Log in

Blode mannen met snode plannen, toen en nu

Wie zei weer: de geschiedenis herhaalt zich, en voegde eraan toe: de tweede keer als farce? Vandaag vergelijken sommigen gretig Michel I met Martens V. Maar hoezeer gelijkt Michel I op en verschilt van Martens V? Zoek en vind hierna de zeven verschillen en gelijkenissen: inzake overheidsfinanciën, concurrentiekracht, werkgelegenheid, sociale zekerheid, (on)gelijkheid, sociaal overleg en Europa. En beantwoord daarna de vraag: welke zijn de loden en welke de nikkelen jaren?

MARTENS V

De nieuwe regering treedt aan op het moeilijkste ogenblik van de jongste 30 jaar. De toename van de werkloosheid, het begrotingstekort, de schuld in het buitenland, het deficit op de lopende betalingsbalans is dermate uit de hand gelopen dat een ommezwaai in het tot nog toe gevoerde sociaal-ekonomisch beleid onontbeerlijk is.’ Zo stak Martens V, ook wel Martens-Gol (Jean Gol, liberaal) genoemd, op 18 december 1981 van wal.

Het regeerakkoord telde amper 16 bladzijden en 5 hoofdstukken [VERSCHIL met nu]. De eerste drie hoofdstukken gingen over de drie pijlers van het herstelbeleid [GELIJKENIS met nu]: herstel van de concurrentiekracht, sanering van de overheidsfinanciën, bevordering van de tewerkstelling. Het vierde hoofdstuk had het over ‘de vrijwaring’ van de sociale zekerheid. Het vijfde en laatste hoofdstuk ging over de hervorming van de staat en de herwaardering van de instellingen. De communautaire problemen werden resoluut naar de koelkast verwezen [GELIJKENIS]. Dat belette niet dat de communautaire problematiek Martens V onophoudelijk het leven verzuurde (Waals staal, Voeren, schulden van de gewesten) en dat voortdurend strijd moest worden geleverd om het herstelbeleid op het voorplan te houden. Dat uitte zich in vele aanvullende regeringsverklaringen: telkenmale op 15 maart in 1983, 1984 en 1985. Al die actualiseringen gaven elk Martens V-jaar een eigen stempel: 1982 het jaar van de devaluatie, 1983 het jaar van de feitelijke regionalisering van de nationale economische sectoren, 1984 het jaar van het spaarplan, 1985 het jaar van het meerjarenplan tot belastingverlaging.

CONCURRENTIEKLACHT

Devaluatie van de frank figureerde uiteraard niet in het regeerakkoord, maar was natuurlijk de hefboom van het concurrentieherstel en de (wel aangekondigde) ‘bijzondere machten’. De Belgische frank, tot dan een sterke munt in het zog van D-mark en gulden, belandde in de tweede helft van de jaren 1970 van de ene crisis in de andere. De Nationale Bank moest om de haverklap haar rentevoeten optrekken en in haar deviezenreserves tasten om de frank te steunen. Uiteindelijk ging er vrijwel geen vrijdag voorbij of de wisselmarkten kregen Saturday night fever van een devaluatie in het weekend.

Reden? België deed, in tegenstelling tot de meeste andere landen, te weinig moeite om de economische crisis te bezweren. De olieprijsverhoging stuurde het land, via de (toen nog) ongezondheidsindex, in een mum van tijd naar de kop van het inflatiepeloton. De concurrentiepositie raakte in het gedrang, de comfortabele handels- en betalingsbalansoverschotten sloegen om in steeds grotere tekorten, de industrie kreeg zware klappen (min 275.000 arbeidsplaatsen tussen 1973 en 1981), de regering sprong op allerlei manieren bij, en de overheidsfinanciën raakten uit evenwicht. België moest vanaf 1978 massaal geld gaan lenen in het buitenland.

Het financieel-economisch beleid kwam almaar pregnanter voor de keuze: ofwel intern saneren om de economie te verdienen die de Nationale Bank monetair nastreefde, ofwel de frank afwaarderen. De politieke en financiële wereld bleef jarenlang verscheurd: ze wilde én de stevige frank én het behoud van koopkracht. Martens werd in april 1979 voor het eerst premier na een lange crisis van 100 dagen, waarvan 99 gewijd aan institutionele kwesties, onder verwijzing van de rest naar het sociaal overleg.

De ommekeer vond plaats in de lente van 1981. Martens ging naar Maastricht voor een Europese top, werd daar flink de mantel uitgeveegd en kwam terug als een geslagen, volslagen andere man. Hij probeerde eerst het matigingsalternatief uit met een centrumlinkse coalitie, werkte een noodplan uit dat voorzag in één jaar indexblokkering, maar stuitte op het veto van de socialistische regeringspartners. Mark Eyskens nam in april 1981 het roer over van dezelfde coalitie en deed een half jaar aan kosmetische matiging. Zijn enige erfenis was een Maribel-operatie van 30 miljard frank - een forfaitaire bijdrageverlaging per werknemer en een btw-verhoging op luxe producten. [NOTEER: op luxeproducten]

De verkiezingen eind 1981 bezorgden de christendemocraten een verschrikkelijke klop en de liberalen een grote top. Martens werd opnieuw premier, nu van een regering met liberalen. Het werd een echte breuk. Zo groot het taboe (vooral bij de Nationale Bank) voordien was, zo snel ging na de devaluatie (met 8,5% op 21 februari 1982) de opwinding liggen. Hét was gebeurd.

