Abonneer Log in

'Over gevestigden en buitenstaanders. Armoede, diversiteit en stedelijkheid'

Uitgelezen

Samenleving & Politiek, Jaargang 21, 2014, nr. 10 (december), pagina 86 tot 88

Over gevestigden en buitenstaanders. Armoede, diversiteit en stedelijkheid

Gert Verschraegen, Clemens de Olde, Stijn Oosterlynck, Frédéric Vandermoere en Danielle Dierckx
Acco Leuven/Den Haag, 2014

Naar aanleiding van het 25-jarig bestaan van OASeS ( O ngelijkheid, A rmoede, S ociale uitsluiting e n de S tad) brengt deze onderzoeksgroep aan de Universiteit Antwerpen een boek uit waarbij een staalkaart wordt gebracht van recent onderzoek over de thema’s armoede, diversiteit en stedelijkheid.

Het boek geeft enerzijds aan hoe het onderzoek dat oorspronkelijk vooral toegespitst was op armoede in een kwarteeuw verbreed werd naar ruimere themata, waarbij diversiteit en stedelijkheid ook meer in beeld komen. Anderzijds wijst het divers overzicht van onderzoeksresultaten ook op de noodzaak om in een aantal van de maatschappelijke domeinen bijkomend onderzoek te doen in de toekomst.

De titel is natuurlijk niet toevallig gekozen. Het onderzoekscentrum wordt gedreven door een (sociologische) visie die zich duidelijk bevindt op maatschappelijke breuklijnen. Daar bevinden zich enerzijds de gevestigden (ruime toegang tot materiële middelen, maatschappelijke waardering en dominant in de politieke besluitvorming, maar ook cultureel gezien autochtoon) en anderzijds de buitenstaanders (ontberen ruime materiële middelen, lage maatschappelijke waardering, weinig impact op de politieke besluitvorming en vaak ook behorend tot de etnisch culturele minderheden).

Het boek opent met een bijdrage van pionier Jan Vranken onder de titel ‘Naar het middelpunt der armoede’. Vranken heeft het armoedeonderzoek in ons land op de kaart gezet (denk maar aan het jaarlijkse Armoederapport). Het is mooi dat hij dit overzichtsboek mag openen. Vanuit zijn oorspronkelijke uitgangspunten formuleert hij een aantal mogelijke krachtlijnen naar de toekomst. Zonder in te gaan op de inhoud van zijn bijdrage, toch iets om over na te denken: welk onderscheid is er tussen uitbuiting en onderdrukking?

Naar het einde van het boek (Hoofdstuk 14) maakt Tuur Ghys de cirkel van het thema armoede rond met zijn bijdrage: ‘Naar een structurele theorie van armoede’. Hij reageert op de belangrijke visie van Jan Vranken (1977) dat armoede meer is dan een gebrek aan materiële middelen, maar ook binnen een structurele visie moet worden bekeken en oplossingen moet krijgen. Armoede heeft ook belangrijke sociaal- culturele kenmerken en dus is het oplossen van het tekort aan inkomen onvoldoende. Ghys pleit ervoor om het economisch aspect meer in the picture te plaatsen. Hij onderschrijft de visie van Vranken, maar nu vandaag geld steeds meer gebruikt wordt om sociale interacties te organiseren en ook omdat het sociaal-culturele steeds meer vermarkt wordt, wint het materiële aspect van armoede weer aan belang.

Over het armoedethema gaan ook de bijdragen over ‘Investeren en herverdelen: verschuivingen in het activerings- en bijstandsbeleid in België en Vlaanderen’ (Jill Coene, Danielle Dierckx en An Van Haarlem) en ‘Krediet, schuld en betalingsproblemen’(Elias Storme).

In de bijdrage over investeren en herverdelen stellen de onderzoekers vast dat zowel in het arbeidsmarktbeleid (1999) als in het bijstandsbeleid (2002) activering zijn intrede heeft gedaan. Daarbij wordt er steeds meer ingezoomd op het individu. Activering wordt dan wel beschouwd als een ‘sociale’ investering. Vraag is of dat voldoende spoort met de beginselen van herverdeling of zelfs van aard is om de herverdeling in het gedrang te brengen.

