervuld).

In een notendop kunnen we dus stellen dat het risico dreigt dat het huidig kinderarmoedebeleid los komt te staan van een algemeen sociaal beleid, wat kan leiden tot perverse effecten. Kinderen worden immers gemakkelijk als onschuldige slachtoffers en dus ‘deserving’ gepercipieerd, en dus wordt er makkelijk een maatschappelijk én politiek draagvlak gevonden om deze ‘slachtoffers’ te ondersteunen (Morabito et al., 2013). Niettemin zijn arme kinderen ook altijd kinderen van arme ouders (Mestrum, 2011). Maar volwassenen die in armoede leven worden in het beleid dat momenteel uitgestippeld wordt geviseerd als ze de hen aangeboden ‘gelijke’ kansen onvoldoende verzilveren. Ouders van arme kinderen lopen aldus tegelijkertijd het risico om als ‘undeserving’ benaderd te worden. Het risico is een vicieuze cirkel: omdat volwassenen op minder begrip kunnen rekenen, richt het beleid zich meer op kinderen, maar net daardoor verzwakt het maatschappelijk draagvlak voor solidariteit. Ook voor kinderen in armoede heeft dit op lange termijn mogelijk consequenties, want kleine kinderen worden groot. Deze ontwikkeling riskeert bij te dragen aan een terugslagbeweging naar het eind van de 19de eeuw toen er amper overheidsinterventies waren in de vorm van sociale bescherming en mensen in armoede aangewezen waren op de goodwill maar tegelijkertijd voorwaardelijkheid van de gemeenschap (Villadsen, 2007). Het blijft daarom nodig om beleidsinitiatieven inzake kinderarmoede te verbinden met maatregelen in andere beleidsdomeinen. Net dàt zou een belangrijke functie kunnen zijn van de in het regeerakkoord opgenomen armoedetoetsen.

Griet Roets
Professor aan de vakgroep Sociale Agogiek, UGent
Tineke Schiettecat
Wetenschappelijk onderzoekster aan de vakgroep Sociale Agogiek, UGent
Rudi Roose
Professor aan de vakgroep Sociale Agogiek, UGent
Michel Vandenbroeck
Professor aan de vakgroep Sociale Agogiek, UGent

Referenties
- Burger, K. (2010), How does early childhood care and education affect cognitive development? EarlyChildhood Research Quaterly, 25(2), 140-165.
- Bradshaw, J., & Chzhen, Y. (2009).Child poverty policies across Europe. Journal of Family Research, 21(2), 128-149.
- Cantillon, B. (2011). The paradox of the social investment state: growth, employment and poverty in the Lisbon era. Journal of European Social Policy, 21(5): 432-449.
- Clarke, J. (2005). New Labour’s citizens: Activated, empowered, responsibilized, abandoned? Critical Social Policy, 25(4), 447-463.
- Daly, M. & Leonard, M. (2002) Against All Odds: Family Life on a Low Income in Ireland. Combat Poverty Agency: Dublin, Ireland.
- Dean, H. (2010). Understanding human need. The Policy Press, Bristol.
- Dean, H. (2013). The translation of needs into rights: reconceptualising social citizenship as a global phenomenon. International Journal of Social Welfare, DOI: 10.1111/ijsw.12032.
- Dwyer, P. (2004). Creeping conditionality in the UK: from welfare rights to conditional entitlements. The Canadian Journal of Sociology, 29(2), 265-287.
- Frazer, H. (2010). Who Cares? Stappenplan voor een aanbeveling ter bestrijding van de _kinderarmoede. Verslag van de Conferentie van het Belgische EU-voorzitterschap. Brussel: Koning Boudewijnstichting.
- Gray, M. (2013). The swing to early intervention and prevention and its implications for social work. _British Journal of Social Work
, doi: 10.1093/bjsw/bct037.
- Heckman, J.J. (2006). Skill formation and the economics of investing in disadvantaged children, Science, 312: 5782, 1900-1902.
- Homans, L. (2014). Beleidsnota Armoedebestrijding. Brussel: Ministerie van Binnenlands Bestuur, Inburgering, Wonen, Gelijke Kansen en Armoedebestrijding.
- Hubeau, B. (2009). Op welk welzijnswerk hebben burgers recht? Tien mega-trends in (de juridische invulling van) het welzijnswerk en hun gevolgen voor de welzijnsgebruikers. In: K. De Boyser, C. Dewilde, & D. Dierckx (Eds.), Naar het middelpunt van de marge: reflecties over veertig jaar armoedeonderzoek en -beleid. Leuven/Den Haag: Acco.
- Jones, C. (2002). Social work and society. In: R. Adams, R., L. Dominelli, & M. Payne (Eds.), Social Work: Themes, issues and critical debates. Hampshire/New York: Palgrave McMillan in association with The Open University.
- Lieten, I. (2010). Beleidsnota Armoedebestrijding. Brussel: Ministerie van Innovatie, Overheidsinvesteringen, Media en Armoedebestrijding.
- Lister, R. (2004) Poverty. Polity: Cambridge.
- Lister, R. (2006). Children (but not women) First: New Labour, child welfare and gender. Critical Social Policy, 26(2), 315-335.
- Maeseele, T. (2012). From charity to welfare rights? A study of social care practices. Proefschrift. Gent: Universiteit Gent.
- Mestrum, F. (2011). Child poverty. A critical perspective. Social Work & Society, 9(1), 161-168.
- Morabito, C., Vandenbroeck, M., & Roose, R. (2013). ‘The greatest of equalisers’: A critical review of international organisations’ views on early childhood care and education. Journal of Social Policy, 42(3), 451-467.
- Ridge, T, & Millar, J. (2011). Following families: Working lone-mother families and their children. Social policy & administration, 45(1), 85-97.
- Roets, G., Bonte, J., Dermaut, D., Decoene, J., Dhondt, V., & Myny, F. (2013). Laat mijn kop met rust: een project over straatwijs opvoeden. Antwerpen/Apeldoorn: Garant.
- Taylor-Gooby, P., Dean, H., Munro, E., & Parker, G. (1999). Risk and the welfare state. British Journal of Sociology, 50(2), 177-194.
- Tonkens, E. (2006). De bal bij de burger. Burgerschap en publieke moraal in een pluriforme, dynamische samenleving. Rede bij de aanvaarding van het ambt van bijzonder hoogleraar Actief Burgerschap aan de Universiteit van Amsterdam op vrijdag 10 november 2006.
- Vandenhole, W., Vranken, J. & K. De Boyser (2010). Why Care? Children’s Rights and Child Poverty. Antwerp: Intersentia.
- Vandenbroeck, M., Roets, G., & Roose, R. (2012). Why the evidence-based paradigm in early childhood education and care is anything but evident. EuropeanEarly Childhood Education Research Journal, 20(4): 537-552.
- Villadsen, K. (2007). The emergence of ‘neo-philanthropy’: A new discursive space in welfare policy? Acta Sociologica, 50(3), 309-323.

armoede - kinderarmoede - armoedebestrijding

Samenleving & Politiek, Jaargang 21, 2014, nr. 10 (december), pagina 24 tot 27