Het concurrentieel herstel wierp economisch al spoedig vruchten af: meer export, minder import, betere handels- en betalingsbalans, minder buitenlandse leningen, weer deviezenreserves. De regering wou het herstel natuurlijk vasthouden. Ze ontwierp een competitiviteitsnorm: de gemiddelde nominale arbeidskosten (privésector) mochten in 1983-84 niet sneller stijgen dan bij de zeven voornaamste handelspartners (Bondsrepubliek Duitsland, Frankrijk, Nederland, VK, Italië, VS, Japan). [GELIJKENIS] Het bekvechten startte meteen. De werkgevers vonden dat, zoals voor de munt, ook voor de loonkost enkel met onze twee belangrijkste handelslanden (Duitsland, Nederland) moest worden vergeleken. De vakbonden vonden dat enkel naar de lonen gekeken werd, terwijl België toen ook al met een enigszins verouderd productenpakket zat. [GELIJKENIS] De regering schoof de hete aardappel door naar de Centrale Raad voor het Bedrijfsleven. De sociale partners raakten het daar niet eens en de regering nagelde in een sociale herstelwet de norm vast: het concurrentievermogen moest voor 1985-86 tenminste behouden blijven op het gemiddeld peil van 1982-84. Het zou worden beoordeeld aan de hand van zowel de arbeidskosten bij de zeven voornaamste handelspartners, als de verbetering van de soepelheid van de productiefactoren. (De werkgevers vochten dat van de flexibiliteit fel aan.)

MARTENS-GOAL?

Fons Verplaetse, toenmalig kabinetschef en demiurg van de devaluatie, moest vaststellen dat hij zich deerlijk verkeken had: de werkelijkheid volgde, verdomme, niet het schema van zijn financieel A4-tje. Hij rekende erop dat het herwonnen concurrentievermogen de export zou aansturen, de industrie weer zou doen investeren en aanwerven, en de werkloosheid zou doen slinken. Minder uitgaven en meer inkomsten zouden op hun beurt de staatsfinanciën ‘gezond maken’ en de schuld doen krimpen.

Al die verwachtingen werden door de feiten gelogenstraft. Behalve één: het buitenlands saldo werd lichtjes positief. En één halvelings: de inflatie daalde van 7,6% in 1981 tot 6,3% in 1984. De prijzen verdubbelden om de elf in plaats van om de negen jaar. Een resultaat dat de harten van de Belgen met blijdschap vervulde! [VERSCHIL: bijna iedereen snakt nu naar meer inflatie]

De grootste mislukking waren de investeringen: 6% minder in volume (+22% in lopende Belgische frank bij 30% inflatie). In 1985 werd meer geïnvesteerd in de industrie dan in 1982, maar minder dan in 1980 en beduidend minder dan in 1974. Nochtans had de regering aanzienlijke sommen weten te mobiliseren. Alleen al 138 miljard Belgische frank belastingverminderingen (wet Cooreman-De Clercq) voor beleggingen in risicokapitaal. Dat geld ging echter voor een derde naar de elektriciteitssector (alsof die toen enig risico vormde), voor slechts 11% naar de industrie en voor de rest naar de financiële sector. De Beurs werd daardoor de meest gesubsidieerde economische sector. De ondernemingswinsten stegen wel, maar gingen goeddeels de grens over. Waarom? Omdat het Belgisch kapitalisme weinig investeerde en bijna geen projecten had. Omdat het zijn centen liever op de bank zette of belegde in staatsobligaties, vooral Amerikaanse (de bodemloze put van Reagan) en ook Belgische (die andere bodemloze put). [GELIJKENIS: ook nu wordt gesproken over een heruitgave van de wet Cooreman-De Clercq. Ook vandaag zitten Belgische bedrijven op 240 miljard euro cash - een berekening van B-Information. Daar staan lage investeringen tegenover. Bedrijven besteden veel aan het terugkopen van eigen aandelen om beurskoers en bonussen op te kloppen. CEO’s, bankiers en fondsmanagers bevolken de lofts van het loongebouw. De nieuwe rijken bouwen geen fabrieken of bibliotheken meer, maar spenderen hun geld aan kostbare schilderijen, oogverblindende musea, peperdure appartementen en voetbalclubs.]

Wat was het gevolg van die investeringsstaking? Het bbp steeg over vier jaar met een schamele 5% (in volume), de werkgelegenheid nam niet toe, de overheidsinkomsten al evenmin, de loonmatiging matigde die ook nog eens. De overheidsfinanciën werden definitief hét probleem. Het tekort voor 1981 was onder Martens III nog begroot op 242 miljard Belgische frank (6,7% bbp). Het was eind 1981, toen Martens V aantrad, verloederd tot 475 miljard (13,3% bbp) - een absoluut record. [VERSCHIL: het tekort is nu minder dan 3%. Toch zegt historicus De Wever dat deze regering voor de grootste inspanning staat sedert WOII: een gotspe!]