In de bijdrage over krediet, schuld en betalingsproblemen dringt de auteur aan op een betere omschrijving van wat hij noemt kredietloze schuld, betalingsachterstallen en problematische kredieten. Vaak worden deze begrippen op een hoop gegooid. Het komt er dan ook op aan om te focussen op problematische schulden en de directe band met armoede niet uit het oog te verliezen. Verder blijkt dat op dit relatief jong onderzoeksterrein bijkomend onderzoek nodig is.

Een ander belangrijk spoor van het onderzoek loopt naar de stad. Meer dan ooit is de stedelijke context de biotoop waar armoede en diversiteit duidelijk zichtbaar aanwezig zijn, maar het is ook de plaats waar er creatieve oplossingen mogelijk zijn.

Een aantal bijdragen illustreren dit, zoals ‘Solidariteit in superdiversiteit: het transformatief potentieel van een complementaire munt in een superdiverse wijk’ (Bart Van Bouchaute, Anika Depraetere, Stijn Oosterlynck en Nick Schuermans). De onderzoekers trekken naar de Gentse Rabotwijk en onderzoeken hoe de werking met een eigen munt, de Torekens, integratie bevordert. De onderzoekers formuleren voorzichtig vier noodzakelijke voorwaarden voor succes: werken aan concrete gezamenlijke projecten, samenwerking overheen etnisch-culturele grenzen, deelnemers hebben een gelijke status en opbouwwerkers, intermediaire organisaties en stedelijke diensten moedigen het intercultureel contact met een zekere autoriteit actief aan. Er is volgens de onderzoekers ook potentie aanwezig voor transformatie. Welke richting het zal uitgaan (integratie of transformatie), moet de toekomst uitwijzen.

Een andere interessante bijdrage gaat over Antwerpen. Onder de prikkelende titel: ‘Is de stad van iedereen? Stedelijk burgerschap en voorwaardelijke inclusie in Antwerpen’ (Nicolaas Van Puymbroeck, Paul Blondeel en Robin Vandevoordt) wordt het inclusiebeleid van het vorige stadsbestuur op de korrel genomen. Het hoofddoekenverbod, het verdringingseffect van het aantrekken van tweeverdieners en hoogopgeleiden en het GAS-beleid zetten, volgens de onderzoekers, wel vraagtekens bij het inclusiebeleid.

In het boek gaat er ook veel aandacht naar het aspect wonen, van ‘Staatshervormingen en crises: stapstenen naar een probleemoplossend woonbeleid?’ (Luc Goosens)over ‘De suburbane droom aan diggelen? Gevestigden en buitenstaanders in veranderende gemeenschappen’ (Ympkje Albeda en Nick Schuermans), tot ‘Van stedelijke migrantenwijken naar diverse suburbs’ (Elise Schillebeeckx en Ympkje Albeda). De rode draad door deze onderzoeken is de zoektocht naar een antwoord op de vraag of ingrijpen op de infrastructuur van een stad of op het woonbeleid, een impact hebben op het samen leven.

De thema’s diversiteit, woonbeleid en stedelijkheid doorkruisen elkaar voortdurend in recent onderzoek.

Nog twee bijdragen springen in het oog. De bijdrage ‘Word is bond? Een verkennend onderzoek naar de relatie tussen poëzieactivisme, slam poetry educatie met jongeren en sociale (on)rechtvaardigheid’ (Pieter Cools en Frédéric Vandermoere) lijkt wel de vreemde eend in de bijt en dat is ook zo. Het legt wel een leemte bloot. In de talrijke andere onderzoeksbijdragen gaat er zo goed als geen aandacht naar jongeren. Het lijkt me dat ook hier bijkomend onderzoek aangewezen is.

Ten slotte is er de bijdrage: ‘Nationalisme in de integratiesector: een proces van verstatelijking en centralisering’ (Nicolas Van Puymbroeck en Arne Saeys). Gezien de nieuwe Vlaamse regering pas is aangetreden en de Vlaamse ministers hun beleidsbrieven bekend maken is het interessant om te zien wat het effect is van nationalisme op de integratie. De onderzoekers komen tot de conclusie dat het Vlaams regionale nationalisme (op basis van cultureel erfgoed en volk) het integratiebeleid in belangrijke mate heeft beïnvloed. Hierdoor is het beleid eerder de richting van assimilatie uitgegaan dan van integratie. Door het integratiebeleid verder te verstaatsen en te centraliseren, wordt het beleid verder in die richting gestuurd. Stemt tot nadenken.

Samenleving & Politiek, Jaargang 21, 2014, nr. 10 (december), pagina 86 tot 88