SCHULD EN WROETEN

Martens V wou het tekort in vier jaar halveren, zodat er niet meer in het buitenland moest worden geleend. Dat veronderstelde een jaarlijkse daling met 1,5 tot 2% bbp. En dat moest gebeuren door reële uitgavenvermindering, zonder (para)fiscale verhogingen. Dat lukte al meteen niet in 1982 en 1983. De regering handhaafde de doelstelling wel, maar het mocht ook enkele jaren later zijn. [GELIJKENIS] Argument: wegens de lage bedrijfs- en bouwinvesteringen was er overvloedig spaargeld beschikbaar en moest al minder in het buitenland geld gezocht worden. Toch moest de Nationale Bank miljarden blijven opdiepen om de Belgische frank te ondersteunen, en steeg de schuld in de eerste twee maanden van 1984 met 144 miljard Belgische frank.

Dus smeedde de regering op 15 maart 1984, nog net voor haar volmachten verliepen, een vers spaarplan (ook krokus- of vastenplan). Dat spaarplan was niet enkel omvangrijker maar ook anders van snit. De eerste inlevering (1982) was ongeclausuleerd en onvoorwaardelijk voor de ondernemingen. De tweede besparingsbeurt (1983) was moeizaam voor de tewerkstelling (zie verder). De derde collecte - geen twee zonder drie [GELIJKENIS: een nieuwe besparingsronde is al aangekondigd voor de begrotingscontrole dit voorjaar] - ging naar de schatkist.

Het bestond uit fiftyfifty besparingen en inleveringen. Besparingen op sociale zekerheid, belastingverminderingen en rentelasten (o.a. consolidatie van kortlopende schatkistcertificaten, uitgifte van een staatslening met een eerste coupon pas na 15 maanden). Maar hoeksteen waren drie indexsprongen: één indexering van 2% [VERSCHIL: er waren toen doorgaans drie of vier indexaanpassingen per jaar] moest drie opeenvolgende jaren (1984, 1985 en 1986, uiteindelijk 1987) doorgestort worden naar de overheid. [VERSCHIL: de voorziene indexsprong van 2015 of 2016 blijft bij de werkgevers.] Het plan moest goed zijn voor 250 miljard Belgische frank.

Tussen haakjes. Lineaire maatregelen (iedereen 2%) mogen in principe duidelijk, eenvoudig en onmiddellijk uitvoerbaar lijken, ze zijn in België onduidelijk, ingewikkeld en klunzig. Inlevering ten behoeve van de schatkist kon al in de jaren 1980 niet meer via de fiscus, maar vergde een nieuw omslachtig circuit. Voor werknemers: storting van hun indexering door hun werkgever op een aparte rekening bij de RSZ. Voor zelfstandigen: provisoire storting op een individuele rekening bij de Nationale Kas voor Beroepskrediet. Waarom? Opdat Willy De Clercq en Guy Verhofstadt de indruk zouden kunnen wekken dat zij, ondanks ‘de grootste belastingverhoging uit de geschiedenis’ (aldus De Tijd toen), erin geslaagd waren zowel nieuwe belastingen als sociale bijdrageverhogingen te vermijden! De drie indexsprongen zijn na 1987 omgezet in een loonmatigingsbijdrage van 7,48%, die sindsdien alle regeringen heeft overleefd. [ONTHOU: kijk uit voor de omwegen en bochten waarmee liberalen straks met voorstellen over vermogens zullen komen.]

Wat was het resultaat van dit alles? Het financieringstekort lag in 1985 nog altijd, zoals in 1981, rond de 500 miljard Belgische frank, maar dat was inmiddels niet meer 13,3% maar 10,4% van het bbp. Het tekort werd niet enkel teruggebracht door minder uitgaven maar evenzeer door meer inkomsten: de globale (para)fiscale druk steeg van 43,3% naar 47,8% in 1987 (na de derde indexsprong). [VERSCHIL: de sanering moet nu uitdrukkelijk van besparingen komen.]

De staatsschuld, echter, verdubbelde van 2.500 miljard (1981) tot 5.000 miljard Belgische frank (1985). Er zijn onder Martens V evenveel schulden aangegaan als onder alle voorgaande regeringen sinds de stichting van het Koninkrijk! Iedere Belg droeg 30 jaar geleden een schuld mee van 500.000 Belgische frank, en betaalde daarvoor jaarlijks minstens 50.000 Belgische frank door de hoge internationale rentevoeten (10 tot 14%). [VERSCHIL: de overheid leende nooit zo duur als toen, nooit zo goedkoop als nu.]

De regering werd in de verkiezingen van 13 oktober 1985 niet afgestraft, en toog voor een nieuw saneringsplan op Pinksterdag 1986 naar de Sint-Anna priorij. Het jaarlijks tekort moest alsnog teruggebracht worden tot 8% van het bbp in 1987, en 7% in 1989, door een vermindering van de overheidsuitgaven met ongeveer 10%. In cartoons kregen we Jean-Luc Dehaene te zien, die als Obelix een dikke zak ‘sociale zekerheid’ of als monnik in zijn kap een spaarvarkentje van 195 miljard Belgische frank meetorste uit de priorij - waarvan een kwart in de sociale zekerheid, telkens 15% in openbaar ambt en staatsschuld en 11% in het onderwijs.

Die sanering verliep vlotter. Ze kreeg de wind mee van een omgekeerde olieschok, die een kleine tijger stopte in de roestige tank van de Belgische economie. Goedkope petroleum en andere grondstoffen deden de inflatie en ook de intrestvoeten dalen. Ze zorgden voor meer groei en werk. [GELIJKENIS: misschien]

SOCIALE OBSESSIE

In die eerste helft van de jaren 1980 is geen enkele categorie van sociaal verzekerden gespaard gebleven. In elk stelsel zijn de prestaties verminderd, de staatstussenkomsten verlaagd en de bijdragen verhoogd. Bekijk de sociale regressie 1981-85 in droge cijfers - weerslag in 1985 voor het werknemersstelsel, in miljarden Belgische frank:

Minder prestaties: 87,1:

  • Gezondheidszorg: 32,7 - vooral matiging erelonen, minder ligdagen, verhoging remgelden;
  • Ziekte- en invaliditeitsuitkeringen: 5,4 - vooral indexsprong, nieuwe categorie samenwonenden, doorbetaling werkloosheidsuitkering gedurende eerste vier maanden;
  • Pensioenen: 13 - vooral indexsprong, begrenzing loonplafond pensioenberekening;
  • Kinderbijslag: 12,6 - vooral indexsprong eerste en tweede kind, inhouding 375 Belgische frank, afschaffing 13de en 14de maand voor eerste kind, opschuiven leeftijdsbijslag naar 6, 12 en 16 jaar;
  • Arbeidsongevallen en beroepsziekten: 1,85 - vooral beperking cumul met werkloosheid, invaliditeit en pensioen;
  • Werkloosheid: 21,5 - vooral indexsprong, beperking wachtuitkering jongeren, 6% minder voor samenwonenden, forfaitaire uitkering voor alleenstaanden en samenwonenden na twee jaar plus drie maanden per gewerkt jaar.

Meer inkomsten: 83,8:

  • Verhoging bijdragen (pensioen, werkloosheid, gezondheidszorg): 44,9;
  • Afschaffing loonplafonds: 18,8;
  • Bijzondere inhoudingen: 20,1 - op vakantiegeld (9,7), gezinnen zonder kinderen (5), (brug)gepensioneerden (2,4) en [VERSCHIL] op inkomens boven 3 miljoen (3).

De sociale zekerheid boekte daardoor al in 1985 overschotten. Jean-Luc Dehaene, minister van Sociale Zaken, deed zijn werk te goed. Mede daardoor kwam een fundamentele hervorming er evenwel niet, ondanks ferme liberale voorstellen (Guy Verhofstadt) voor een drietrapsstelsel (algemeen minimuminkomen uit algemene middelen, verplichte sociale verzekering met bijdragen, vrije aanvullende verzekeringen). Ook het nieuw wetboek van sociale zekerheid (voor harmonisering en vereenvoudiging) van de koninklijke Commissie-Dillemans verdween al vlug in de archieven.

Jean-Luc Dehaene gaf zijn verhaal altijd wel een happy end: hij kon steeds eindigen met de minima die voortaan lang(er) en gelukkig(er) gingen leven: indexering en 2% verhoging in 1985 en 1986. Van 1982 tot en met 1986 zouden de minima zelfs 30% vlugger stijgen dan de looninkomens. Niet dat ze zoveel beter werden, wel dat de anderen zoveel slechter werden. Hun geluk was, met andere woorden, een relatief geluk. Alleen viel die relatieve verbetering een steeds kleiner aantal mensen ten dele. In 1982 voorzag Martens V nog de vrijwaring van de ‘zwaksten’, in 1984 was die al versmald tot de ‘allerzwaksten’. [GELIJKENIS: nu zouden ook de minima opgetild worden tot de armoededrempel en welvaartsaanpassingen krijgen - sommige toch.]

TROETEL- EN PLOETERKINDEREN

De globale rekening laat de reële evolutie voor de periode 1981-85 duidelijk uitkomen. De primaire inkomens (voor herverdeling) van de gezinnen daalden met 2,3% bbp. Dat was echter een gemiddelde: werknemers (privé en publieke sector) verloren 4,9% bbp (-233 miljard Belgische frank), eigenaars en passieve kapitalisten wonnen 3,2% bbp (+152 miljard Belgische frank), zelfstandigen raakten 0,6% bbp kwijt. Hogere belastingen en bijdragen dikten dit effect aan: die stegen met 6,3% bbp, waarvan 1,3% bbp terugkwam in meer sociale prestaties (vooral werkloosheidsuitkeringen: er waren meer werklozen die weliswaar minder kregen). Het beschikbaar inkomen van de gezinnen verminderde zo met 7,5% bbp. Dat kwam enerzijds door een lager primair inkomen (1/3), anderzijds door hogere (para)fiscaliteit (2/3), die opliep van 43% tot 52% van het primair inkomen (nog verzwaard door de niet-indexering van de belastingschalen toentertijd).

Omgekeerd kenden ondernemingen een sterke groei van hun primair inkomen (brutowinst): +5,2% bbp (+248 miljard Belgische frank). De vennootschapsbelasting nam in opbrengst wel een beetje toe (+0,7% bbp), maar de gemiddelde aanslagvoet viel spectaculair terug van 68,6 naar 32,6% dankzij een paternoster fiscale tegemoetkomingen. [VERSCHIL: veel fiscale vennootschapsvoordelen die nu zoveel opzien en weerzin baren, dateren van toen: verlaging basistarief, T-zones en coördinatiecentra (inmiddels vervangen door de notionele intrestaftrek), FBB - forfaitaire aftrek van meestal niet betaalde buitenlandse belastingen, ‘fictieve roerende voorheffing’, enzovoort. Geen wonder dat de Kredietbank in haar 50ste jaarverslag kon melden dat ze op 31 maart 1985 zo’n 8.429 miljard Belgische frank winst gemaakt had en daarop 630 miljoen belasting ging betalen, hetzij 7,4%. De basisaanslag was toen 45%, de gemiddelde bedrijfsbelasting 32,6%.] [GELIJKENIS: grote bedrijven betalen vandaag nog veel minder.]

Ondernemingen waren de troetelkinderen van de regering. Net als ‘renteniers’. De aanschaf van (nieuwe of oude) aandelen kon je tot 40.000 Belgische frank aftrekken. Met staatsobligaties of kasbons kon je je spaarpot in twaalf jaar tijd verdubbelen. De regering verhoogde wel de roerende voorheffing van 20% tot 25%, maar maakte die ‘bevrijdend’. De meeste renteniers bleven echter, zonder verkreukeld geweten, hun geld zonder enige voorheffing buitenlands doen groeien. Het was toen goed geld hebben. De ‘Belgische tandarts’ maakte wereldwijd furore. In 1984 werd al een fiscale amnestie ingevoerd.

Ooit waren kapitaalinkomsten zwaarder belast dan arbeidsinkomens. Daarna werden ze op gelijke voet geplaatst. Sinds Martens V worden ze, ook officieel, minder belast.

In het verkiezingsjaar 1985 kwam de regering met een ‘meerjarenplan ter verlichting van de fiscale druk’. Dat zou de schatkist, in volle indexsprongtijd, tot 77 miljard gaan kosten: onder andere 40 miljard Belgische frank voor indexering van de belastingschalen (liberalen) en 5 miljard Belgische frank voor de verhoging van de voordien verlaagde kinderbijslag (christendemocraten). [GELIJKENIS. Ook deze regering is dubbelhartig: enerzijds is er de indexsprong voor werknemers en sociaal verzekerden, anderzijds een belastingverlaging (hogere aftrek beroepskosten) voor werkenden.]

Afin, kapitaalinkomsten, arbeidsinkomsten van zelfstandigen en arbeidsinkomens van loontrekkenden werden ook toen al verschillend behandeld. [GELIJKENIS] De eersten waren aan het feest, de tweeden werden ontzien, de derden geslachtofferd. Toch zijn ook toen stevige discussies gevoerd over een gelijke bolwassing van alle inkomens. Zelfstandigen moesten in 1982 en 1983 een sociale solidariteitsbijdrage van 2% op hun totale beroepsinkomen betalen. De parallel met de drie indexsprongen vanaf 1985 kwam echter niet verder dan een verbeterde versie van die vroegere solidariteitsbijdrage: geen verplichting tot voorafstorting, slechts gedeeltelijke of helemaal geen inlevering als het beroepsinkomen intussen achterop gebleven was bij de inflatie. Boutade van een syndicale topman: ‘Geef ons, werknemers, de inleveringstechniek der zelfstandigen, en we hechten geloof aan de gelijkheid in inspanningen.’ Inkomsten uit vermogen ontsprongen trouwens ook niet allemaal de inleveringsdans: huurprijzen, tantièmes en uitzonderlijke ondernemingswinsten niet; dividenden, intresten en niet-extravagante ondernemingswinsten weer wel. [VERSCHIL]

Noot: ook indexsprongen zelf werk(t)en denivellerend. De forfaitaire indexering van juni 1982 tot augustus 1983 (hetzelfde bedrag voor iedereen, gelijk aan 2% van het minimumloon) was naar draagkracht. Ook een procentuele indexering heeft nog progressieve kanten, want die laat (na sociale en fiscale inhoudingen) netto en relatief meer aan lagere inkomens. Niet-indexering is echter regressief: het nettoverlies is (relatief) kleiner naarmate het inkomen hoger of meer belast wordt. Hoge inkomens wordt een vingernagel afgeknipt, middelgrote inkomens een vingerkootje afgezet, maar lagere inkomens een vinger geamputeerd, en sociale zekerheids-trekkers onthand.

WERKVERLEGENHEID

Saneringsplannen leiden op zichzelf tot jobcrematie. Martens V wou daarom, in het zog van de devaluatie, de lonen gedeeltelijk loskoppelen van de index (via een forfaitaire indexering in 1982) en die 3% inlevering bestemmen voor het behoud van de tewerkstelling tot in 1985. Die doelstelling zou worden neergeschreven in een Tewerkstellingspact, met de bedoeling om het vakbondsverzet tegen de indexingreep te keren. Het sociaal overleg kwam niet tot een akkoord. De regering herdoopte haar pact tot een plan van de regering alleen.

Het meest markante voorstel was een 5-3-3-operatie, een variante op een idee van Gevaert-baas en VBO-voorzitter André Leysen: 5% werktijdverkorting in ruil voor 3% inlevering en 3% bijkomende aanwervingen. Het ABVV was tegen, waarna het VBO ook makkelijk neen kon zeggen. De vakbonden staakten twee dinsdagen in gemeenschappelijk front maar zonder gemeenschappelijk doel (het ABVV tegen de regering, het ACV tegen het patronaat). De regering schoof de bal door naar sectoren en bedrijven, die tot april 1983 moesten onderhandelen over de invulling van de formule. KMO’s kregen een globale doelstelling van 1,5% meer tewerkstelling. Wie geen (voldoende) cao sloot, moest de inlevering storten in een Tewerkstellingsfonds ter financiering van de sociale zekerheid.

Het ‘spaarplan’ van 1984 verving echter de idee van lineaire werktijdverkorting door een herverdeling van de beschikbare arbeid onder alle mogelijke vormen, en bij voorkeur deeltijdse arbeid. De herverdeling zou worden bekostigd met de netto-opbrengst van de indexsprongen, op voorwaarde dat dit nettoverlies voor de overheid gecompenseerd werd door meer tewerkstelling. De sociale partners sloten in de zomer 1984 over een aantal zaken een ontwerp-interprofessioneel akkoord 1985-86 (telkenjare 1,5% van de loonmassa voor meer werk), dat na de zomer werd weggestemd op een ABVV-congres. De regering maakte daarop het ontwerp tot kader voor sectorale onderhandelingen.

Naast die twee grootschalige plannen, bedacht Martens V nog een hele resem tewerkstellingsmaatregelen: verplichte jongerenstages, startpremie als zelfstandige voor jonge werklozen, werklozen in KMO-projecten, invoering Derde Arbeidscircuit en ‘flexibiliteitsexperimenten Hansenne’ (weekend, ploegen). De klemtoon lag op deeltijdse arbeid en op inschakeling via werk van jonge werklozen.

Dit alles zorgde ervoor dat de afbraak van de tewerkstelling geleidelijk werd gestopt. De stijging van de werkloosheid daalde jaar na jaar: +70.000 werklozen in 1981, +65.000 in 1982, +48.000 in 1983, +6.700 in 1984, stabilisering in 1985. [GELIJKENIS: Jean-Luc Dehaene was een meester in het goochelen met ‘dalingen van stijgingen’. Vlaams minister van Werk Philippe Muyters kan er ook wat van. Het doet denken aan de Italiaanse politicus die vaststelde dat de toren van Pisa elk jaar nog maar 1 in plaats van 2 millimeter schever ging hangen en uitriep: er is duidelijk sprake van beterschap! Akkoord, je kunt schamper doen over het werkgelegenheidsbeleid van toen, maar kijk wat de vier ministers van Werk in dit land vandaag doen voor werklozen: activering, nu ook via verplichte gemeenschapsdienst. Dat is zo ongeveer alles. Dat wil zeggen: niks.]

MINSOMSPEL

In die periode werd dezelfde vraag gesteld als nu: waarom kruipt Europa voort (toen wel tegen 2% volumegroei), terwijl Japan meer dan 5% haalde en de VS zelfs 6% ver sprongen in 1984? Omdat overal in Europa gekozen werd voor een beleid van ‘competitieve deflatie’. Europa (en de wereld) verkeerden in een recessie na de tweede olieschok. Elk land spande zich in om zijn uitgaven te beperken, wilde meer uit- en minder invoeren en sjorde daartoe de nationale buikriem aan. Eén enkele regering deed het met volle goesting: mevrouw Thatcher. Alle andere gingen ertoe over toen ze geconfronteerd werden met externe tekorten en ze zich moesten plooien naar de internationale financiële concurrentie. In Frankrijk, Spanje, Zweden en Griekenland gaven de kiezers de macht aan links. In Duitsland, Nederland, Denemarken en België aan rechts.

In België maakte Martens-Gol wel een heel losse toepassing van het toen alom geprezen adagium ‘De winsten van vandaag zijn de investeringen van morgen en de jobs van overmorgen’. De ondernemingen konden inderdaad meer winst maken dankzij de regeringsmaatregelen, maar ze moesten zich niet verbinden tot investerings-initiatieven en konden hun winsten ook beleggen bij banken. Dat leverde meteen meer op. En nog meer in New York. De Belgische financiële sector heeft toen naarstig meegewerkt aan de uitvoer van ’s lands ‘offers’.

In andere landen bleek het mogelijk de offers breder te laten dragen. Maar eenzelfde keurslijf deed de austérité van rechts en de rigueur van links wel op elkaar gelijken. Die gelijkenissen waren paradoxaal maar bevatten ook een verklaring: de onmacht van nationaal beleid om de economie te relanceren en de werkloosheid weg te werken. In Duitsland had Helmut Schmidt in 1979 een werkgelegenheidsbeleid via de begroting beproefd. Het betalingsbalanstekort kostte zijn vel. Opvolger Helmut Kohl zwoer het relancebeleid af en omhelsde de religie van de competitieve deflatie. In Frankrijk probeerde de regering-Mauroy in 1981 op haar beurt een relance, met dezelfde gevolgen en een bocht van 180 graden in 1983. De onmacht van nationaal beleid was een nieuw Europees gegeven. Ze was het gevolg van de opening van de grenzen gedurende 30 jaar liberalisering. Zelfs de Duitse Bondsrepubliek en Frankrijk waren voortaan kleine open economieën die het roer van hun schip niet meer in handen hadden. Ook progressieve regeringen moesten kiezen tussen het sluiten van de grenzen of de knieval voor de financiële markten. Geen enkel Europees land koos ervoor op zichzelf terug te plooien.

Europa kende toen ook al een EMS, een Europees Monetair Systeem, dat elk land oplegde de spilkoers van zijn munt te handhaven binnen een smalle bandbreedte, zonder reële financiële solidariteit tussen de respectieve centrale banken. Europa had toen ook nog geen regering, het had er (maar) 12. Het pratikeerde ook toen, onvervaard, een liberalisme dat in Washington, Tokio of Beijing niet meer is dan een ideologische paravent voor nationalistische maatregelen en economische oorlogshandelingen.

POVERLEG

Ook de vakbonden hebben toen de strik rond de nek gevoeld. Ze kwamen tegenover regeringen te staan die minder loon en meer werkloosheid verkozen boven hogere (buitenlandse) tekorten. Het werd moeilijk overleg. Het was eigenlijk al tob­overleg sinds 1975, aangezien werkgevers en vakbonden het niet meer eens waren over de basisfilosofie.

Na WOII waren patroons en werknemers het eigenlijk over de grote lijn eens. Hard werken, hoge productiviteit, verdeling van de ‘vruchten’ binnen de onderneming (winsten, loonsverhogingen), maar ook deling met de maatschappij (sociale zekerheid, onderwijs, collectieve voorzieningen). Die vruchten moesten in de jaren 1950 nog wel vaak ouderwets syndicaal uit de bomen worden geschud, maar de oogstverdeling zou vanaf de jaren 1960 gaandeweg gestroomlijnd worden in interprofessionele akkoorden. Het Compromis Arbeid-Kapitaal strekte zich toen nog uit van de onderneming tot de hele samenleving.

Die band bedrijfsleven-maatschappij veranderde helemaal rond 1975, na de eerste oliecrisis. De bedrijven vonden dat ze voortaan moesten optornen tegen de buitenwereld: tegen de concurrentie in binnen- en buitenland, tegen de vakbonden, tegen de staat, tegen drukkingsgroepen allerhande. Vooral Fabrimetal (nu Agoria), de sterkste patronale organisatie, preekte van dan af de drie nieuwe patronale geboden: ‘de loonkost zult gij beperken, het kapitaal zult gij belonen, de sociale uitgaven zult gij besnoeien’. Het Grote Compromis Arbeid-Kapitaal voor de hele maatschappij versmalde tot het kleine compromis arbeid-kapitaal binnen ondernemingen tegen de hele maatschappij. De oplossingen van de patroons werden de problemen van de vakbonden, en omgekeerd. De consensus over de inhoud van het Belgisch model was verbroken.

Bijgevolg waren het sindsdien altijd regeringen die, bij economische bloedarmoede en hoge sociale bloeddruk, de behandeling moesten voorschrijven en de medicijnen toedienen. En de wederwaardigheden sinds de waterscheiding van 1975 hebben de sociale partners gepolitiseerd en de politici geëconomiseerd. De ondernemers lieten/laten de regering graag de kastanjes voor hen uit het vuur halen (loonindexering bijvoorbeeld staat in geen wet, wel in cao’s). De vakbonden (vooral het ABVV) vertrouw(d)en even graag hete aardappelen toe aan de regering.

Dat heeft het gedrag van alle partners danig veranderd. Hun paritaire omgang van vroeger is verlopen tot een netelige verhouding met drie (on)bekenden, die wisselend elkaar omhelzen en slaan, vreemdgaan en terugkomen. Een driehoeksverhouding, prachtig in theorie, moeizaam in de praktijk. Nu eens de sociale partners bij elkaar schurkend, dan weer een partner bij de regering op schoot, nu eens samen apart, dan weer apart samen. Een beetje stijlvol klaarkomen is er niet meer bij, laat staan dat ze elkaar bevruchten. Integendeel, alle partners zijn vandaag assertiever en agressiever geworden.

Het ABVV ondergaat vandaag inwerking van PVDA+/PTB (vooral bij ACOD en Waalse metallo’s). Het ACV is, alle nostalgiekers ten spijt, (allang) niet meer de vakbond van de voormalige voorzitter Jef Houthuys. Hij is al in de jaren 1980 opgevolgd door zijn ‘politieke’ tegenpool Willy Peirens (over de partij: ‘zij zijn zij, wij zijn wij’). Sterker nog: ACV-CSC is nooit dichter bij splitsing geweest dan in de eerste helft van de jaren 1980. Het gaat dat risico niet opnieuw willen lopen. Zeker niet nu CSC geen enkele ‘bevriende’ partij in de federale regering heeft en ook ACV daar geen enkele ‘vriend’ aantreft en zich moet wenden tot Kris Peeters (van Unizo zaliger gedachtenis). Ten slotte: huidig ACV-voorzitter Marc Leemans gaat de sociale verkiezingen in 2016 niet op het spel zetten voor labbekakkige tegemoetkomingen. Het ACV herinnert zich zeker nog de (tijdelijke) teruggang bij die verkiezingen in 1983.

Maar ook op werkgeversvlak verschilt de situatie vandaag met die van toen. Er is niet meer één Patronaat. Er zijn vele patronaten. Het VBO, de traditionele werkgeversorganisatie, wordt steeds meer opgejaagd. Het zwaartepunt is al verschoven van de traditionele Belgische sectoren naar de filialen van buitenlandse ondernemingen, die in hun moederland doorgaans geen interprofessioneel overleg (soms ook geen sectorale onderhandelingen) kennen. Het heeft ook nog de B in zijn naam, en raakt dus, zoals België, steeds meer gebelgd. Voorgangers van Pieter Timmermans en Bart Buysse zouden nooit zo’n anti-syndicale campagnes opgezet hebben, of op de dag van een nationale betoging ‘de sossenbonden en hun gepeupel’ retweeten.

Unizo opereert, zoals zijn Waalse tegenhanger UCM, op dubbel niveau (federaal en Vlaams), en speelt op elk niveau ook nog dubbelspel: overleg om regelingen voor KMO’s tegen te houden, lobbying om politiek voordelen voor KMO’s te bekomen. Karel Van Eetvelt doet dat nog meesterlijker dan zijn voorganger Kris Peeters. Hij heeft zich ontpopt tot de Jean-Marie Dedecker van de Groep van 10.

Maar de ware opgang komt van Voka. Het VEV was vroeger geen sociale gesprekspartner. Het is dat geworden in Vlaanderen voor de Vlaamse bevoegdheden, maar heeft nog nooit enige cao met vakbonden gesloten (interprofessioneel noch sectoraal). Het tuinierde trouwens nauwelijks op het eigen Vlaamse terrein, maar kwam des te meer ‘over de haag’ het VBO zeggen hoe dat moet boeren (loonkost, flexibiliteit, sociale zekerheid). Voka zit nog altijd niet bij de Groep van 10, maar overvleugelt nu wel het VBO in rechtstreekse toegang tot én de Vlaamse én de federale regering. Voorzitter Michel Delbaere zegt onverbloemd, in het Frans op Bel-RTL, ‘nous avons décidé’ (‘wij’ in plaats van ‘de regering’). En topman Jo Libeer laat het buitenland (in NRC Handelsblad) onverbloemd weten: ‘Ik zie het eerder als het einde van de vanzelfsprekendheid waarmee vakbonden in België hun stempel drukken op het beleid.’ Het is wat minder fraai verwoord, maar het klinkt als de steeds herhaalde slotwoorden van de Romeinse senator Cato Maior: ‘Ceterum censeo, syndicatem esse delendam’ (Cato: ‘Overigens ben ik van mening dat Carthago verwoest moet worden’.)

De vermaledijde band vakbond-partij is vandaag verschoven naar een gebenedijde band werkgevers-regeringspartijen. De grootste regeringspartijen zijn niet bepaald ‘vrienden’ van vakbonden of sociaal overleg. De enen spreken ‘vakbond’ uit met hetzelfde gezicht als ‘PS’. Anderen moeten ‘sociaal overleg’ nog leren spellen of uitspreken. De schijnheiligsten bewijzen het lippendienst. (Ik breek me de bek niet verder open.)

Meer gelobby dan partnerschap, dat is de voorgebakken toekomst als het heden op het kookvuur blijft staan. De EU (Europese Unie) is wel een EMU (Economische en Monetaire Unie) geworden, maar ook een ECU gebleven, een Europese Concurrentie Unie, die steeds schever gaat lopen met een snel en een slepend been: economische, monetaire en budgettaire harmonisering, ja, maar met fiscale, sociale en salariale concurrentie, met fiscale oasen, sociale devaluaties en arbeidsdiscipline. Als dat zo blijft, zal ook het sociaal overleg dezelfde vertoning blijven: de bonden blaffen, de eigenaars kijven en de regeringskaravanen trekken voorbij. De Europese marge blijft mager en de regering schrijft het dieet voor.

Gilbert De Swert
Voormalig directeur van de studiedienst van het ACV

besparingen - Michel I - Martens V

Samenleving & Politiek, Jaargang 22, 2015, nr. 1 (januari), pagina 4 tot 15